HERSENEN EN GEDRAG
Semester 2 – blok 3
HOOFDSTUK 1
BREIN VS. GEDRAG
WAT IS HET BREIN?
Het brein is een orgaan dat bestaat uit zenuwweefsel = fysiek object/levend weefsel
zenuwcellen = neuronen en gliacellen
WAT IS GEDRAG?
Gedrag is elke vorm van observeerbare actie of reactie van een mens of dier in reactie op
externe of interne prikkels = stimuli
Voorbeelden gedrag; beweging, spraak, houding, blozen, gedachten
Gedrag bestaat uit mix van aangeboren en aangeleerde (re)acties en is gelinkt aan actie,
niet fysiek maar wel observeerbaar en meetbaar
Aangeboren; bijv. zuigreflex in baby’s
Aangeleerd; bijv. eetvoorkeur op latere leeftijd
De mix varieert sterk tussen diersoorten
Kleiner, eenvoudiger zenuwstelsel kleiner gedragsrepertoire, simpelere
gedragingen, veelal aangeboren
Groter, meer complex zenuwstelsel groter gedragsrepertoire, meer complexe
gedragingen, beïnvloed door leerprocessen
We onderzoeken de relatie tussen brein en gedrag met kennis van
1) Evolutie van hersenen en gedrag in verschillende diersoorten
2) Relatie tussen hersenen en gedrag in mensen met een gezond brein
3) Relatie tussen hersenen en gedrag in mensen met een structurele of functionele
verandering en/of beschadiging in het brein
DE GESCHIEDENIS VAN DE MENS
Homo sapiens stammen niet af van chimpansees, we hebben wel een
gemeenschappelijke voorouder
Encefalisatiequotiënt (EQ): feitelijk hersengewicht / verwacht hersengewicht op basis
van lichaamsgewicht
Menselijk brein heeft grootste brein in verhouding met lichaamsgewicht
HOE KON ONS BREIN ZO GROOT WORDEN?
Leefwijze
Fruit eten (complexer dan bijv. gras eten)
Gebruik van vuur om te koken meer sociale interactie
Sociale groepsgrootte (~150 jaar) jager-verzamelaar
Efficiënte koeling
Bloedcirculatie werkt als radiator, zowel toevoer van energie als verkoeling,
hierdoor heeft het brein hoog metabolisme (meer efficiënt energie gebruik)
, 2% lichaamsgewicht, 25% zuurstof, 70% glucose
Neotenie
‘Vertraagde’ ontwikkeling t.o.v. eerdere soorten
Eigenschappen uit juveniele fase van voorouders blijven behouden in
volwassen afstammelingen
Groter brein beter brein (binnen soort)
Intelligentie draait waarschijnlijk meer om (het aantal) verbindingen tussen de
verschillende hersengebieden
HOOFDSTUK 2
Een van belangrijkste hoofdstukken goed bestuderen
STRUCTUUR EN FUNCTIE VAN DE HERSENEN
Hersenweefsel is flexibel; heeft het vermogen om zich aan te passen aan de omgeving =
neurale plasticiteit
ANATOMISCHE AANDUIDINGEN VAN LOCATIES
Brain-body oriëntation: locatie van hersengebieden met het
gezicht als referentie
Dorsaal: naar bovenkant hersenen
Ventraal: naar de buik
Mediaal: midden
Lateraal: zijkant
Anterieur: voorkant
Posterieur: achter
Spatial oriëntation: locatie van hersengebieden in relatie tot
andere onderdelen van het lichaam
hangt af van lichaamshouding
Rostraal: bek/mond
Caudaal: staart
Superieur: boven
Inferieur: onder
Anatomical oriëntation: richting van doorsnedes of secties van het
brein vanuit het perspectief van een toeschouwer
Coronaal: van boven naar beneden doorgesneden
ontstaat een frontal view
Horizontaal: van links naar rechts doorgesneden
ontstaat een dorsal view
Sagittaal: van voor naar achteren doorgesneden
ontstaat een medial view
BESCHERMINGEN HERSENEN – HERSENVLIEZEN &
CEREBROSPINALE VLOEISTOF
Van schedel naar hersenen in volgorde:
1) Dura mater = harde hersenvlies; met bloedvaten voor voedingstoffen en
signalen
2) Arachnoid layer = spinnenwebvlies
, 3) Subarachnoid space: ruimte met cerebrospinale vloeistof (CSF), zorgt dat
je hersenen niet de schedel raken
4) Pia mater = zachte hersenvlies
Centrale zenuwstelsel = brein + ruggenmerg
