SAMENVATTING
1. INTRODUCTIE
DEFINITIES
ARCHEOBOTANIE
• Studie botanische resten uit archeologische context.
o Focus menselijk gedrag in verleden
PALEO – ECOLOGIE
• Studie organische resten uit natuurlijke sedimentaire archieven.
o Focus leefomgeving mens
o Focus milieu zonder mens
PALYNOLOGIE
• Studie van pollen/stuifmeelkorrels en sporen.
PLANTENWERELD
• Lagere planten
o Varens
o Mossen
• Hogere planten
o Zaadplanten
o Van belang voor mens
POTENTIËLE ARCHEOLOGISCHE RESTEN VAN PLANTEN
• Stuifmeel
• Diatomeeën
• Houtig materiaal
• Zaden en vruchten
• Wortels, knollen, bladeren, stengels,…
• Sporen van schimmels, mossen, varens
• Fytolieten (versteende plantencellen) en zetmeel
RESTEN
• Microresten
o < 0,1 mm
o Onverkoold
• Macroresten
o > 0,1 mm
o (On)verkoold
1
,PALYNOLOGIE
POLLEN VERSPREIDING
• ANEMOFIEL
o Transport door wind
▪ Goede verspreiding
▪ Hoge pollenproductie
• ENTOMOFIEL
o Transport door insecten
▪ Mindere verspreiding
▪ Lage pollenproductie
OPBOUW
• Exine = zeer resistent
VEGETATIERECONSTRUCTIE
• Venen en meren
o Zuurstofloos
o Goede conservering
o Ongestoorde stratigrafie
BEWARINSKANSEN
• Afhankelijk van:
o Omgevingsfactoren (zie bijlage)
o Eigenschappen zaden en vruchten
HOUT EN HOUTSKOOL
DEFINITIE
• Harde, door bast bedekte deel van stam, takken en wortels van bomen.
OPBOUW
2
, RIJKE INFORMATIEBRON
• Houtgebruik
• Vegetatiereconstructie
• Dendrochronologie/provenancing
3