Neuronen, bouwstenen van het zenuwstelsel I en II • Hoorcollege 8 en 9
1. Hoe heten neuronen in het cerebellum?
2. Elke neuron is gepolariseerd.
a. Juist
b. Onjuist
3. Axonen van Purkinje cellen zijn sterk vertakt.
a. Juist
b. Onjuist
4. Welke gliacellen zorgen voor myelinevorming?
a. Astrocyten
b. Microgliacellen
c. Oligodendrocyten
d. Ependymcellen
5. De hoogte van actiepotentialen is afhankelijk van de intensiteit van de
excitatie.
a. Juist
b. Onjuist
6. Als de intensiteit van de excitatie toeneemt, neemt de frequentie van de
actiepotentiaal ook toe.
a. Juist
b. Onjuist
7. De inwaartse stroom van de actiepotentiaal wordt gevormd door .
a. natriumionen
b. kaliumionen
8. Hoe wordt de geleiding van actiepotentialen versneld?
ZHB I → week 2 → vragen → 1
,9. Waardoor wordt de rising phase van een actiepotentiaal veroorzaakt?
a. Efflux van kaliumionen
b. Efflux van natriumionen
c. Influx van kaliumionen
d. Influx van natriuminonen
10. Tetrodotoxine zorgt voor blokkade van kaliumkanalen.
a. Juist
b. Onjuist
Synaptische communicatie tussen neuronen • Hoorcollege 10
11. Synaptische communicatie gaat volgens het alles-of-nietsprincipe.
a. Juist
b. Onjuist
12. Als de calciumconcentratie diffuus stijgt in het zenuwuiteinde, worden
neuropeptides afgegeven.
a. Juist
b. Onjuist
13. MEPP’s (minitature end plate potentials) kunnen actiepotentialen veroorzaken.
a. Juist
b. Onjuist
14. Welke stelling(en) is of zijn juist?
⬜ De meeste receptoren van postsynaptische cellen zijn metabotroop
⬜ Ionotrope receptoren bestaan uit meerdere subunits
⬜ Metabotrope receptoren functioneren als ionkanalen
⬜ Metabotrope receptoren zijn gekoppeld aan een
membraantransductiesignaal
15. Welke receptoren reageren sneller?
a. Ionotrope receptoren
b. Metabotrope receptoren
ZHB I → week 2 → vragen → 2
, 16. Welke neurotransmitters veroorzaken een EPSP (excitatory postsynaptic
potential)?
⬜ (Nor)adrenaline
⬜ Acetylcholine
⬜ Aspartaat
⬜ Dopamine
⬜ GABA
⬜ Glutamaat
⬜ Glycine
⬜ Serotonine
Bouw en functie neuronen • Zelfstudie 8
17. Satellietcellen en de cellen van Schwann zijn te vinden in het in het perifere
zenuwstelsel.
a. Juist
b. Onjuist
18. Welke stelling(en) is of zijn juist?
⬜ Astrocyten kunnen neurotransmittersubstantie opslaan
⬜ Elektrische activiteit van zenuwcellen gaat gepaard met uitstoot van
natriumionen
⬜ Kaliumionen worden opgenomen door astrocyten
⬜ Neurotransmittersubstantie wordt door gliacellen vermetaboliseerd
19. De membrana limitans is de Blood-Brain-Barrier.
a. Juist
b. Onjuist
20.Astrocyten zijn betrokken bij het opruimen van afgestorven neuronen.
a. Juist
b. Onjuist
21. Microgliacellen zijn gliacellen van ectodermale oorsprong.
a. Juist
b. Onjuist
22. Welke ionen gaan makkelijker door de celmembraan bij de
membraanrustpotentiaal?
a. Kalium
b. Natrium
ZHB I → week 2 → vragen → 3