Het weefsel in de hersenen ervaart geen pijn, bloedvaten in hersenen creëren idee van
pijn
CEREBRO VASCULAIR ACCIDENTEN (CVA)
Ischemisch CVA: herseninfarct, 80% van CVA’s, afsluiting van bloedvat door bloedprop
of vernauwing wat leidt tot lokaal zuurstoftekort
Hemorragisch CVA: hersenbloeding, 20% van CVA’s, bloeduitstorting in de hersenen
door opengebarsten of gescheurd bloedvat
HERSENEN VAN BUITENAF
Belangrijkste hersenstructuren
1) Cerebrum: grote hersenen
2) Cerebellum: kleine hersenen
3) Hersenstam
Cerebrale cortex: hersenschors, op te delen in 4
belangrijke delen
1) Frontale kwab; aan de voorkant; executieve
functies zoals plannen
2) Pariëtale kwab; aan de achterkant bovenaan;
sensorische functies
3) Temporale kwab; onderaan; opvangen
sensorische informatie
4) Occipitale kwab; aan de achterkant onderaan;
visuele systeem
Het hersenweefsel heeft een oppervlakte van ~0.25m2
en een dikte van 2-4 mm
Gyrus: bocht/winding in de hersenen
Sulcus: groef; scheidt de frontale van pariëtale kwab
Fissuur: diepe groef; verdelen grote delen van de
hersenen
Hersenweefsel bestaat uit
Grijze stof: zenuwcellen (geen isolerende laag)
Witte stof: zenuwvezels (isolerende laag, myeline)
Reticulaire stof: netvormig (mix van vezels en cellen)
Corpus callosum (hersenbalk): verbinding tussen linker- en rechterhersenhelft
In hersenen: grijze stof aan de buitenkant – zenuwcellen aan buitenkant
VENTRIKELSYSTEEM
4 met elkaar verbonden holtes gevuld met cerebrospinale vloeistof (CSV)
1e en 2e laterale ventrikels; 1 in elke hemisfeer, verbonden met 3 e ventrikel
3e ventrikel; in diencephalon (tussenhersenen), tussen rechter en linker
thalamus, verbonden met 4e ventrikel via cerebrale aquaduct
, 4e ventrikel; tussen het cerebellum en de pons, verbonden met subarachnoïdale
ruimte en centrale kanaal (in ruggenmerg)
Functie: ondersteunen metabolisme, afvoeren afvalstoffen en beschermen hersenweefsel
Waterhoofd: vaak geen verbinding tussen 3e en 4e ventrikel; probleem met cerebrale
aquaduct; ophoping van cerebrospinale vloeistof zorgt voor opzwelling hoofd door
te grote ventrikels
INDELING VAN HET ZENUWSTELSEL
Centrale zenuwstelsel: ruggenmerg en het brein
Perifere zenuwstelsel: verbinden brein en ruggenmerg met de rest van het lichaam
Somatische zenuwstelsel: alles wat met je sensaties en lichaam te maken heeft
Craniale zenuwen/hersenzenuwen
Ruggenmerg zenuwen
Autonome zenuwstelsel: deel van je zenuwstelsel dat niet onder je bewuste
controle staat
Sympatisch: analyseren of je in actie moet komen, fight or flight
o Stimulerend; activeren en opwinding
o Verbonden met thoracale en lumbale ruggenmerg segmenten
o Ganglia (minibrains) dichtbij het ruggenmerg (wel grensstreng)
o Preganglionaire vezels kort, postganglionaire vezels lang
o Acetylcholine (preganglionair) en norepinephrine (postganglionair)
Parasympatisch: analyseren of je tot rust moet komen
o Inhiberend; relaxen, voedsel verteren
o Verbonden met sacrale ruggenmerg segmenten, maar vooral met 3
hersenzenuwen: vagus, facialis en oculomotorius
o Ganglia dichtbij organen (geen grensstreng)
o Preganglionaire vezels lang, postganglionaire vezels kort
o Acetylcholine (pre- en postganglionair
Enterische zenuwstelsel: zenuwstelsel van de spijsvertering (niet relevant voor
tentamen)
Ontogenetische organisatie: hoe de verschillende hersendelen in de evolutie zijn
ontstaan
Encephalon = in het hoofd
Van het huidige brein (C): functies en
locatie hersendelen weten
Van eerdere brein (B): alleen weten
welk hersendeel is ontwikkeld
tot huidige hersendeel
Hoe hoger een structuur fysiek in de hersenen ligt, des te ‘hoger’ de functie (= meer
complex/geïntegreerd)
Semester 2 – blok 3
HOOFDSTUK 1
BREIN VS. GEDRAG
WAT IS HET BREIN?
