ABCDE voor verpleegkundigen
Hoofdstuk 3 B (Breathing)
3.1 Inleiding
Bij dit onderdeel wordt de effectiviteit van de ademhaling beoordeeld op zowel ventilatie als
oxygenatie.
3.2 Opname zuurstof in het lichaam
3.3 Ventilatie
3.4 Diffusie: gastransport in de terminale luchtwegen
3.5 Perfusie en zuurstoftransport
De mate waarin zuurstof in het bloed wordt opgenomen wordt bepaald door:
- Ventilatie: De long de neiging om naar zijn oorspronkelijke kleinere volume terug te keren.
Hierdoor trekt de borstwand naar binnen waardoor een negatieve druk in de pleuraholte ontstaat.
Tijdens aanspannen van het diafragma en de externe intercostaalspieren, wordt het volume van de
borstholte groter waardoor de druk in de pleuraholte negatiever wordt. Hierdoor wordt de long mee
naar buiten getrokken en ontstaat een negatieve druk in de longblaasjes ten opzichte van de druk in
de mond. Door dit verschil stroomt lucht de longen is.
- Diffusie: Het gastransport vindt plaats op basis van concentratieverschillen. Ook de
gasuitwisseling tussen longblaasjes en bloed vindt plaats door middel van diffusie.
- Perfusie: Perfusie is de doorbloeding van de longen te behoeve van de gasuitwisseling.
Diffusie kan verstoord worden door pneumonie, longoedeem bij decompensatio cordis en ARDS
(Aduls Repiratory Distress Syndrome) doordat de afstand die de zuurstof moet afleggen groter is bij
deze aandoeningen
Longembolieën, shock en hoge intrathoracale drukken verslechteren de perfusie, omdat het
veneuze return naar het hart en daarmee de doorbloeding van de longen verminderd is.
3.6 Hemoglobine
3.8 Transport van CO2
Hemoglobine (Hb) bevindt zich de erytrocyten en transporteert zuurstof- en
koolstofdioxidemoleculen. Koolstofdioxide kan zich ook in grote hoeveelheiden oplossen in het
bloed om zich te verplaatsen. In de erytrocyten bevindt zich koolzuuranhydrase. Dit zorgt voor
katalysatie van de reactie tussen het opgeloste koolstofdioxide en water. Dit leidt tot de vorming van
H2CO3.
3.9 Ventilatie-perfusieverhouding
De ventilatie-perfusieverhouding (V/Q-verhouding) is een concept om de gasuitwisseling te
kwantificeren in verhouding tussen de alveolaire ventilatie en de alveolaire perfusie. Als er geen
ventilatie is, is de V/Q-verhouding 0. Als er geen perfusie is, is de V/Q-verhouding oneindig groot.
3.10 Anatomische dode ruimte
De anatomische dode ruimte is de het volume van de luchtweg dat niet betrokken is bij de
gasuitwisseling zoals de mondholte, keelholte, neusholte en luchtpijp en bedraagt ongeveer 150 ml.
De alveolaire dode ruimte bestaat uit de alveoli die wel worden geventileerd maar niet worden
geperfundeerd. De anatomische dode ruimte en de alveolaire dode ruimte worden samen de
fysiologische dode ruimte genoemd.
3.11 Shunting
, Onvoldoende geoxygeneerd bloed noem je geshunt bloed. Met shunten wordt het fenomeen dat
zuurstofarm bloed in de arteriële circulatie terechtkomt bedoeld. Dit kan ontstaan door pneumonie,
ARDS en longoedeem.
3.12 Ademcentrum
Het ademcentrum krijgt via receptoren in de bloedvaten de concentratie koolstofdioxide door. Bij
een overmaat aan koolstofdioxide activeert het ademhalingscentrum de ademhalingsspieren en
gaat de ademfrequentie omhoog. Bij een tekort aan koolstofdioxide remt het ademhalingscentrum
de ademhalingsspieren en gaat de ademfrequentie omlaag.
Een overmaat aan koolstofdioxide geeft weer dat het bloed te zuur is, door koolstofdioxide uit te
scheiden wordt en bloed weer meer basisch.
3.13 Zuurstoftransport en –consumptie
3.14 Dyspneu
Dyspneu is de bewuste ervaring van een verstoring van de ademhaling, dus het gevoel dat de
adem tekort schiet. Dyspneu kan het gevolg zijn van:
- toename van ademarbeid bij shock;
- zwakte van de ademhalingsspieren;
- toegenomen behoefte aan zuurstof, bijv. bij koorts en anemie;
- aandoeningen zoals astma en COPD;
- complicaties van ziekte, zoals longembolie of pleuravocht;
- gevolgen van een behandeling;
- decompensatio cordig.
Dyspneu d’effert betekent kortademigheid bij inspanning en dyspneu de repos is kortademigheid
in rust.
