1
, INLEIDING
handboek HST 1 (1-26)
❖ Waarom het vak methoden?
➢ interessante vragen beantwoorden
➢ tot kennisclaims komen
➢ kritisch evalueren
➢ hoe kunnen we interessante vragen beantwoorden?
■ obv nt-wetenschappelijke methoden
■ obv wetenschappelijke methoden
1. Niet-wetenschappelijke methoden om kennis te vergaren
❖ vasthoudendheid (tenacity)
➢ info als waar aannemen omdat
■ het is altijd zo geweest
■ bijgeloof ondersteunt info
➢ gebaseerd op
■ gewoonte
■ bijgeloof
➢ altijd al geloofd (bv. clichés)
➢ overtuigingen voorgesteld als feiten
➢ MAAR
■ info kan foutief zijn
■ zeer moeilijk te corrigeren
❖ intuïtie
➢ info als waar aannemen omdat
■ voelt juist aan
➢ gebaseerd op
■ buikgevoel, voorgevoel of instinct
➢ snelle manier om vragen te beantwoorden
➢ gebruikt bij weinig info
➢ ethische vraagstukken of morele dilemma’s
➢ MAAR
■ geen accurate en foutieve info te onderscheiden
❖ autoriteit
➢ info als waar omdat
■ info is afkomstig van expert
➢ vertrouwen in autoriteit, expert
➢ hoe?
■ consulteren ve expert
■ werk lezen ve expert
■ op internet
➢ prima startpunt, snel en makkelijk
➢ omvat ook methode van geloof ⇒ blind vertrouwen in
autoriteitsfiguur zonder twijfel
2
, ➢ MAAR
■ experts kunnen gebiased zijn
■ kan subjectieve opinie reflecteren
■ expertise wordt gegeneraliseerd nr andere domeinen
■ expertise nt in vraag gesteld
■ expert is nt echt een expert
❖ rationalisme
➢ antwoorden zoeken door logisch te redeneren
➢ vertrek van set gekende feiten / assumpties ⇒ premissen
■ premissen altijd voor waar aangenomen
■ indien premissen waar + gehanteerde logica is correct →
conclusie sws correct
➢ logica om tot conclusie te komen
➢ rationale methode start pas NA premissen
➢ geen info verzameld, geen observaties, geen evidentie
➢ gebruikt bij
■ logisch afwegen alternatieven zonder alle mogelijkheden uit te
proberen
➢ MAAR
■ alles valt/staat bij juistheid premissen
■ alles valt/staat bij juistheid logisch redeneren
➢ bij twijfel toepassen op ander vb
➢ nt valide
❖ empirie
➢ antwoorden zoeken door directe observatie / directe sensorische ervaring
➢ door de zintuigen
➢ veel antwoorden beschikbaar door wereld rond ons te observeren
➢ MAAR
■ waarnemingen, interpretaties → nt altijd correct
● sensorische ervaring kan ons misleiden (visuele illusies)
● invloed voorkennis, verwachtingen, gevoelens, overtuigingen
op perceptie
● misinterpretatie
● kost tijd → trial-and-error
● kan gevaarlijk zijn
❖ algemeen
➢ vasthoudendheid (tenacity), intuïtie, autoriteit
■ nt-kritische technieken
■ snel beantwoorden vragen
■ geen consequenties bij fout beantwoorden
➢ rationalisme, empirisme
■ meer eisen
■ cruciale componenten van wet methode
3
, 2. De wetenschappelijke methode
❖ definitie
➢ Manier om kennis te vergaren waarbij specifieke vragen geformuleerd worden
en er vervolgens systematisch naar antwoorden gezocht wordt.
❖ eigenschappen
➢ bevat elementen van nt-wet methode
➢ probeert beperkingen individuele methode te vermijden
➢ doel → zo accuraat mogelijke antwoorden bekomen
➢ verschillende stappen
❖ STAP 1
➢ observatie (gedrag / fenomenen)
➢ trekt aandacht, roept vragen op
➢ informeel, natuurlijk, nt gepland of systematisch
➢ direct / indirecte observatie
➢ observaties gegeneraliseerd → inductie
■ obv enkele observaties → algemene conclusie
➢ bv. vloeken tijdens pijn
❖ STAP 2
➢ hypotheses vormen
■ één vd mogelijke verklaringen vd observatie die je gaat evalueren
➢ identificatie variabelen (geassocieerd met observatie)
■ variabelen ⇒ karakteristieken / condities die variëren binnen
en/of tss verschillende personen
■ observaties beïnvloed door variabelen
■ variabelen kunnen observaties verklaren
➢ bevat beschrijving/verklaring relatie tss variabelen
➢ andere mogelijke verklaringen nt ontkend maar (voorlopig) nt opgenomen
➢ mogelijke, voorlopige verklaring die getest en kritisch geëvalueerd moet
worden
➢ bv. vloeken tijdens pijn door aanwezigheid anderen, persoonlijkheid etc. (var)
➢ bv. vloeken is gebruikelijke reactie op pijn omdat vloeken ervaring pijn wijzigt
+ ervaren intensiteit vermindert (hyp)
❖ STAP 3
➢ predicties vormen
■ verwijst nr specifieke situatie/gebeurtenis die kan
gemeten/geobserveerd worden
■ moet toetsbaar zijn (mogelijkheid predicties te ondersteunen of te
weerleggen obv observaties)
➢ hyp toepassen op specifieke, observeerbare situatie
■ hyp kan leiden tot verschillende predicties
➢ predicties obv deductie (algemene stellingen → specifiek)
■ logisch proces
■ rationele methode
➢ bv. predictie 1: participanten minder responsief vr pijn wnr ze vloeken dan
wnr nt vloeken.
➢ bv. predictie 2: participanten verhoogde pijntolerantie wnr vloeken dan wnr nt
vloeken
4