Wat is (psycho)diagnostiek?
- Informatie verzamelen en verwerken over de cliënt en omgeving met het oog op ontwerpen
van de meest adequate aanpak van de problemen die door de cliënt zelf of door diens
omgeving zijn gesignaleerd.
- Zoek en beslissingsproces dat in dialoog met cliënt en diens omgeving wordt uitgevoerd, met
als doel om antwoord te krijgen op de hulpvraag van de cliënt.
- Informatie verzamelen vanuit een heldere vraagstelling en deze op expliciete en navolgbare
wijze verwerken tot een antwoord op de hulpvraag van de cliënt. Er moet gecontroleerd
kunnen worden waar de aanpak op is gebaseerd.
Wat is handelingsgerichte diagnostiek?
Proces van informatie verzamelen en analyseren met als doel het nemen van beslissingen over de in
te zetten aanpak of interventie.
Wat is wetenschappelijk verantwoorde diagnostiek?
- Maakt gebruik van wetenschappelijk empirische kennis.
- Toetst veronderstellingen over de werkelijkheid aan feiten.
- Is transparant in gevolgde argumentatie en procedure.
- Maakt gebruik van cliëntbetrokkenheid.
De laatste decennia is de aandacht terecht verschoven naar het diagnostisch proces en met name de
wijze waarop daarbinnen de besluitvorming dient plaats te vinden. Traditioneel werd diagnostiek
gezien als het inzetten van tests. Er was vooral sprake van klinisch of ongewapend oordeel: het
beslissen op basis van eigen ervaring en intuïtie, zonder gebruik te maken van methodologische
principes of systematische procedures die kunnen voorkomen dat er fouten en onterechte
vertekeningen in het oordeel optreden.
Diagnosticus heeft behoefte aan een professioneel hanteerbaar kader of model voor diagnostische
besluitvorming waarin de eigen identiteit van de beroepsactiviteit tot uiting komt. Er wordt een
prescriptief kader opgesteld: laat toe heuristische procedures (vuistregels) te ontwerpen die aan het
diagnostisch proces in de praktijk sturing geven: duidelijke visie op wat wel en wat niet voldoet aan de
eisen van verantwoorde diagnostiek.
Het volgen van de voorschriften garanderen op termijn de kans op het leveren van een bijdrage aan
de oplossing.
Kennis en vaardigheden op het gebied van diagnostische instrumenten en
beslissingsprocedures.
Scholing in hanteren van prescriptieve diagnostische denkkaders.
Empirisch-analytische kennis
Diagnostisch handelen verloopt volgens regels die door hem zelf geëxpliciteerd kunnen worden.
Hierdoor wordt het handelen transparant en kan het in principe aan toetsing door hem of door anderen
worden onderworpen. Dwingt tot zorgvuldigheid, zonder afbreuk aan inventiviteit en creativiteit.
Het diagnostisch proces is een presecriptief kader dat aansluit bij een empirisch-analytische aanpak.
In de empirische benadering worden veronderstellingen over de werkelijkheid aan de feiten
(resultaten van onderzoek) getoetst op een wijze die ook door andere onderzoekers herhaalbaar is.
De diagnosticus die bereid is op zijn uitspraak een weddenschap af te sluiten, bedrijft empirisch-
wetenschappelijke diagnostiek. Voorafgegaan door observatie (inductie), en afgesloten met evaluatie
(deductie).
De diagnosticus is wetenschappelijker naarmate hij:
- Explicieter werkt met theorieën en de verschillende theorieniveaus duidelijker met elkaar in
verband brengt.
- Er zich bewust van is in welke gevallen hij wel en in welke gevallen hij niet voor een bepaalde
theorie kiest.
- De denkstappen vastlegt die geleid hebben tot advies.
- Onderzoek doet naar de waarde van theorieën voor de problemen waar ze betrekking op
hebben en naar het effect van ingrepen.
, - Resultaten uitwisselt met collega’s .
Het werk van de diagnosticus:
Bestaat uit het schatten, afwegen en herzien van kansen. Het complexe beoordelingsproces begint
met de keuze van het soort gegevens dat de diagnosticus wil verzamelen om onderscheid te kunnen
maken tussen de mogelijkheid van een ontwikkelingsstoornis of protestgedrag. De kwaliteit van het
professionele oordeel in klinische beslissingssituaties laat dikwijls te wensen over. Dit gegeven moet
diagnostici ertoe aanzetten de kwaliteit van de eigen besluitvorming kritisch te evalueren en waar
nodig te verbeteren.
Beperkingen
- Er is beperkte harde cumulatieve kennis in de gedragswetenschappen.
- Verschijnselen worden vanuit zeer uiteenlopende zienswijzen bestudeerd.
Besliskundige ondersteuning
Hoe verloopt het oordelen en beslissen feitelijk?
Het beslissingsprobleem is een keuzeprobleem waarbij verschillende opties verschillende
consequenties kunnen hebben met betrekking tot het doel. De kansen die de beslisser inschat hebben
niet zozeer te maken met toevalsberekening, maar met de mogelijkheid dat bepaalde positieve of
negatieve gevolgen optreden.
