100% Zufriedenheitsgarantie Sofort verfügbar nach Zahlung Sowohl online als auch als PDF Du bist an nichts gebunden 4,6 TrustPilot
logo-home
Zusammenfassung

COMPLETE Samenvatting Neuropsychologische Stoornissen GGZ2027

Bewertung
4,3
(3)
Verkauft
6
seiten
96
Hochgeladen auf
26-01-2024
geschrieben in
2023/2024

Deze samenvatting kan gebruikt worden om te leren voor het tentamen van GGZ2027 en als voorbereiding voor de onderwijsgroepen. Deze samenvatting gaat in op de neuroanatomie en de bijbehorende neuropsychologische stoornissen. Met deze samenvatting is een 9.3 voor het tentamen behaald.

Mehr anzeigen Weniger lesen
Hochschule
Kurs











Ups! Dein Dokument kann gerade nicht geladen werden. Versuch es erneut oder kontaktiere den Support.

Schule, Studium & Fach

Hochschule
Studium
Kurs

Dokument Information

Hochgeladen auf
26. januar 2024
Anzahl der Seiten
96
geschrieben in
2023/2024
Typ
Zusammenfassung

Themen

Inhaltsvorschau

TAAK 1: NEUROANATOMIE
TERMEN NEUROANATOMIE

1. Dorsaal = richting de rug
2. Ventraal = richting de buik
3. Anterieur/rostraal = richting de voorkant
4. Posterieur/caudaal = richting de achterkant
5. Superieur = boven een ander deel
6. Inferieur = onder een ander deel
7. Lateraal = richting de zijkant, weg van het midden
8. Mediaal = richting het middel, weg van de zijkant
9. Proximaal = dichtbij punt van oorsprong of hechting
10. Distaal = ver weg van punt van oorsprong of hechting
11. Ipsilateraal = aan dezelfde kant van het lichaam
12. Contralateraal = aan tegengestelde kant van het lichaam
13. Mediaan = op middenlijn liggend

De bovenkant van het menselijk brein wordt als dorsaal beschouwd en de onderkant als ventraal, omdat onze
hersenen een hoek van 90 graden maken t.o.v. onze rug en buik.

Synapsen kunnen naar de anterieure pool bewegen of naar inferieure einde van de ruggengraat. Vezels kunnen
rostraal naar de rostrale pool (anterieur) of caudaal naar de caudale pool (posterieur).

Er zijn drie verschillende manieren om een doorsnede
te maken;

1. Horizontaal (axiaal/transversaal) = vlak dat
breinstructuren van bovenkant laat zien ->
verdeelt hersenen in dorsaal (boven) en
ventraal (onder) gedeelte
2. Sagittaal = lengtedoorsnede, laat
breinstructuren van zijkant zien -> verdeelt
hersenen in linker- en rechterdeel, dus
scheiden van 2 hersenhelften
3. Coronaal/frontaal = laat breinstructuren van
voorkant zien = beste representatie en vaakst
gebruikt. Verdeelt de hersenen in anterieur (voorste) en posterieur (achterste deel)

Lamina Een rij of laag cellichamen gescheiden van andere cellichamen door een laag van axonen en
dendrieten
➔ Deze lagen lopen parallel aan het oppervlak van de cortex
Kolom Een reeks cellen loodrecht op het oppervlak van de cortex -> deze reeks cellen hebben
allemaal vergelijkbare eigenschappen
Tract Een set axonen binnen het CZS, ook wel projectie genoemd.
➔ Als axonen zich uitstrekken van cellichamen in structuur A naar synapsen op B,
zeggen we dat de vezels "projecteren" van A op B.
Zenuw Een set axonen in de periferie, dus van het CZS naar een spier of klier of van een zintuig naar
het CZS
Nucleus Een cluster van neuroncellichamen in het CZS

, Ganglion Een cluster van neuroncellichamen, meestal buiten het CZS
Gyrus/gyri Een uitsteeksel op het oppervlak van de hersenen
Sulcus/sulci Een plooi of groef die de ene gyrus van de andere scheidt
Fissuur Een lange, diepe sulcus

CELLEN IN HET ZENUWSTELSEL

Het zenuwstelsel bestaat uit 2 typen cellen:

1. Neuronen: ontvangen informatie en geven deze door aan andere cellen
2. Gliacellen: supportcellen

NEURONEN
Neuronen lijken veel op de cellen uit de rest van ons lichaam:

➔ Plasmamembraan: vormt de buitenkant/oppervlak van de cel -> scheidt binnenkant van de cel met het
uitwendige milieu
o De meeste chemicalieën kunnen dit membraan niet passeren, maar eiwitkanalen in het membraan
laten een gecontroleerde stroom toe van water, zuurstof, natrium, kalium, chloride, calcium en
andere belangrijke chemische stoffen
➔ Celkern (behalve RBC): hierin liggen de chromosomen
➔ Mitochrondria: voeren metabole activiteiten van de cel uit en voorzien de cel van energie
o Bevatten hun eigen genen en verschillen genetisch van persoon tot persoon -> over- vs. onderactief
➔ Ribosomen: maken eiwitmoleculen
o Sommige ribosomen bevinden zich vrij in de cel, andere ribosomen zitten vast aan het
endoplasmatisch reticulum = netwerk van dunne buizen die nieuw gemaakte eiwitten transporteren
naar andere locaties

Een neuron vormt de functionele eenheid van het zenuwstelsel. De vorm van het neuron verschilt per neuron:

➔ Alle neuronen hebben een soma/cellichaam
o Bevat de kern, ribosomen en mitochrondriën -> hier vindt het grootste deel van de metabolische
activiteit plaats
o In veel neuronen is het cellichaam bedekt met synapsen op het oppervlak
➔ De meeste neuronen hebben dendrieten, een axon en presynaptische uiteinden/terminals.
o Sommige neuronen hebben daarentegen geen axon of duidelijke dendrieten
o Dendrieten = vertakte vezels die aan hun uiteinden smaller worden.
▪ Het oppervlak is bekleed met gespecialiseerde synaptische receptoren waarop de dendriet
informatie ontvangt van andere neuronen
▪ Veel dendrieten bevatten dendritische stekels/spines = korte uitgroeisels die het
beschikbare oppervlak voor synapsen vergroten -> hoe groter het oppervlak van de
dendriet, hoe meer informatie deze kan ontvangen
o Axonen = dunne vezel met constante diameter
▪ Brengt impuls over naar andere neuronen, orgaan of spier
▪ Kunnen meer dan meter lang zijn
▪ Zijn bedekt met isolerend materiaal -> myelineschede
• Hierin zitten onderbrekingen -> knooppunten van Ranvier
• Ongewervelde axonen hebben geen myelineschede
➔ Het neuron kan meerdere dendrieten hebben, maar heeft maar 1 axon die wel vertakkingen kan hebben

, o Het uiteinde van elke tak van het axon heeft een zwelling = presynaptische terminal -> hier geeft
axon chemische stoffen vrij in synapsspleet. De presynaptische terminal staat ook wel bekend als
‘end bulb’ of ‘bouton’.

Er zijn verschillende typen neuronen:

1. Motorische neuronen: ontvangen impulsen door
dendrieten en geleiden impulsen langs axonen naar spier
o De cellichamen hiervan liggen in het ruggenmerg
2. Sensorische neuronen: zijn gespecialiseerd om erg gevoelig
te zijn voor een bepaalde type stimulatie -> bijv. het
geleiden van tast informatie van huid naar ruggenmerg
o Kleine takken leiden rechtstreeks informatie van
receptoren naar axon en het cellichaam van de cel
bevindt zich op een klein steeltje van de hoofdstam
3. Interneuron = neuron die 2 neuronen tussen elkaar verbindt
➔ Wanneer de dendrieten en het axon zich volledig binnen één structuur bevinden is de cel een
interneuron of intrinsiek neuron van die structuur

Andere termen m.b.t. neuronen zijn:

1. Afferent neuron = brengt informatie in structuur
o Elk sensorisch neuron is een afferent naar de rest van
het zenuwstelsel
2. Efferent neuron = voert informatie weg van een structuur
o Elk motorisch neuron is een efferent van het
zenuwstelsel
➔ Binnen het zenuwstelsel is een bepaald neuron een efferent
van de ene structuur en een afferent van een andere.

Neuronen variëren in grootte, vorm en functie. De vorm van het neuron bepaalt zijn verbindingen met andere cellen
en daarmee zijn functie:

➔ Purkinjecel in cerebellum heeft wijd
vertakkende dendrieten -> kan heel veel input
ontvangen
➔ Bipolaire neuronen in netvlies: hebben slechts
korte vertakkingen en sommige ontvangen input
van slechts 2 andere cellen

Neuronen kunnen ingedeeld worden op basis van hun
vorm:

1. Unipolair neuron -> 1 uitloper = axon (alleen
ongewervelden)
2. Bipolair neuron -> 2 uitlopers = 1 axon en 1
dendriet
➔ Dendriet ontvangt informatie van PZS
➔ Axon stuurt informatie
3. Multipolair neuron -> 1 axon en meerdere dendritische vertakkingen

GLIACELLEN/NEUROGLIA
Gliacellen ondersteunen de neuronen in het optimaal functioneren en vervullen veel functies.

