Dit document is een samenvatting van hoorcolleges, artikelen, podcasts en
literatuur binnen de opleiding. Het is bedoeld als naslagwerk en studiehulp. De
inhoud is gebaseerd op persoonlijke aantekeningen en kan spelfouten of
onvolkomenheden bevatten. Het bevat 73 pagina’s.
Aantekeningen Literatuur
Hoofdstuk 1
De klinische presentatie van autisme is uiteenlopend. Wat mensen met
autisme delen, zijn problemen op het gebied van sociale communicatie en
zich verplaatsen in gedachtes en emoties van anderen, moeite zich aan te
passen aan veranderende omstandigheden, interesses die beperkend en of
zeer intens zijn, en een andere manier van zintuigelijke verwerking.
Wanneer er belemmeringen zijn in het functioneren, ondanks
aanpassing in de omgeving; Disorder
Wanneer een kind op een of meerdere gebieden belemmerd wordt;
Disability
, Wanneer er een biomedische oorzaak is voor een belemmering;
Disease
Wanneer en op welke gebieden een individu anders presteert dan de
norm; Difference
,Hoofdstuk 2
Autisme wordt vaak als synoniem gebruikt voor autismespectrumstoornis.
Dit verwijst naar een classificatie. Het concept autisme staat niet direct gelijk
aan een stoornis. De uitingsvorm is namelijk per individu ontzettend
verschillend. Het is voor de groep met een lichtere uitingsvorm wellicht beter
om te spreken van een autistische kwetsbaarheid, die pas tot
disfunctioneren leidt in bepaalde situaties. In bepaalde omgevingen kan
autisme ook als een sterk voordeel gezien worden.
De diagnose autisme wordt vaak verward met de classificatie
autismespectrumstoornis. Classificatie is echter een onderdeel van de
diagnostiek. Bij een diagnose houdt je rekening met de context. Bijvoorbeeld
een sociaal netwerk, relaties of biologie van het kind. Ook gebruik je bij een
diagnose vaak beschermende of risicofactoren.
In de DSM-5 wordt ASS ingedeeld onder de categorie neurobiologische
ontwikkelingsstoornis. De criteria voor een classificatie zijn onderverdeeld in
twee categorieën; A) Tekorten in de sociale communicatie en sociale
interactie, en B) beperkte, zich herhalende patronen van gedrag, interesses
en activiteiten. In de DSM-5 is de mogelijkheid om ernstmaten toe te voegen.
Ook kan andere comorbiditeit worden toegevoegd.
De meerderheid van mensen met autisme, blijft hier hun hele leven last van
hebben. De helft van de mensen met autisme blijft tot in de volwassenheid in
hoge mate afhankelijk van zorg. Er is onvoldoende onderzoek verricht naar
factoren die het beloop van autisme beïnvloeden.
Problemen op het domein van sociale communicatie en sociale interactie zijn
divers:
Peuterleeftijd; Vaak beperkingen op het gebied van ‘joint attention’.
Kinderleeftijd; Vaak een voorkeur om alleen te spelen of alleen met
volwassenen. Vaak lastiger om sociale aansluiting te vinden. Ook
vaker problemen op non-verbaal gebied. Daarnaast is er vaker sprake
van vertraagde taalproductie of afwezigheid daarvan.
Puberleeftijd: Vaak lastiger aansluiting bij leeftijdsgenoten en trekken
zich regelmatig terug uit sociale situaties. Verhoogd risico op een
verslaving. Verhoogd risico op schooluitval.
Volwassenleeftijd; Vaker problemen op werk. Op relationeel vlak
spreekt sociaal isolement een rol. Verhoogd risico op
stemmingsklachten, angstklachten en verslavingsproblematiek.
, Beperkt, repetitieve en stereotype patronen van gedrag komen meer voor bij
kinderen dan volwassenen, en bij autisme in comorbiditeit met een
verstandelijke beperkingen.
Op het niveau van signalering lijkt onvoldoende bekend over de aanwezige
signalen van autisme bij meisjes. Autisme wordt geregeld niet herkend bij
hen. Gedragsmoeilijkheden worden op een andere manier verklaard dan bij
jongens. Op het niveau van diagnostiek zijn de gestandaardiseerde
instrumenten en diagnostische criteria minder sensitief voor de subtielere
autismekenmerken bij meisjes. Op maatschappelijk niveau kunnen sociaal-
culturele factoren een rol spelen. De omgeving heeft andere verwachtingen
van meisjes, dan jongens. Op het niveau van de individu zelf, kan het zijn dat
meisjes autismekenmerken beter camoufleren.
Op het eerste gezicht, zijn meisjes met autisme vaak sociaal-technisch beter
ontwikkeld. Bij nader onderzoek valt wel vaak op dat de non-verbale
vaardigheden weinig afwisselend zijn. Door de omgeving worden meisjes
met autisme vaak als zorgzaam of behulpzaam bestempeld. Meisjes met
autisme lijken meer belang te hechten aan sociale acceptatie, en hebben
hierdoor meer risico op afwijzing en het slachtoffer worden van pestgedrag.
Meisjes met autisme vertonen gemiddeld minder ernstige en ongebruikelijke
gedragingen en interesses. De preoccupaties die meisjes laten zien, zijn vaak
minder opvallend.
Er is een groot risico op comorbidteit bij autisme. Er wordt vaker gesproken
van een regel, dan een uitzondering. Er bestaat wel een grote spreiding in
gemeten prevalentie. Kenmerken van autisme komen ook vaak voor bij
andere stoornissen. Hier moet goed op gelet worden. Somatische stoornissen
komen ook vaker voor bij autisme, denk aan epilepsie of overgewicht. Sterke
kanten zijn waardevol en bieden aanknopingspunten voor interventies.