Het brein is een orgaan dat bestaat uit zenuwweefsel = fysiek object/levend weefsel
zenuwcellen = neuronen en gliacellen
WAT IS GEDRAG?
Gedrag is elke vorm van observeerbare actie of reactie van een mens of dier in reactie op
externe of interne prikkels = stimuli
Voorbeelden gedrag; beweging, spraak, houding, blozen, gedachten
Gedrag bestaat uit mix van aangeboren en aangeleerde (re)acties en is gelinkt aan actie,
niet fysiek maar wel observeerbaar en meetbaar
Aangeboren; bijv. zuigreflex in baby’s
Aangeleerd; bijv. eetvoorkeur op latere leeftijd
De mix varieert sterk tussen diersoorten
Kleiner, eenvoudiger zenuwstelsel kleiner gedragsrepertoire, simpelere
gedragingen, veelal aangeboren
Groter, meer complex zenuwstelsel groter gedragsrepertoire, meer complexe
gedragingen, beïnvloed door leerprocessen
We onderzoeken de relatie tussen brein en gedrag met kennis van
1) Evolutie van hersenen en gedrag in verschillende diersoorten
2) Relatie tussen hersenen en gedrag in mensen met een gezond brein
3) Relatie tussen hersenen en gedrag in mensen met een structurele of functionele
verandering en/of beschadiging in het brein
DE GESCHIEDENIS VAN DE MENS
Homo sapiens stammen niet af van chimpansees, we hebben wel een
gemeenschappelijke voorouder
Encefalisatiequotiënt (EQ): feitelijk hersengewicht / verwacht hersengewicht op basis
van lichaamsgewicht
Menselijk brein heeft grootste brein in verhouding met lichaamsgewicht
HOE KON ONS BREIN ZO GROOT WORDEN?
Leefwijze
Fruit eten (complexer dan bijv. gras eten)
Gebruik van vuur om te koken meer sociale interactie
Sociale groepsgrootte (~150 jaar) jager-verzamelaar
Efficiënte koeling
Bloedcirculatie werkt als radiator, zowel toevoer van energie als verkoeling,
hierdoor heeft het brein hoog metabolisme (meer efficiënt energie gebruik)
, 2% lichaamsgewicht, 25% zuurstof, 70% glucose
Neotenie
‘Vertraagde’ ontwikkeling t.o.v. eerdere soorten
Eigenschappen uit juveniele fase van voorouders blijven behouden in
volwassen afstammelingen
Groter brein beter brein (binnen soort)
Intelligentie draait waarschijnlijk meer om (het aantal) verbindingen tussen de
verschillende hersengebieden
HOOFDSTUK 2
Een van belangrijkste hoofdstukken goed bestuderen
STRUCTUUR EN FUNCTIE VAN DE HERSENEN
Hersenweefsel is flexibel; heeft het vermogen om zich aan te passen aan de omgeving =
neurale plasticiteit
ANATOMISCHE AANDUIDINGEN VAN LOCATIES
Brain-body oriëntation: locatie van hersengebieden met het
gezicht als referentie
Dorsaal: naar bovenkant hersenen
Ventraal: naar de buik
Mediaal: midden
Lateraal: zijkant
Anterieur: voorkant
Posterieur: achter
Spatial oriëntation: locatie van hersengebieden in relatie tot
andere onderdelen van het lichaam
hangt af van lichaamshouding
Rostraal: bek/mond
Caudaal: staart
Superieur: boven
Inferieur: onder
Anatomical oriëntation: richting van doorsnedes of secties van het
brein vanuit het perspectief van een toeschouwer
Coronaal: van boven naar beneden doorgesneden
ontstaat een frontal view
Horizontaal: van links naar rechts doorgesneden
ontstaat een dorsal view
Sagittaal: van voor naar achteren doorgesneden
ontstaat een medial view
BESCHERMINGEN HERSENEN – HERSENVLIEZEN &
CEREBROSPINALE VLOEISTOF
Van schedel naar hersenen in volgorde:
1) Dura mater = harde hersenvlies; met bloedvaten voor voedingstoffen en
signalen
2) Arachnoid layer = spinnenwebvlies
, 3) Subarachnoid space: ruimte met cerebrospinale vloeistof (CSF), zorgt dat
je hersenen niet de schedel raken
4) Pia mater = zachte hersenvlies
Centrale zenuwstelsel = brein + ruggenmerg
Het weefsel in de hersenen ervaart geen pijn, bloedvaten in hersenen creëren idee van
