FYSISCHE GENEESKUNDE
Koen Peers 2025-2026
DEEL 1: Anamnese, KO en praktijkvoeren bij musculoskeletale aandoeningen
Diagnostische aanpak van klinisch probleem => rekening houden met 3 factoren:
1. Patiëntenprofiel
o Bv: osteo-arthrose kan bij patiënt van 30j onmogelijk kniepijn verklaren
▪ osteo arthrose komt enkel voor op oudere leeftijd
2. Anamnese
o Bv: Pijn bij steunname = pijpatroon dat wijst naae osteogene pathologie
3. Klinisch onderzoek
o Bv: Pijn bij stretch in polsflexie bij patiënt met laterale elleboogpijn => argument
tendinopathie
Hieruit argumenten om te pleiten voor of tegen diagnoses in DD
Leidt verder tot eventuele TOZ, diagnose, en behandeling
Volledig klinisch beeld integreren = ESSENTIEEL
TOZ:
- Vaak diagnosestelling al mogelijk obv: patiëntenprofiel, anamnese en KO
- Enkel aangewezen als het resultaat het therapeutisch beleid kan veranderen!
o Indien twijfel tss 2 diagnosen maar hun beleid = zelfde → geen verder onderzoek nodig
o Als diagnose gesteld maar bestaan van subcategorieën met verschillend beleid: wel
nodig (bv. wel/niet operatief)
1. Patiëntenprofiel
→ geeft belangrijke richting aan diagnostisch kader met DD’s
Patiëntgebonden elementen:
- Leeftijd
- Geslacht
- Comorbiditeit
- Activiteitsgraad
- Type activiteiten (vrije tijd/werk)
- CV risicofactoren
2. Anamnese
Zie les en diapresentatie ‘anamnese’ van prof. Blockmans uit 2de bachelor
Verloop:
1. Pt vertelt zelf
2. Arts stelt bijvragen om tot volledige anamnese te komen
Elementen volledige anamnese:
- specifieke (pijn)anamnese
1
, - systeemanamnese
- voorgeschiedenis
- familiale aandoeningen
- medicatie
- middelenmisbruik en allergieën
- sociale anamnese (inclusief werk en bewegingsactiviteit)
PIJNANAMNESE:
Elementen:
- Lokalisatie: Waar hebt u die pijn precies? Aanwijzen in KO. Hoe uitgebreid is de pijn?
- Uitstraling: Straalt de pijn uit? Naar waar?
- Karakter: Wat voor pijn is het, wat is het karakter van de pijn? Stekend, drukkend, brandend,
elektrisch gevoel, ...
- Ernst: Hebt u al medicatie genomen voor de pijn? Hoe erg is de pijn (op een schaal van 1 tot 10)?
o Wat was de invloed van de medicatie?
- Begin: Wanneer is de pijn begonnen? Is ze begonnen in een bepaalde situatie? Is de pijn plots
gekomen of eerder geleidelijk, toenemend?
o Acuut, subacuut, chronisch
- Evolutie: Hoe is de pijn geëvolueerd? Is ze beter of erger geworden?
- Tijdsverloop: Wanneer hebt u pijn? Is de pijn erger ’s ochtends of ’s avonds? Wat is de invloed van
inspanning op de pijn?
o Nachtelijke pijn moet verder bevraagd worden: Wanneer ’s nachts? Betert het met een
andere houding aan te nemen? Of is de pijn houdings-gebonden?
o Het pijnpatroon is erg belangrijk en zeker richtinggevend naar diagnose toe.
- Verzachtende factoren: Waarmee betert de pijn?
