Thijs is een actieve student. Hij is elke morgen om 8:30 op de HvA om te
studeren of naar les te gaan en ’s avonds gaat hij om 23 uur slapen. In
het weekend gaat hij ontspannen. Lekker uitslapen, de stad in en
stappen met vrienden tot diep in de nacht. Maandag is voor Thijs een
moeilijke dag. Hij heeft moeite met uit bed komen en voelt zich de hele
dag suf terwijl dat de andere dagen niet het geval is.
1. Hoe heet het fenomeen, dat met slapen te maken heeft, dat ervoor zorgt
dat Thijs op maandag moeilijk zijn bed uit kan komen
2. Leg het fenomeen, dat je genoemd hebt bij 1, uit en koppel de uitleg aan de
observaties uit de casus van Thijs ?
3. Welke externe factoren zijn van invloed op het bij 1 genoemde fenomeen?
4. Welke hersengebied is van belang bij de regulatie van het slaapritme? Ben
zo specifiek mogelijk.
5. De concentratie van welk hormoon speelt een belangrijke rol bij het
slaapwaakritme? Leg uit hoe de concentratie van dit hormoon het slaapritme
regelt?
6. Wat gebeurt er als je een pilletje met dit hormoon inneemt overdag? Vroeg
in de avond? Laat in de avond? Verklaar deze effecten.
2 Leon heeft genoten van zijn lunch. Na de lunch moet hij een aanvraag
voor een nieuw onderzoek indienen, hij merkt dat hij zijn aandacht er
moeilijk bij kan houden; hij moet eerst even bijkomen van het eten.
1. Hoe heet deze verandering in de intensiteit van aandacht?
2. Welk hersengebied is hierbij betrokken?
3 Patiënt X is 83 jaar en moet voor een operatie naar het ziekenhuis. Na
de operatie maakt Patiënt X een verwarde en geagiteerde indruk en hij
heeft het constant over mensen die door de gang lopen, en soldaten die
achter de deur staan.
1. Van welke bewustzijnstoestand is er sprake bij Patiënt X. Leg uit?
2. Welke verklaring kun je geven voor de toestand van Patiënt X?
3. Wat kun je zeggen over het gevolg van de bewustzijnstoestand van
Patiënt X?
4 Jim zit ook in het revalidatiecentrum, hij heeft schade aan het
inferieure deel van de rechter pariëtale cortex. Hij zit kaarsrecht voor
onderstaand plaatje en wordt gevraagd dit plaatje na te tekenen.
1. Wat verwacht je dat hij tekent? Benoem hierbij de wolken, de
brievenbus, het huis, de boom en het huis op de achtergrond ?