, ➔ Over het algemeen is het aantal neuronen gelijk aan het aantal glia in de hersenen, op een paar gebieden na
o Deze gebieden zijn: hersenschors (meer glia dan neuronen) en cerebellum (meer neuronen dan glia)

Verschillende soorten glia in de hersenen:

1. Stervormige astrocyten:
o Zitten om synapsen van functioneel verwante neuronen -> schermt neuronen af van chemische
stoffen die in de omgeving circuleren
o Neemt ionen en transmitters die vrijkomen uit axonen op en geeft ze weer af -> helpt met nauw
verwante neuronen te synchroniseren waardoor axonen informatie in golven kunnen versturen ->
zijn belangrijk voor het genereren van ritmes, zoals ademhalingsritmes
o Ze verwijden bloedvaten -> meer voedingsstoffen in hersengebieden met verhoogde activiteit
o Mogelijke rol bij informatieverwerking
▪ Tripartite synaps hypothese = uiteinde van axon geeft chemische stoffen af die ervoor
zorgen dat de naburige astrocyt zijn eigen chemische stoffen afgeeft waardoor de
boodschap naar het volgende neuron vergroot/veranderd -> dit proces draagt mogelijk bij
aan leren en geheugen
o In sommige gebieden reageren ze op hormonen en beïnvloeden zo neuronen
2. Microglia:
o Werken als onderdeel van immuunsysteem + verwijderen virussen en schimmels uit hersenen
o Vermenigvuldigen zich na hersenbeschadiging en verwijderen dode of beschadigde neuronen
o Dragen bij aan leren door zwakste synapsen te verwijderen
3. Oligodendrocyten in CZS en Schwann cellen in periferie
o Bouwen myelineschedes voor gewervelde axonen
o Voorzien van axonen van voedingsstoffen
4. Radiale glia
o Begeleiden de migratie van neuronen en hun axonen en dendrieten tijdens de embryonale
ontwikkeling
o Aan het einde van de embryonale ontwikkeling differentiëren de meeste glia in neuronen en een
kleiner aantal in astrocyten en oligodendrocyten

DE ONDERVERDELING VAN HET ZENUWSTELSEL

Bij gewervelden wordt er onderscheid gemaakt tussen:

1. CZS = hersenen en ruggengraat
2. PZS = verbindt CZS met rest van het lichaam. Is verder onder te
verdelen in:
a. Somatisch zenuwstelsel: bestaat uit axonen die
informatie van zintuigen naar CZS overbrengen en
vervolgens van CZS naar spieren -> vrijwillige spieren
b. Autonomisch zenuwstelsel: controleert hart, darmen,
andere organen -> onvrijwillige spieren. Sommige
cellichamen liggen in hersenen of ruggengraat en andere
clusteren zich langs de zijkanten van ruggengraat. Is
onder te verdelen in:
i. Sympathisch: verbruikt energie
ii. Parasympatisch: behoudt energie

RUGGENGRAAT
7,12 €
Vollständigen Zugriff auf das Dokument erhalten:
Von 6 Studierenden gekauft

100% Zufriedenheitsgarantie
Sofort verfügbar nach Zahlung
Sowohl online als auch als PDF
Du bist an nichts gebunden

Bewertungen von verifizierten Käufern

Alle 3 Bewertungen werden angezeigt
1 Jahr vor

1 Jahr vor

10 Monate vor

4,3

3 rezensionen

5
1
4
2
3
0
2
0
1
0
Zuverlässige Bewertungen auf Stuvia

Alle Bewertungen werden von echten Stuvia-Benutzern nach verifizierten Käufen abgegeben.

Lerne den Verkäufer kennen

Seller avatar
Bewertungen des Ansehens basieren auf der Anzahl der Dokumente, die ein Verkäufer gegen eine Gebühr verkauft hat, und den Bewertungen, die er für diese Dokumente erhalten hat. Es gibt drei Stufen: Bronze, Silber und Gold. Je besser das Ansehen eines Verkäufers ist, desto mehr kannst du dich auf die Qualität der Arbeiten verlassen.
eamgx Maastricht University
Folgen Sie müssen sich einloggen, um Studenten oder Kursen zu folgen.
Verkauft
50
Mitglied seit
4 Jahren
Anzahl der Follower
4
Dokumente
30
Zuletzt verkauft
1 Jahren vor

4,6

5 rezensionen

5
3
4
2
3
0
2
0
1
0

Kürzlich von dir angesehen.

Warum sich Studierende für Stuvia entscheiden

on Mitstudent*innen erstellt, durch Bewertungen verifiziert

Geschrieben von Student*innen, die bestanden haben und bewertet von anderen, die diese Studiendokumente verwendet haben.

Nicht zufrieden? Wähle ein anderes Dokument

Kein Problem! Du kannst direkt ein anderes Dokument wählen, das besser zu dem passt, was du suchst.

Bezahle wie du möchtest, fange sofort an zu lernen

Kein Abonnement, keine Verpflichtungen. Bezahle wie gewohnt per Kreditkarte oder Sofort und lade dein PDF-Dokument sofort herunter.

Student with book image

“Gekauft, heruntergeladen und bestanden. So einfach kann es sein.”

Alisha Student

Häufig gestellte Fragen