Het gaat om besliskunde: een verzameling van modellen en procedures die aangeven hoe de
beslisser in de verschillende stappen van het beslissingsproces het best kan handelen met het oog op
het te bereiken doel.
Normatieve ondersteuning
Hoe zou het oordelen en beslissen moeten verlopen?
Wat is feitelijk een diagnose? Is het mogelijk en redelijk voorschriften voor de diagnosticus te
formuleren?
Diagnostisch proces is: complex, feilbaarheid ‘ongewapend oordeel’, reikwijdte diagnostische
beslissingen, aansluitend bij richtlijnen beroepsverenigingen NVO.
Aanmelding: rechtstreeks of via een verwijzer.
Klachtanalyse: wat is de hulpvraag? Niet elke hulpvraag is ook
een diagnostische hulpvraag.
Probleemanalyse: meer objectief het probleemgedrag in kaart
brengen. Welke objectieve gegevens hebben we? Spelen er
nog meer factoren? Hoe ernstig is het? DSM komt ook aan bod.
Verklaringsanalyse: wat zijn aspecten die dit gedrag volgens
theorieën laten ontstaan of in stand houden? Een kind met een
leesachterstand, die veel verzet toont op school, je gaat een
intelligentietest doen.
Indicatieanalyse: als ik weet welke factoren van invloed zijn op
dit probleem, dan ga ik deze factoren beïnvloede, zodat het
gedrag minder wordt. Je zult bijvoorbeeld moeten weten welk
effect een bepaalde behandeling heeft
Advies
De diagnostische cyclus (normatief, prescriptief kader):
- Herhaald doorlopen van het volledige scenario of van onderdelen daaruit.
- Cyclisch verloop.
- Veronderstellingen toetsen aan de feiten.
- Is prescriptief: stappen en substappen die de diagnosticus moet doorlopen worden
voorgeschreven.
- Beslissing om door te gaan, stappen te herhalen of terug te gaan hangt af van de mate van
zekerheid van de informatie die de betreffende stap oplevert.
Er kan worden teruggegaan naar een vorige stap, maar dan moet ook de laatst uitgevoerde
stap worden herhaald.
,Klachtanalyse
Klachten van de cliënt vormen de natuurlijke ingang tot het diagnostisch proces. Uitspraken die
aangeven dat de situatie of het gedrag van de cliënt, of de gevolgen daarvan, door de cliënt als
negatief (storend, ongewenst, belemmerend) beleefd worden.
Klachten weerspiegelen ervaringen en belevingen. Diagnosticus gaat in samenspraak na welke
diagnostische hulpvraag de klachten tegemoet zou kunnen komen.
Uitkomst: een ordening van klachten die door de cliënt onderschreven en herkend worden en waarop
diens hulpvragen betrekking hebben: verhelderende diagnose.
Probleemanalyse
Problemen zijn situaties of gedragingen van de cliënt waarover de diagnosticus op empirische of
theoretische gronden kan aannemen dat er sprake is van een voor de cliënt ongunstige toestand. De
uitspraak van de diagnosticus kan betrekking hebben op afzonderlijke situaties of gedragingen en
groepen van gedragingen (clusters, stoornissen, syndromen). De diagnosticus legt een verband
tussen klachten en problemen, controleert deze correspondentie, groepeert en benoemt de problemen
en taxeert de ernst ervan. Uitkomst: benoeming van het probleem in een terminologie: de
onderkennende diagnose.
Verklaringsanalyse
Verklaringen zijn (empirisch) getoetste uitspraken over condities, die afzonderlijk of in samenhang het
probleem hebben doen ontstaan of in stand houden. Nog niet getoetst? Dan hypothesen. In de
verklaringsanalyse genereert de diagnosticus hypothesen, leidt hij er empirisch toetsbare
voorspellingen uit af, formuleert en toetst deze, en stelt een integratief beeld op.
Uitkomst: een samenhangend beeld, waarin één of meerdere condities met een bepaalde mate van
waarschijnlijkheid als verklaring voor het probleem gelden: de verklarende diagnose.
Indicatieanalyse
Indicaties zijn empirisch of theoretisch onderbouwde aanbevelingen voor één of meerdere
interventies. Hebben het karakter van typen en vormen van handelings- en begeleidingsvoorstellen. Er
wordt in overleg met de cliënt een globaal interventiedoel geformuleerd, de in aanmerking komende
type interventies, het nut van mogelijke alternatieven, onderzoekt of de indicatiecriteria voor de
verschillende interventies van toepassing zijn, schat de kans van slagen in en formuleert een
aanbeveling. Uitkomst: een lijst van indicaties in de zin van aanbevelingen voor mogelijke interventies:
de indicerende diagnose.
Dus:
Eerst aanmelding rechtstreeks of verwijzer met een of meer hulpvragen. Niet elke hulpvraag is een
diagnostische hulpvraag. Samen met cliënt na gaan aan welk soort informatie behoefte is. Een
diagnostische hulpvraag wordt uiteindelijk gezamenlijk geherformuleerd tot een vraagstelling. De
vraagstelling wordt opgevat als onderzoeksvraag, waarbij er een link gelegd wordt tussen
vraagstelling en type onderzoek.