pijn
CEREBRO VASCULAIR ACCIDENTEN (CVA)
Ischemisch CVA: herseninfarct, 80% van CVA’s, afsluiting van bloedvat door bloedprop
of vernauwing wat leidt tot lokaal zuurstoftekort
Hemorragisch CVA: hersenbloeding, 20% van CVA’s, bloeduitstorting in de hersenen
door opengebarsten of gescheurd bloedvat
HERSENEN VAN BUITENAF
Belangrijkste hersenstructuren
1) Cerebrum: grote hersenen
2) Cerebellum: kleine hersenen
3) Hersenstam
Cerebrale cortex: hersenschors, op te delen in 4
belangrijke delen
1) Frontale kwab; aan de voorkant; executieve
functies zoals plannen
2) Pariëtale kwab; aan de achterkant bovenaan;
sensorische functies
3) Temporale kwab; onderaan; opvangen
sensorische informatie
4) Occipitale kwab; aan de achterkant onderaan;
visuele systeem
Het hersenweefsel heeft een oppervlakte van ~0.25m2
en een dikte van 2-4 mm
Gyrus: bocht/winding in de hersenen
Sulcus: groef; scheidt de frontale van pariëtale kwab
Fissuur: diepe groef; verdelen grote delen van de
hersenen
Hersenweefsel bestaat uit
Grijze stof: zenuwcellen (geen isolerende laag)
Witte stof: zenuwvezels (isolerende laag, myeline)
Reticulaire stof: netvormig (mix van vezels en cellen)
Corpus callosum (hersenbalk): verbinding tussen linker- en rechterhersenhelft
In hersenen: grijze stof aan de buitenkant – zenuwcellen aan buitenkant
VENTRIKELSYSTEEM
4 met elkaar verbonden holtes gevuld met cerebrospinale vloeistof (CSV)
1e en 2e laterale ventrikels; 1 in elke hemisfeer, verbonden met 3 e ventrikel
3e ventrikel; in diencephalon (tussenhersenen), tussen rechter en linker
thalamus, verbonden met 4e ventrikel via cerebrale aquaduct
, 4e ventrikel; tussen het cerebellum en de pons, verbonden met subarachnoïdale
ruimte en centrale kanaal (in ruggenmerg)
Functie: ondersteunen metabolisme, afvoeren afvalstoffen en beschermen hersenweefsel
Waterhoofd: vaak geen verbinding tussen 3e en 4e ventrikel; probleem met cerebrale
aquaduct; ophoping van cerebrospinale vloeistof zorgt voor opzwelling hoofd door
te grote ventrikels
INDELING VAN HET ZENUWSTELSEL
Centrale zenuwstelsel: ruggenmerg en het brein
Perifere zenuwstelsel: verbinden brein en ruggenmerg met de rest van het lichaam
Somatische zenuwstelsel: alles wat met je sensaties en lichaam te maken heeft
Craniale zenuwen/hersenzenuwen
Ruggenmerg zenuwen
Autonome zenuwstelsel: deel van je zenuwstelsel dat niet onder je bewuste
controle staat
Sympatisch: analyseren of je in actie moet komen, fight or flight
o Stimulerend; activeren en opwinding
o Verbonden met thoracale en lumbale ruggenmerg segmenten
o Ganglia (minibrains) dichtbij het ruggenmerg (wel grensstreng)
o Preganglionaire vezels kort, postganglionaire vezels lang
o Acetylcholine (preganglionair) en norepinephrine (postganglionair)
Parasympatisch: analyseren of je tot rust moet komen
o Inhiberend; relaxen, voedsel verteren
o Verbonden met sacrale ruggenmerg segmenten, maar vooral met 3
hersenzenuwen: vagus, facialis en oculomotorius
o Ganglia dichtbij organen (geen grensstreng)
o Preganglionaire vezels lang, postganglionaire vezels kort
o Acetylcholine (pre- en postganglionair
Enterische zenuwstelsel: zenuwstelsel van de spijsvertering (niet relevant voor
tentamen)
Ontogenetische organisatie: hoe de verschillende hersendelen in de evolutie zijn
ontstaan
Encephalon = in het hoofd
Van het huidige brein (C): functies en
locatie hersendelen weten
Van eerdere brein (B): alleen weten
welk hersendeel is ontwikkeld
tot huidige hersendeel
Hoe hoger een structuur fysiek in de hersenen ligt, des te ‘hoger’ de functie (= meer
complex/geïntegreerd)