- Verergerende factoren: Waarmee verergert de pijn?
o Invloed van beweging: steun-name, spiertractie, inklemming, rek
- Begeleidende symptomen
SYSTEEMANAMNESE:
Belangrijk bij oa vermoeden reumatologische aandoening of onderliggende niet-musculoskeletale
oorzaak
o Bv: liespijn → differentiaal met hernia inguinalis → GI-anamnese nuttig
Niet musculoskeletale aandoeningen kunnen ook musculoskeletale beïnvloeden
o Bv: hormonale stoornissen => stressfracturen
Elementen:
- Medische en chirurgische voorgeschiedenis
- Familiale voorgeschiedenis
- Medicatie
- Allergie
- Alcohol, roken en drugs
- Sociale anamnese
o Werk, hobby’s, sporten, andere bewegingsactiviteiten
o Welke steun van thuis uit
2
, 3. Klinisch onderzoek
Bestaat altijd uit:
- Inspectie
- Bewegingsonderzoek: actief + passief
- Krachttesten
- Palpatie
- Specifieke testen
Belangrijk:
- Steeds vergelijken Re en Li
o Eerst gezonde kant testen – hierna symptomatische kant
o Assymetrie = suggestief voor pathologie
- Vragen of pt pijn ondervindt
o + gelaatsuitdrukking in de gaten houden
o Vooral bij bewegingsonderzoek en krachttesten
- Beperkte beweging kwantificeren adhv graden ROM (range of motion)
o Evt met verschil ROM actief vs passief
- Soms andere orgaansystemen onderzoeken
o Bv. DD: spinaal kanaal stenose met neurogene claudicatio & PAD met vasculaire claudicatio
=> CV onderzoek
o Bv: Lage rugpijn (DD: pancreatitis, ruptuur AAA) => abdominaal onderzoek
KO per regio overlopen nu:
3.1 Lumbale wervelkolom
INSPECTIE
- Gang bekijken (bij afroepen consultatie)
- Hoogte bekkenkam nagaan
- Lumbale lordose beoordelen
o Vanuit lateraal zicht
- As-afwijkingen wervelkolom bekijken → scoliose
o Vanuit posterieur zicht
BEWEGINGSONDERZOEK
→ actief + passief
- Flexie
o Opsporen scoliose
- Extensie
- Test van Kemp: gecombineerde extensie-rotatie naar links en rechts
o Pijn bij test van Kemp => pijn vanuit facetgewrichten
- Schober test: detectie ↓flexie
o Punt op lumbosacrale overgang
o Punt 10cm hoger
o Maximale flexie: afstand moet >15cm zijn
o Gestoord bij:
▪ Ankyloserende spondylitis (typisch)
▪ Axiale osteo-arthrose
3
, ▪ Rugaandoeningen met toename pijn bij anteflexie
KRACHTTESTEN
Segmentair neurologisch onderzoek = onderdeel van wervelkolom-onderzoek
Onderdelen:
- Reflextesten
o patellapees- en achillespeesreflex
- Sensorisch onderzoek
o sensorisch onderzoek perineum: bij vermoeden cauda equina syndroom
- Krachttesten
o Gescoord op mMRC schaal
Oorzaken gestoorde krachttesten:
- afwijking HMN
- afwijking LMN
- neuromosculaire eindplaat
- spier-peescomplex
Myotomen:
- L2: heupflexie
- L3: knie extensie
- L4: voet dorsiflexie
- L5: hallux dorsifle
- S1: plantairflexie
SPECIFIEKE TESTEN
Peesreflexen
- Patellapeesreflex (L3)
- Achillespeesreflex (S1)
Straight leg raise test = SLR = test van Lasegue
= test voor radiculaire pijn (pijn door compressie zenuwwortel)
- Gestrekte been vanuit liggende positie naar omhoog getild
o Zenuwwortel naar caudaal en anterieur getrokken tegen discusweefsel
- SLR = positief bij pijn van been in hoek van 30° en 70° met de horizontale
o = disco-radiculair conflict met zenuwwortel L4, L5, S1
Test van Bragard
= test voor radiculaire pijn
= SLR test + voet in dorsiflexie
Flip test
= test voor radiculaire pijn
- Pt met benen afhangend van tafel
- Knie in extensie brengen (doen alsof je iets moet bekijken op voet!)
