1. Vroege sociale ontwikkeling
Dit hoorcollege gaat over de vroege sociale ontwikkeling en laat zien dat
sociale gerichtheid al vanaf de geboorte bestaat. Klassieke theorieën
dachten dat pasgeborenen nog geen echte sociale interactie konden
aangaan en dat alleen de relatie met de moeder relevant was; relaties met
leeftijdgenoten zouden pas tussen 1 en 4 jaar betekenis krijgen. Moderne
theorieën laten juist zien dat kinderen biologisch gemotiveerd zijn om
aandacht te besteden aan anderen naast hun primaire verzorgers, dat het
hele sociale systeem invloed heeft op hun ontwikkeling en dat vroege
peerrelaties al belangrijk kunnen zijn.
Direct na de geboorte richten baby’s hun aandacht het meest op echte
gezichten. Het scrambled faces-paradigma laat zien dat baby’s tussen
3–27 minuten oud hun ogen en hoofd het sterkst richten op een echt
gezicht, dan op iets wat lijkt op een gezicht, daarna op een gehusseld
gezicht en het minst op een leeg plankje. Vanaf één maand verdwijnen
deze effecten, waarschijnlijk door verdere hersenontwikkeling. Het effect
werkt niet wanneer baby’s rechtop zitten en de bevindingen over
verschillen tussen soorten scrambled faces zijn soms inconsistent.
Dyadische peerrelaties ontstaan al vroeg. Vanaf ongeveer 6 maanden
reageren kinderen contingent op elkaar, bijvoorbeeld door elkaar in
dezelfde volgorde aan te raken of speelgoed op dezelfde manier te
manipuleren.
Prosociaal gedrag — vrijwillige acties om anderen te helpen —
ontwikkelt zich eveneens vroeg.
- Baby’s reageren al op de angst of het huilen van anderen:
pasgeborenen huilen mee.
- 8-maanden-oude kinderen reageren eerst door te kijken, daarna met
affect, dan fysiek en tot slot eventueel met eigen distress.
- Rond 2 jaar ontstaan duidelijke individuele verschillen, bijvoorbeeld
tussen kinderen met een typische ontwikkeling, Downsyndroom of
autisme.
- In reactie op andermans angst kunnen kinderen proberen te helpen,
agressief reageren of het als amusement zien.
Delen ontwikkelt zich stap voor stap.
- Rond 12 maanden delen kinderen affiliatief: niet omdat de ander het
nodig heeft, maar om samen te spelen; affiliatief = sociaal,
verbindend, relatiegericht.
,- Rond 18 maanden delen ze wanneer erom gevraagd wordt, wat sterk
samenhangt met hun begrip van eigenaarschap (bijv. “mama’s jas”).
- Vanaf 24 maanden delen ze vaker spontaan en met elkaar, en kinderen
die gevoeliger zijn voor andermans angst delen meer. Niet-delen komt
echter nog steeds vaker voor.
- Vanaf ongeveer 4 jaar neemt delen verder toe en hangt het samen met
Theory of Mind — het vermogen om mentale toestanden van zichzelf
en anderen te begrijpen.
Samenwerking begint al rond 1 jaar, maar dan nog simpel en
oppervlakkig. Rond 2 jaar wordt samenwerking complexer, bijvoorbeeld
wanneer kinderen samen leren een hendel tegelijk te bedienen.
Taalvaardigheid versterkt dit: kinderen die goed volgen wat de ander doet
en verbaal verder zijn, presteren beter in samenwerkende taken. In
situaties met schaarse middelen kiezen kinderen tussen samenwerking en
competitie; hierbij ontstaan al vroege sekseverschillen.
Conflicten zijn functioneel en beginnen rond het eerste jaar, meestal over
speelgoed. Eenjarige kinderen lossen conflicten vooral fysiek op. Rond 2
jaar gebruiken ze ook taal en vermijden ze vaak escalatie; reciprociteit
(“wraak”) komt al voor — wat vandaag wordt afgepakt, wordt de volgende
dag teruggepakt. De frequentie van conflict verandert later weinig, maar
de inhoud verandert (bijv. spelregels) en het oplossen wordt met de jaren
verbaal.