Hulpvraag (C) type diagnostische hulpvraag (D) type vraagstelling (C en D) type onderzoek
(D).
Prototype Type vraagstelling Type onderzoek Code
diagnostische
hulpvraag
Hoe moet ik verwoorden Verheldering Verhelderend VHD, klachtanalyse
wat ik ten opzichte van
mij/dit kind ervaar?
Wat is er met mij/ dit kind Onderkenning Onderkennend ODK, probleemanalyse
aan de hand?
Waarom is dit met mij/ dit Verklaring Verklarend VKR, verklaringsanalyse
kind aan de hand?
Hoe kan ik/dit kind het Indicatie Indicerend IDC, indicatieanalyse
best geholpen worden?
Diagnostische hulpvraag en diagnostisch scenario
, Bij een combinatie van vragen volgt een combinatie van onderzoeken.
Bij een samengaan van diagnostische hulpvragen en typen onderzoek is de volgorde niet willekeurig,
maar intrinsiek noodzakelijke volgorde. Een optimaal antwoord op de ene hulpvraag is echter vaak
afhankelijk van de beantwoording van een andere hulpvraag.
Omdat we ervan uitgaan dat de diagnostische hulpvraag van de cliënt het onderzoek stuurt, moet de
diagnosticus steeds starten met de verheldering van de hulpvraag.
Diagnostisch scenario: Geordende sequentie.
0-scenario: na verheldering komt men samen tot de conclusie dat er geen verder onderzoek nodig is.
2- scenario: verheldering – onderkenning – indicatie
3-scenario: meest volledig: verheldering – onderkenning – verklaring – indicatie.
De term diagnose:
- Als onderkenning van een stoornis (sprake van ADHD).
- Als verklaring voor het probleem of de stoornis (als gevolg van onveilige hechting).
De term hypothese:
Voorlopige uitspraken die nog aan feitenmateriaal getoetst moeten worden. Er kan sprake zijn van
verhelderende, onderkennende, verklarende en indicerende hypothesen.
Diagnostische cyclus als onderdeel van de klinische cyclus
Na diagnostische cyclus wordt er een nieuwe empirische cyclus doorlopen: de interventie-,
behandelings- of therapiecyclus.
Diagnostische cyclus en therapiecyclus (planning, uitvoering, beoordelen effect) = klinische cyclus.
Indicatieanalyse vormt scharnierpunt tussen diagnose en interventie. Pas als de verklarende diagnose
en de indicerende diagnose correct gesteld zijn, kan beoordeeld worden of de interventie effectief is;
pas als de interventie correct is uitgevoerd, kan beoordeeld worden of de voorafgaande diagnosen
correct gesteld waren (evaluatie).
Waarom niet volledige cyclus doorlopen?
- Gebrek aan tijd en middelen.
- Er is al voldoende informatie om een bruikbaar advies te kunnen formuleren, de rest van de
cyclus hoeft niet doorlopen te worden.
Kortom bij de afwikkeling van de cyclus bestaat steeds de mogelijkheid dat de diagnosticus ervoor
kiest, of gedwongen wordt, de cyclus voortijdig af te breken dan wel gefragmenteerd uit te voeren.
Uitkomst is beperkter dan bij doorlopen van de gehele cyclus.
Vertekeningen
- Beschikbaarheidheuristiek: Mensen hebben de neiging de kans op het optreden van een
verschijnsel hoger in te schatten naarmate zij met minder moeite voorbeelden van het
verschijnsel voor de geest kunnen halen.
- Neiging om informatie op te zoeken die de eigen opvatting ondersteunt (confirmation bias)
PA: de diagnosticus knikt instemmend en bemoedigt de cliënt telkens als deze iets vertelt dat
past bij zijn indruk.
- Causale attributie: persoon die handelt verklaart zijn gedrag doorgaans vanuit externe,
situationele omstandigheden. De observator daarentegen verklaart het handelen van de actor
over het algemeen vanuit interne, stabiele disposities.
De klacht van de moeder (actor) dat zij moeilijk contact kan leggen met de leerkracht, wordt
door de diagnosticus (observer) geïnterpreteerd als een kenmerk van haar persoonlijkheid.
- Representativiteit: het oordeel over de kans waarmee een verschijnsel optreedt, wordt geleid
door de mate waarin het te beoordelen verschijnsel overeenkomt met wat als daarvoor
typerend wordt opgevat.
IA: de diagnosticus adviseert een behandeling omdat de cliënt goed beantwoordt aan het
beeld van cliënten die doorgaans bij die behandeling baat vinden. Hij denkt daarom dat de
kans van slagen ook bij deze cliënt hoog zal zijn.
- Verankering: oordelen over de frequentie of omvang van verschijnselen blijven sterk
verankerd in de aanvangswaarden die de beoordelaar hanteert.