- Zelfde flexie als SLR test, maar pt weet niet dat dit getest wordt
- Positief = pt ‘flipt’
4
Koen Peers 2025-2026
DEEL 1: Anamnese, KO en praktijkvoeren bij musculoskeletale aandoeningen
Diagnostische aanpak van klinisch probleem => rekening houden met 3 factoren:
1. Patiëntenprofiel
o Bv: osteo-arthrose kan bij patiënt van 30j onmogelijk kniepijn verklaren
▪ osteo arthrose komt enkel voor op oudere leeftijd
2. Anamnese
o Bv: Pijn bij steunname = pijpatroon dat wijst naae osteogene pathologie
3. Klinisch onderzoek
o Bv: Pijn bij stretch in polsflexie bij patiënt met laterale elleboogpijn => argument
tendinopathie
Hieruit argumenten om te pleiten voor of tegen diagnoses in DD
Leidt verder tot eventuele TOZ, diagnose, en behandeling
Volledig klinisch beeld integreren = ESSENTIEEL
TOZ:
- Vaak diagnosestelling al mogelijk obv: patiëntenprofiel, anamnese en KO
- Enkel aangewezen als het resultaat het therapeutisch beleid kan veranderen!
o Indien twijfel tss 2 diagnosen maar hun beleid = zelfde → geen verder onderzoek nodig
o Als diagnose gesteld maar bestaan van subcategorieën met verschillend beleid: wel
nodig (bv. wel/niet operatief)
1. Patiëntenprofiel
→ geeft belangrijke richting aan diagnostisch kader met DD’s
Patiëntgebonden elementen:
- Leeftijd
- Geslacht
- Comorbiditeit
- Activiteitsgraad
- Type activiteiten (vrije tijd/werk)
- CV risicofactoren
2. Anamnese
Zie les en diapresentatie ‘anamnese’ van prof. Blockmans uit 2de bachelor
Verloop:
1. Pt vertelt zelf
2. Arts stelt bijvragen om tot volledige anamnese te komen
Elementen volledige anamnese:
- specifieke (pijn)anamnese
1
, - systeemanamnese
- voorgeschiedenis
- familiale aandoeningen
- medicatie
- middelenmisbruik en allergieën
- sociale anamnese (inclusief werk en bewegingsactiviteit)
PIJNANAMNESE:
Elementen:
- Lokalisatie: Waar hebt u die pijn precies? Aanwijzen in KO. Hoe uitgebreid is de pijn?
- Uitstraling: Straalt de pijn uit? Naar waar?
- Karakter: Wat voor pijn is het, wat is het karakter van de pijn? Stekend, drukkend, brandend,
elektrisch gevoel, ...
- Ernst: Hebt u al medicatie genomen voor de pijn? Hoe erg is de pijn (op een schaal van 1 tot 10)?
o Wat was de invloed van de medicatie?
- Begin: Wanneer is de pijn begonnen? Is ze begonnen in een bepaalde situatie? Is de pijn plots
gekomen of eerder geleidelijk, toenemend?
o Acuut, subacuut, chronisch
- Evolutie: Hoe is de pijn geëvolueerd? Is ze beter of erger geworden?
- Tijdsverloop: Wanneer hebt u pijn? Is de pijn erger ’s ochtends of ’s avonds? Wat is de invloed van
inspanning op de pijn?
o Nachtelijke pijn moet verder bevraagd worden: Wanneer ’s nachts? Betert het met een
andere houding aan te nemen? Of is de pijn houdings-gebonden?
o Het pijnpatroon is erg belangrijk en zeker richtinggevend naar diagnose toe.
- Verzachtende factoren: Waarmee betert de pijn?
