Ademhalingsstelsel
Het ademhalingsstelsel bestaat uit:
o Neus-mondholte;
o Keelholte (farynx);
o Strottenhoofd (larynx);
o Luchtpijp (trachea);
o Luchtpijpvertakkingen: bronchi (meervoud bronchus): de
luchtpijpvertakking verfijnt zich in steeds kleiner wordende
vertakkingen: bronchi en bronchioli, tot aan de longblaasjes alveoli;
o Longvliezen;
o Interstitiële longweefsel;
o Mediastinum.
De luchtpijp (trachea) vormt de verbinding tussen het strottenhoofd en
de longen. Ter hoogte van de vijfde borstwervel splitst de trachea zich in
twee grote takken: de bronchi. De ene bronchus loopt naar de linkerlong en
de andere naar de rechterlong.
De rechter bronchus vertakt zich vervolgens weer in drie bronchiën en
naar de drie rechter longkwabben en de linker bronchus splitst zich in
twee bronchiën. Vervolgens splitsen deze zich steeds verder tot hele fijne
bronchioli. De wand van de luchtpijp bestaat uit hoefijzervormige kraakbeenringen, die ervoor
zorgen dat de luchtpijp openblijft. De binnenkant van de luchtpijp is bedekt met trilhaarepitheel.
Dit trilhaarepitheel is bedekt met een laag slijmvlies. De trilharen zijn voortdurend in beweging om de
slijmlaag langzaam richting de keelholte te bewegen. Onderweg pikt de slijmdeken vuiltjes, bacteriën
of virussen op en neemt die mee om de luchtwegen schoon te houden.
De bronchioli
In de wanden van de kleinere takjes, de bronchioli, zit glad spierweefsel. Dit spierweefsel kan zich
bij de inademing wat verwijden. Onder bepaalde omstandigheden kunnen deze spiertjes verkrampt
raken, bijvoorbeeld bij een astma-aanval.
De alveoli – de longblaasjes
De vertakkingen gaan steeds verder en uiteindelijk
ontstaan er longtrechtertjes met uitstulpingen.
Dit zijn de alveoli, de longblaasjes. Ieder longblaasje is
omgeven door dunne haarvaten. De haarvaten ontspringen
uit talloze aftakkingen van de longslagader en vormen een
fijnmazig en dicht netwerk van hele kleine bloedvaatjes dat
om de longblaasjes heen ligt.
De wanden van de haarvaten en longblaasjes zijn heel dun,
waardoor de gaswisseling tussen de haarvaten en de
longblaasjes optimaal kan verlopen.
De ingeademde zuurstof uit de longblaasjes gaat naar het
bloed in de haarvaten en het koolzuurgas uit het bloed in de haarvaten gaat weer naar de
longblaasjes.
Het ademhalingsstelsel bestaat uit:
o Neus-mondholte;
o Keelholte (farynx);
o Strottenhoofd (larynx);
o Luchtpijp (trachea);
o Luchtpijpvertakkingen: bronchi (meervoud bronchus): de
luchtpijpvertakking verfijnt zich in steeds kleiner wordende
vertakkingen: bronchi en bronchioli, tot aan de longblaasjes alveoli;
o Longvliezen;
o Interstitiële longweefsel;
o Mediastinum.
De luchtpijp (trachea) vormt de verbinding tussen het strottenhoofd en
de longen. Ter hoogte van de vijfde borstwervel splitst de trachea zich in
twee grote takken: de bronchi. De ene bronchus loopt naar de linkerlong en
de andere naar de rechterlong.
De rechter bronchus vertakt zich vervolgens weer in drie bronchiën en
naar de drie rechter longkwabben en de linker bronchus splitst zich in
twee bronchiën. Vervolgens splitsen deze zich steeds verder tot hele fijne
bronchioli. De wand van de luchtpijp bestaat uit hoefijzervormige kraakbeenringen, die ervoor
zorgen dat de luchtpijp openblijft. De binnenkant van de luchtpijp is bedekt met trilhaarepitheel.
Dit trilhaarepitheel is bedekt met een laag slijmvlies. De trilharen zijn voortdurend in beweging om de
slijmlaag langzaam richting de keelholte te bewegen. Onderweg pikt de slijmdeken vuiltjes, bacteriën
of virussen op en neemt die mee om de luchtwegen schoon te houden.
De bronchioli
In de wanden van de kleinere takjes, de bronchioli, zit glad spierweefsel. Dit spierweefsel kan zich
bij de inademing wat verwijden. Onder bepaalde omstandigheden kunnen deze spiertjes verkrampt
raken, bijvoorbeeld bij een astma-aanval.
De alveoli – de longblaasjes
De vertakkingen gaan steeds verder en uiteindelijk
ontstaan er longtrechtertjes met uitstulpingen.
Dit zijn de alveoli, de longblaasjes. Ieder longblaasje is
omgeven door dunne haarvaten. De haarvaten ontspringen
uit talloze aftakkingen van de longslagader en vormen een
fijnmazig en dicht netwerk van hele kleine bloedvaatjes dat
om de longblaasjes heen ligt.
De wanden van de haarvaten en longblaasjes zijn heel dun,
waardoor de gaswisseling tussen de haarvaten en de
longblaasjes optimaal kan verlopen.
De ingeademde zuurstof uit de longblaasjes gaat naar het
bloed in de haarvaten en het koolzuurgas uit het bloed in de haarvaten gaat weer naar de
longblaasjes.