Verschillende onderliggende vaardigheden vormen de basis voor
succesvolle sociale ontwikkeling: gedeelde aandacht, emotieregulatie,
inhibitiecontrole, imitatie, causaal begrip en taal. De individuele
verschillen hierin zijn enorm, en hoewel er enige continuïteit is, zijn
langetermijnstudies schaars. De sociale omgeving speelt een grote rol,
zoals toegang tot veel sociale partners via kinderopvang.
Gedeelde aandacht — het coördineren van aandacht met een ander
— ontstaat rond 6 maanden en vormt een basis voor Theory of Mind.
Emotieregulatie gaat over het reguleren van eigen emoties en
ontwikkelt zich in interactie met ouders en peers; kinderen tonen
sterkere emoties richting ouders dan richting leeftijdgenoten.
Inhibitiecontrole helpt kinderen impulsen te onderdrukken,
bijvoorbeeld om anderen niet als objecten te behandelen. Te weinig of
te veel inhibitie is problematisch.
Imitatie is cruciaal voor spel, sociale vaardigheden en bonding.
Kinderen imiteren peers al vroeg: rond 14 maanden laten ze elkaar zien
hoe speelgoed werkt en rond 24 maanden imiteren ze peers zelfs vaker
dan ouders.
, Causaal begrip — het idee dat anderen intenties hebben en dat eigen
gedrag anderen beïnvloedt — ontstaat tussen 6 en 12 maanden en
groeit daarna door.
Taalvaardigheid hangt samen met prosociaal gedrag, lagere agressie,
betere conflictoplossing en meer gedifferentieerd emotiebegrip.
Kinderen met zwakkere taalvaardigheden hebben meer moeite met
peerrelaties en pretend play, wat vriendschapsvorming bemoeilijkt.
De diversiteitshoek benadrukt dat veel onderzoek gebaseerd is op
WEIRD-samples (White, Educated, Industrialized, Rich, Democratic) en dus
niet goed generaliseerbaar is. Cultuur en gender beïnvloeden vroege
sociale relaties sterk.
- Chinese kinderen tonen meer conflictverminderend gedrag dan
Canadese kinderen en accepteren passieve en terughoudende peers
meer, terwijl Canadese kinderen assertiviteit waarderen.
- Emotieregulatie is eveneens cultureel gekleurd: Japanse ouders
verwachten minder zelfregulatie van kinderen en Japanse baby’s
reguleren emoties meer relationeel dan Amerikaanse baby’s.
Gender speelt vanaf ongeveer 2 jaar een rol. Meisjes delen en werken
vaker samen, jongens concurreren meer. Rond 3 jaar vermindert fysiek
conflict bij meisjes, terwijl dit bij jongens stabiel blijft. Kinderen
categoriseren gender al rond 1,5–2 jaar, labelen hun eigen gender onder
de 3 jaar en hebben rond 4 jaar een stabiele genderidentiteit. Dit geldt ook
voor trans en non-binaire kinderen, die lichamelijke ongemakken kunnen
ervaren wanneer anderen hen verkeerd labelen.
Samengevat: sociale ontwikkeling begint bij de geboorte. Baby’s
richten hun aandacht op anderen en ontwikkelen in de eerste
levensmaanden contingentie, prosociaal gedrag, conflictreactie,
samenwerking en delen. De kernvaardigheden — gedeelde
aandacht, emotieregulatie, inhibitie, imitatie, causaliteit en taal —
vormen de basis voor latere sociale relaties. Cultuur en gender
sturen deze processen mee, waardoor sociale ontwikkeling geen
uniform traject is maar sterk afhankelijk van context.
, 2. Sociale netwerken
Dit hoorcollege behandelt sociale netwerken en hoe deze veranderen
gedurende de levensloop. Een sociaal netwerk wordt gedefinieerd als de
mensen met wie iemand direct contact heeft, gekenmerkt door het
bestaan van een sociale relatie, herhaalde interacties, een mentale
representatie van die relatie en het belang ervan vanwege hulpbronnen
zoals steun, informatie of plezier.