- Verergerende factoren: Waarmee verergert de pijn?
o Invloed van beweging: steun-name, spiertractie, inklemming, rek
- Begeleidende symptomen
SYSTEEMANAMNESE:
Belangrijk bij oa vermoeden reumatologische aandoening of onderliggende niet-musculoskeletale
oorzaak
o Bv: liespijn → differentiaal met hernia inguinalis → GI-anamnese nuttig
Niet musculoskeletale aandoeningen kunnen ook musculoskeletale beïnvloeden
o Bv: hormonale stoornissen => stressfracturen
Elementen:
- Medische en chirurgische voorgeschiedenis
- Familiale voorgeschiedenis
- Medicatie
- Allergie
- Alcohol, roken en drugs
- Sociale anamnese
o Werk, hobby’s, sporten, andere bewegingsactiviteiten
o Welke steun van thuis uit
2
, 3. Klinisch onderzoek
Bestaat altijd uit:
- Inspectie
- Bewegingsonderzoek: actief + passief
- Krachttesten
- Palpatie
- Specifieke testen
Belangrijk:
- Steeds vergelijken Re en Li
o Eerst gezonde kant testen – hierna symptomatische kant
o Assymetrie = suggestief voor pathologie
- Vragen of pt pijn ondervindt
o + gelaatsuitdrukking in de gaten houden
o Vooral bij bewegingsonderzoek en krachttesten
- Beperkte beweging kwantificeren adhv graden ROM (range of motion)
o Evt met verschil ROM actief vs passief
- Soms andere orgaansystemen onderzoeken
o Bv. DD: spinaal kanaal stenose met neurogene claudicatio & PAD met vasculaire claudicatio
=> CV onderzoek
o Bv: Lage rugpijn (DD: pancreatitis, ruptuur AAA) => abdominaal onderzoek
KO per regio overlopen nu:
3.1 Lumbale wervelkolom
INSPECTIE
- Gang bekijken (bij afroepen consultatie)
- Hoogte bekkenkam nagaan
- Lumbale lordose beoordelen
o Vanuit lateraal zicht
- As-afwijkingen wervelkolom bekijken → scoliose
o Vanuit posterieur zicht
BEWEGINGSONDERZOEK
→ actief + passief
- Flexie
o Opsporen scoliose
- Extensie
- Test van Kemp: gecombineerde extensie-rotatie naar links en rechts
o Pijn bij test van Kemp => pijn vanuit facetgewrichten
- Schober test: detectie ↓flexie
o Punt op lumbosacrale overgang
o Punt 10cm hoger
o Maximale flexie: afstand moet >15cm zijn
o Gestoord bij:
▪ Ankyloserende spondylitis (typisch)
▪ Axiale osteo-arthrose
3
, ▪ Rugaandoeningen met toename pijn bij anteflexie
KRACHTTESTEN
Segmentair neurologisch onderzoek = onderdeel van wervelkolom-onderzoek
Onderdelen:
- Reflextesten
o patellapees- en achillespeesreflex
- Sensorisch onderzoek
o sensorisch onderzoek perineum: bij vermoeden cauda equina syndroom
- Krachttesten
o Gescoord op mMRC schaal
Oorzaken gestoorde krachttesten:
- afwijking HMN
- afwijking LMN
- neuromosculaire eindplaat
- spier-peescomplex
Myotomen:
- L2: heupflexie
- L3: knie extensie
- L4: voet dorsiflexie
- L5: hallux dorsifle
- S1: plantairflexie
SPECIFIEKE TESTEN
Peesreflexen
- Patellapeesreflex (L3)
- Achillespeesreflex (S1)
Straight leg raise test = SLR = test van Lasegue
= test voor radiculaire pijn (pijn door compressie zenuwwortel)
- Gestrekte been vanuit liggende positie naar omhoog getild
o Zenuwwortel naar caudaal en anterieur getrokken tegen discusweefsel
- SLR = positief bij pijn van been in hoek van 30° en 70° met de horizontale
o = disco-radiculair conflict met zenuwwortel L4, L5, S1
Test van Bragard
= test voor radiculaire pijn
= SLR test + voet in dorsiflexie
Flip test
= test voor radiculaire pijn
- Pt met benen afhangend van tafel
- Knie in extensie brengen (doen alsof je iets moet bekijken op voet!)
- Zelfde flexie als SLR test, maar pt weet niet dat dit getest wordt
- Positief = pt ‘flipt’
4