Hoofdstuk 3 B (Breathing)
3.1 Inleiding
Bij dit onderdeel wordt de effectiviteit van de ademhaling beoordeeld op zowel ventilatie als
oxygenatie.
3.2 Opname zuurstof in het lichaam
3.3 Ventilatie
3.4 Diffusie: gastransport in de terminale luchtwegen
3.5 Perfusie en zuurstoftransport
De mate waarin zuurstof in het bloed wordt opgenomen wordt bepaald door:
- Ventilatie: De long de neiging om naar zijn oorspronkelijke kleinere volume terug te keren.
Hierdoor trekt de borstwand naar binnen waardoor een negatieve druk in de pleuraholte ontstaat.
Tijdens aanspannen van het diafragma en de externe intercostaalspieren, wordt het volume van de
borstholte groter waardoor de druk in de pleuraholte negatiever wordt. Hierdoor wordt de long mee
naar buiten getrokken en ontstaat een negatieve druk in de longblaasjes ten opzichte van de druk in
de mond. Door dit verschil stroomt lucht de longen is.
- Diffusie: Het gastransport vindt plaats op basis van concentratieverschillen. Ook de
gasuitwisseling tussen longblaasjes en bloed vindt plaats door middel van diffusie.
- Perfusie: Perfusie is de doorbloeding van de longen te behoeve van de gasuitwisseling.
Diffusie kan verstoord worden door pneumonie, longoedeem bij decompensatio cordis en ARDS
(Aduls Repiratory Distress Syndrome) doordat de afstand die de zuurstof moet afleggen groter is bij
deze aandoeningen
Longembolieën, shock en hoge intrathoracale drukken verslechteren de perfusie, omdat het
veneuze return naar het hart en daarmee de doorbloeding van de longen verminderd is.
3.6 Hemoglobine
3.8 Transport van CO2
Hemoglobine (Hb) bevindt zich de erytrocyten en transporteert zuurstof- en
koolstofdioxidemoleculen. Koolstofdioxide kan zich ook in grote hoeveelheiden oplossen in het
bloed om zich te verplaatsen. In de erytrocyten bevindt zich koolzuuranhydrase. Dit zorgt voor
katalysatie van de reactie tussen het opgeloste koolstofdioxide en water. Dit leidt tot de vorming van
H2CO3.
3.9 Ventilatie-perfusieverhouding
De ventilatie-perfusieverhouding (V/Q-verhouding) is een concept om de gasuitwisseling te
kwantificeren in verhouding tussen de alveolaire ventilatie en de alveolaire perfusie. Als er geen
ventilatie is, is de V/Q-verhouding 0. Als er geen perfusie is, is de V/Q-verhouding oneindig groot.
3.10 Anatomische dode ruimte
De anatomische dode ruimte is de het volume van de luchtweg dat niet betrokken is bij de
gasuitwisseling zoals de mondholte, keelholte, neusholte en luchtpijp en bedraagt ongeveer 150 ml.
De alveolaire dode ruimte bestaat uit de alveoli die wel worden geventileerd maar niet worden
geperfundeerd. De anatomische dode ruimte en de alveolaire dode ruimte worden samen de
fysiologische dode ruimte genoemd.
3.11 Shunting
, Onvoldoende geoxygeneerd bloed noem je geshunt bloed. Met shunten wordt het fenomeen dat
zuurstofarm bloed in de arteriële circulatie terechtkomt bedoeld. Dit kan ontstaan door pneumonie,
ARDS en longoedeem.
3.12 Ademcentrum
Het ademcentrum krijgt via receptoren in de bloedvaten de concentratie koolstofdioxide door. Bij
een overmaat aan koolstofdioxide activeert het ademhalingscentrum de ademhalingsspieren en
gaat de ademfrequentie omhoog. Bij een tekort aan koolstofdioxide remt het ademhalingscentrum
de ademhalingsspieren en gaat de ademfrequentie omlaag.
Een overmaat aan koolstofdioxide geeft weer dat het bloed te zuur is, door koolstofdioxide uit te
scheiden wordt en bloed weer meer basisch.
3.13 Zuurstoftransport en –consumptie
3.14 Dyspneu
Dyspneu is de bewuste ervaring van een verstoring van de ademhaling, dus het gevoel dat de
adem tekort schiet. Dyspneu kan het gevolg zijn van:
- toename van ademarbeid bij shock;
- zwakte van de ademhalingsspieren;
- toegenomen behoefte aan zuurstof, bijv. bij koorts en anemie;
- aandoeningen zoals astma en COPD;
- complicaties van ziekte, zoals longembolie of pleuravocht;
- gevolgen van een behandeling;
- decompensatio cordig.
Dyspneu d’effert betekent kortademigheid bij inspanning en dyspneu de repos is kortademigheid
in rust.