Er bestaan verschillende soorten netwerken: het globale netwerk (alle
relaties), het persoonlijke netwerk (nabije steunfiguren zoals ouders,
vrienden, partner), het vriendschapsnetwerk, het familienetwerk (kern of
uitgebreide familie) en het werknetwerk. Binnen deze netwerken spreken
we van “ties”, de relaties tussen twee personen, waarbij strong ties
verwijzen naar hechte relaties zoals familie en vrienden, weak ties naar
kennissen (die volgens Granovetter belangrijk zijn voor nieuwe informatie),
en absent ties naar toevallige ontmoetingen zoals met de bakker.
De Sociaal-Emotionele Selectiviteitstheorie (SST) stelt dat mensen
sociale interacties gebruiken om doelen te bereiken, en dat die doelen
veranderen afhankelijk van de ervaren hoeveelheid resterende tijd in het
leven.
Jongere mensen hebben een brede tijdshorizon en richten zich op
kennisdoelen: exploratie, informatie verzamelen, nieuwe mensen
ontmoeten, kansen nemen en de horizon verbreden, ook als dat ten
koste gaat van emotioneel welbevinden.
Oudere mensen ervaren een kortere tijdshorizon en richten zich op
emotieregulatiedoelen: betekenis, tevredenheid, leven in het
moment, investeren in zekere relaties, verdieping van contacten en
genieten. Naarmate men ouder wordt, winnen emotionele doelen aan
belang en wordt kennisnajaging minder belangrijk.
De pandemie illustreert dit: mensen kozen vaker voor hechte,
waardevolle relaties door een verhoogd besef van sterfelijkheid.
SST benadrukt dat doelen afhankelijk zijn van de hoeveelheid tijd die
men denkt nog te hebben.
De sociale konvooitheorie legt uit hoe levensgebeurtenissen de grootte
en samenstelling van sociale netwerken beïnvloeden. Het konvooi
vertegenwoordigt de mensen die met je “meelopen” door je leven. De
binnenste cirkel is het meest stabiel; de buitenste lagen zijn flexibeler.
Levensgebeurtenissen zoals het krijgen of verbreken van een romantische
relatie, het krijgen van kinderen, het verliezen van een partner of
Dit hoorcollege gaat over de vroege sociale ontwikkeling en laat zien dat
sociale gerichtheid al vanaf de geboorte bestaat. Klassieke theorieën
dachten dat pasgeborenen nog geen echte sociale interactie konden
aangaan en dat alleen de relatie met de moeder relevant was; relaties met
leeftijdgenoten zouden pas tussen 1 en 4 jaar betekenis krijgen. Moderne
theorieën laten juist zien dat kinderen biologisch gemotiveerd zijn om
aandacht te besteden aan anderen naast hun primaire verzorgers, dat het
hele sociale systeem invloed heeft op hun ontwikkeling en dat vroege
peerrelaties al belangrijk kunnen zijn.
Direct na de geboorte richten baby’s hun aandacht het meest op echte
gezichten. Het scrambled faces-paradigma laat zien dat baby’s tussen
3–27 minuten oud hun ogen en hoofd het sterkst richten op een echt
gezicht, dan op iets wat lijkt op een gezicht, daarna op een gehusseld
gezicht en het minst op een leeg plankje. Vanaf één maand verdwijnen
deze effecten, waarschijnlijk door verdere hersenontwikkeling. Het effect
werkt niet wanneer baby’s rechtop zitten en de bevindingen over
verschillen tussen soorten scrambled faces zijn soms inconsistent.
Dyadische peerrelaties ontstaan al vroeg. Vanaf ongeveer 6 maanden
reageren kinderen contingent op elkaar, bijvoorbeeld door elkaar in
dezelfde volgorde aan te raken of speelgoed op dezelfde manier te
manipuleren.
Prosociaal gedrag — vrijwillige acties om anderen te helpen —
ontwikkelt zich eveneens vroeg.
- Baby’s reageren al op de angst of het huilen van anderen:
pasgeborenen huilen mee.
- 8-maanden-oude kinderen reageren eerst door te kijken, daarna met
affect, dan fysiek en tot slot eventueel met eigen distress.
- Rond 2 jaar ontstaan duidelijke individuele verschillen, bijvoorbeeld
tussen kinderen met een typische ontwikkeling, Downsyndroom of
autisme.
