HOOFDSTUK 11: Het immuunsysteem en de lymfoïde organen
11.1 Algemene begrippen
Immuunsysteem bestaat uit:
Individuele structuren bv. lymfonodi
Vrije cellen bv. lymfocyten
Mononucleair fagocytair systeem
Antigeen presenterende cellen
→ communiceren met elkaar door eiwitsignalen of cytokines
Belangrijkste organen:
Thymus, milt, lymfonodi, lymfoide nodules in luchtwegen en spijsvertering
→ verspreiding + circulatie lymfocyten → bewaking en verdediging
→ thymus + beenmerg = centrale lymfoide organen, ander = perifere lymfoide orgn
2types immuunrespons
1. Cellulaire immunitet: directe aanval (T lymfocyten)
2. Humorale immuniteit: schiet op afstand met antistooen (B lymfocyten)
Aangeboren immuniteit: door fagocyten
Adaptieve immuniteit: immuunsysteem met geheugen
Antgeen = stof die immune reactie oproept
→ die reageert met specifeke antilichamen → sleutel-slot-principe
→ mechanismen:
agglutinatie, opsonisatie, neutralisatie, celgemdieerde cytototiteit, complement activering
Antlichamen = immunoglobulinen/ gammaglobulinen
→ reageren als een sleutel op een slot reageren met antigenen
→ kunnen:
1) Microorganismen merken voor complement, dat hun membranen ‘lek schiet’
2) “ merken voor fagocytose
3) Vreemde macromoleculen doen neerslaan
2 grote klassen lymfocyten:
1) B lymfocyten: plasmacellen → produceren antilichamen
2) T lymfocyten: T helper, cytototische T en T memory cellen
→ naast lymfocyten OOK: natural killer of NK cellen
MHC of Major Histocompatbility Complex
= manier om ‘eigen’ van ‘niet eigen’ te onderscheiden
MHC-I = in alle cellen
MHC-II = in antigeen presenterende cellen
11.1 Algemene begrippen
Immuunsysteem bestaat uit:
Individuele structuren bv. lymfonodi
Vrije cellen bv. lymfocyten
Mononucleair fagocytair systeem
Antigeen presenterende cellen
→ communiceren met elkaar door eiwitsignalen of cytokines
Belangrijkste organen:
Thymus, milt, lymfonodi, lymfoide nodules in luchtwegen en spijsvertering
→ verspreiding + circulatie lymfocyten → bewaking en verdediging
→ thymus + beenmerg = centrale lymfoide organen, ander = perifere lymfoide orgn
2types immuunrespons
1. Cellulaire immunitet: directe aanval (T lymfocyten)
2. Humorale immuniteit: schiet op afstand met antistooen (B lymfocyten)
Aangeboren immuniteit: door fagocyten
Adaptieve immuniteit: immuunsysteem met geheugen
Antgeen = stof die immune reactie oproept
→ die reageert met specifeke antilichamen → sleutel-slot-principe
→ mechanismen:
agglutinatie, opsonisatie, neutralisatie, celgemdieerde cytototiteit, complement activering
Antlichamen = immunoglobulinen/ gammaglobulinen
→ reageren als een sleutel op een slot reageren met antigenen
→ kunnen:
1) Microorganismen merken voor complement, dat hun membranen ‘lek schiet’
2) “ merken voor fagocytose
3) Vreemde macromoleculen doen neerslaan
2 grote klassen lymfocyten:
1) B lymfocyten: plasmacellen → produceren antilichamen
2) T lymfocyten: T helper, cytototische T en T memory cellen
→ naast lymfocyten OOK: natural killer of NK cellen
MHC of Major Histocompatbility Complex
= manier om ‘eigen’ van ‘niet eigen’ te onderscheiden
MHC-I = in alle cellen
MHC-II = in antigeen presenterende cellen