10 voor biologie
Hoofdstuk 23 – Ecologie
Ecologie = betrekkingen die organismen hebben met elkaar en hun omgeving (biotische en
abiotische factoren). Dit kan je bestuderen op het niveau van:
- Een individu
- Een populatie
- Een levensgemeenschap
- Een ecosysteem
- Een vegetatiegordel
- De aarde
De abiotische factor (licht, water, bodem, lucht) waarvan de waarde voor een organisme het verst
weg ligt van het optimum, dus dichter bij de tolerantiegrenzen, bepaalt de levenskansen: dit
noemen we de beperkende factor.
Intraspecifieke relaties = betrekkingen tussen soortgenoten. Interspecifieke relaties = betrekkingen
tussen soorten, zoals voedselrelaties en symbiotische relaties, namelijk:
- Mutualisme = +/+
- Commensalisme = +/0
- Parasitisme = +/-
Niche = de functie van een soort in een ecosysteem. Je kan op drie manieren het aantal organismen
in een populatie tellen:
- Tellen
- Steekproef
- Merken en terugvangen : x : y = o : g (x = de onbekende populatiegrootte; y = totaal aantal
gemerkte dieren; o = aantal dieren dat de tweede keer is gevangen en g = het aantal
teruggevangen gemerkte dieren)
De 4 factoren van invloed op populatieonderzoek zijn geboorte- en sterftecijfer en emi- en
immigratie.
Er zijn drie typen organismen in voedselrelaties:
- Reducenten = heterotrofe organismen die van de dode resten van andere organismen
leven;
- Producenten = autotrofe groene planten en autotrofe bacteriën;
- Consumenten = heterotrofe organismen die van producenten of van andere consumenten
leven.
4 processen in een ecosysteem die te maken hebben met de energiebehoefte zijn:
- Fotosynthese
- Chemosynthese
- Dissimilatie
- Het gebruik van energie voor endotherme processen.
De totale biomassa die door de producenten in een ecosysteem wordt vastgelegd, noem je de bruto
primaire productie (BPP). Een deel hiervan gaat naar dissimilatie, het andere deel naar groei. De
gewichtstoename door deze groei heet de netto primaire productie (NPP) in gram drooggewicht.
Hoofdstuk 23 – Ecologie
Ecologie = betrekkingen die organismen hebben met elkaar en hun omgeving (biotische en
abiotische factoren). Dit kan je bestuderen op het niveau van:
- Een individu
- Een populatie
- Een levensgemeenschap
- Een ecosysteem
- Een vegetatiegordel
- De aarde
De abiotische factor (licht, water, bodem, lucht) waarvan de waarde voor een organisme het verst
weg ligt van het optimum, dus dichter bij de tolerantiegrenzen, bepaalt de levenskansen: dit
noemen we de beperkende factor.
Intraspecifieke relaties = betrekkingen tussen soortgenoten. Interspecifieke relaties = betrekkingen
tussen soorten, zoals voedselrelaties en symbiotische relaties, namelijk:
- Mutualisme = +/+
- Commensalisme = +/0
- Parasitisme = +/-
Niche = de functie van een soort in een ecosysteem. Je kan op drie manieren het aantal organismen
in een populatie tellen:
- Tellen
- Steekproef
- Merken en terugvangen : x : y = o : g (x = de onbekende populatiegrootte; y = totaal aantal
gemerkte dieren; o = aantal dieren dat de tweede keer is gevangen en g = het aantal
teruggevangen gemerkte dieren)
De 4 factoren van invloed op populatieonderzoek zijn geboorte- en sterftecijfer en emi- en
immigratie.
Er zijn drie typen organismen in voedselrelaties:
- Reducenten = heterotrofe organismen die van de dode resten van andere organismen
leven;
- Producenten = autotrofe groene planten en autotrofe bacteriën;
- Consumenten = heterotrofe organismen die van producenten of van andere consumenten
leven.
4 processen in een ecosysteem die te maken hebben met de energiebehoefte zijn:
- Fotosynthese
- Chemosynthese
- Dissimilatie
- Het gebruik van energie voor endotherme processen.
De totale biomassa die door de producenten in een ecosysteem wordt vastgelegd, noem je de bruto
primaire productie (BPP). Een deel hiervan gaat naar dissimilatie, het andere deel naar groei. De
gewichtstoename door deze groei heet de netto primaire productie (NPP) in gram drooggewicht.