- In reactie op andermans angst kunnen kinderen proberen te helpen,
agressief reageren of het als amusement zien.
Delen ontwikkelt zich stap voor stap.
- Rond 12 maanden delen kinderen affiliatief: niet omdat de ander het
nodig heeft, maar om samen te spelen; affiliatief = sociaal,
verbindend, relatiegericht.
,- Rond 18 maanden delen ze wanneer erom gevraagd wordt, wat sterk
samenhangt met hun begrip van eigenaarschap (bijv. “mama’s jas”).
- Vanaf 24 maanden delen ze vaker spontaan en met elkaar, en kinderen
die gevoeliger zijn voor andermans angst delen meer. Niet-delen komt
echter nog steeds vaker voor.
- Vanaf ongeveer 4 jaar neemt delen verder toe en hangt het samen met
Theory of Mind — het vermogen om mentale toestanden van zichzelf
en anderen te begrijpen.
Samenwerking begint al rond 1 jaar, maar dan nog simpel en
oppervlakkig. Rond 2 jaar wordt samenwerking complexer, bijvoorbeeld
wanneer kinderen samen leren een hendel tegelijk te bedienen.
Taalvaardigheid versterkt dit: kinderen die goed volgen wat de ander doet
en verbaal verder zijn, presteren beter in samenwerkende taken. In
situaties met schaarse middelen kiezen kinderen tussen samenwerking en
competitie; hierbij ontstaan al vroege sekseverschillen.
Conflicten zijn functioneel en beginnen rond het eerste jaar, meestal over
speelgoed. Eenjarige kinderen lossen conflicten vooral fysiek op. Rond 2
jaar gebruiken ze ook taal en vermijden ze vaak escalatie; reciprociteit
(“wraak”) komt al voor — wat vandaag wordt afgepakt, wordt de volgende
dag teruggepakt. De frequentie van conflict verandert later weinig, maar
de inhoud verandert (bijv. spelregels) en het oplossen wordt met de jaren
verbaal.
Verschillende onderliggende vaardigheden vormen de basis voor
succesvolle sociale ontwikkeling: gedeelde aandacht, emotieregulatie,
inhibitiecontrole, imitatie, causaal begrip en taal. De individuele
verschillen hierin zijn enorm, en hoewel er enige continuïteit is, zijn
langetermijnstudies schaars. De sociale omgeving speelt een grote rol,
zoals toegang tot veel sociale partners via kinderopvang.
Gedeelde aandacht — het coördineren van aandacht met een ander
— ontstaat rond 6 maanden en vormt een basis voor Theory of Mind.
Emotieregulatie gaat over het reguleren van eigen emoties en
ontwikkelt zich in interactie met ouders en peers; kinderen tonen
sterkere emoties richting ouders dan richting leeftijdgenoten.
Inhibitiecontrole helpt kinderen impulsen te onderdrukken,
bijvoorbeeld om anderen niet als objecten te behandelen. Te weinig of
te veel inhibitie is problematisch.
Imitatie is cruciaal voor spel, sociale vaardigheden en bonding.
Kinderen imiteren peers al vroeg: rond 14 maanden laten ze elkaar zien
hoe speelgoed werkt en rond 24 maanden imiteren ze peers zelfs vaker
dan ouders.
, Causaal begrip — het idee dat anderen intenties hebben en dat eigen
gedrag anderen beïnvloedt — ontstaat tussen 6 en 12 maanden en
groeit daarna door.
Taalvaardigheid hangt samen met prosociaal gedrag, lagere agressie,
betere conflictoplossing en meer gedifferentieerd emotiebegrip.
Kinderen met zwakkere taalvaardigheden hebben meer moeite met
peerrelaties en pretend play, wat vriendschapsvorming bemoeilijkt.
De diversiteitshoek benadrukt dat veel onderzoek gebaseerd is op
WEIRD-samples (White, Educated, Industrialized, Rich, Democratic) en dus
niet goed generaliseerbaar is. Cultuur en gender beïnvloeden vroege
sociale relaties sterk.
- Chinese kinderen tonen meer conflictverminderend gedrag dan
Canadese kinderen en accepteren passieve en terughoudende peers
meer, terwijl Canadese kinderen assertiviteit waarderen.
- Emotieregulatie is eveneens cultureel gekleurd: Japanse ouders
verwachten minder zelfregulatie van kinderen en Japanse baby’s
reguleren emoties meer relationeel dan Amerikaanse baby’s.
Gender speelt vanaf ongeveer 2 jaar een rol. Meisjes delen en werken
vaker samen, jongens concurreren meer. Rond 3 jaar vermindert fysiek
conflict bij meisjes, terwijl dit bij jongens stabiel blijft. Kinderen
categoriseren gender al rond 1,5–2 jaar, labelen hun eigen gender onder
de 3 jaar en hebben rond 4 jaar een stabiele genderidentiteit. Dit geldt ook
voor trans en non-binaire kinderen, die lichamelijke ongemakken kunnen
ervaren wanneer anderen hen verkeerd labelen.
Samengevat: sociale ontwikkeling begint bij de geboorte. Baby’s
richten hun aandacht op anderen en ontwikkelen in de eerste
levensmaanden contingentie, prosociaal gedrag, conflictreactie,
samenwerking en delen. De kernvaardigheden — gedeelde
aandacht, emotieregulatie, inhibitie, imitatie, causaliteit en taal —
vormen de basis voor latere sociale relaties. Cultuur en gender
sturen deze processen mee, waardoor sociale ontwikkeling geen
uniform traject is maar sterk afhankelijk van context.
, 2. Sociale netwerken
Dit hoorcollege behandelt sociale netwerken en hoe deze veranderen
gedurende de levensloop. Een sociaal netwerk wordt gedefinieerd als de
mensen met wie iemand direct contact heeft, gekenmerkt door het
bestaan van een sociale relatie, herhaalde interacties, een mentale
representatie van die relatie en het belang ervan vanwege hulpbronnen
zoals steun, informatie of plezier.
Er bestaan verschillende soorten netwerken: het globale netwerk (alle
relaties), het persoonlijke netwerk (nabije steunfiguren zoals ouders,
vrienden, partner), het vriendschapsnetwerk, het familienetwerk (kern of
uitgebreide familie) en het werknetwerk. Binnen deze netwerken spreken
we van “ties”, de relaties tussen twee personen, waarbij strong ties
verwijzen naar hechte relaties zoals familie en vrienden, weak ties naar
kennissen (die volgens Granovetter belangrijk zijn voor nieuwe informatie),
en absent ties naar toevallige ontmoetingen zoals met de bakker.
De Sociaal-Emotionele Selectiviteitstheorie (SST) stelt dat mensen
sociale interacties gebruiken om doelen te bereiken, en dat die doelen
veranderen afhankelijk van de ervaren hoeveelheid resterende tijd in het
leven.
Jongere mensen hebben een brede tijdshorizon en richten zich op
kennisdoelen: exploratie, informatie verzamelen, nieuwe mensen
ontmoeten, kansen nemen en de horizon verbreden, ook als dat ten
koste gaat van emotioneel welbevinden.
Oudere mensen ervaren een kortere tijdshorizon en richten zich op
emotieregulatiedoelen: betekenis, tevredenheid, leven in het
moment, investeren in zekere relaties, verdieping van contacten en
genieten. Naarmate men ouder wordt, winnen emotionele doelen aan
belang en wordt kennisnajaging minder belangrijk.
De pandemie illustreert dit: mensen kozen vaker voor hechte,
waardevolle relaties door een verhoogd besef van sterfelijkheid.
SST benadrukt dat doelen afhankelijk zijn van de hoeveelheid tijd die
men denkt nog te hebben.
De sociale konvooitheorie legt uit hoe levensgebeurtenissen de grootte
en samenstelling van sociale netwerken beïnvloeden. Het konvooi
vertegenwoordigt de mensen die met je “meelopen” door je leven. De
binnenste cirkel is het meest stabiel; de buitenste lagen zijn flexibeler.
Levensgebeurtenissen zoals het krijgen of verbreken van een romantische
relatie, het krijgen van kinderen, het verliezen van een partner of