Week 1
Organisatieniveaus:
Organisme
Orgaansystemen
Organen
Weefsel
Cellen
Organellen
Moleculen
Atomen
,Anterior: voorkant, voor
Posteroir: achterzijde, achter
Ventraal: buikzijde
Dorsaal: rugzijde
Craniaal of cefaal: hoofd
Caudaal: staart
Superior: boven, op een hoger niveau
Inferior: onder, op een lager niveau
Mediaal: in de richting van de lengteas van het lichaam
Lateraal: in buitenwaartse richting weg van de lengteas van het lichaam
Proximaal: in de richting van een aanhechtingspunt
Distaal: in de richting weg van een aanhechtingspunt
Oppervlakkig gelegen: dicht bij de buitenkant van het lichaam
Diep gelegen: verder verwijderd van de buitenkant van het lichaam
Homeostase: constant houden van het interne milieu.
Negatieve terugkoppeling: prikkel veroorzaakt een reactie die de oorspronkelijke prikkel tegengaat
(als de lichaamstemperatuur daalt, neemt warmteafgifte af, waardoor temperatuur stijgt).
Positieve terugkoppeling: prikkel veroorzaakt een reactie die de oorspronkelijke prikkel versterkt
(bloedstolling).
Buffers: verbindingen die pH-waarde stabiliseren. Buffers zorgen dat de pH van het lichaam tussen
de 7,35 en 7,45 blijft schommelen.
, Week 2
Celkern (nucleus): hierin ligt het DNA.
Mitochondriën: energiefabriek, maakt ATP.
Ribosomen: maken eiwitten (gebruiken RNA om losse aminozuren aan elkaar te koppelen).
Endoplasmatisch reticulum: synthese van secretieproducten.
Glad endoplasmatisch reticulum: maakt lipiden en koolhydraten.
Ruw endoplasmatisch reticulum: transporteert eiwitten naar het golgi-apparaat.
Golgicomplex: verpakt eiwitten in blaasjes en slaat ze op. Als het nodig is smelten de blaasjes samen
met het celmembraan en komt de inhoud vrij.
Lysosoom: hier liggen eiwitten die grote moleculen kunnen opbreken (beschadigde organellen of
pathogene micro-organismen).
Celmembraan:
Fysieke isolatie: fysieke barrière tussen interne cel en weefselvloeistof.
Permeabiliteit: reguleren van uitwisseling stoffen met omgeving.
Gevoeligheid voor omgeving, receptoren die verandering in omgeving waarnemen.
Structuur en stabiliteit
Actief transport: kost energie en gaat tegen de concentratiegradiënt in (laag naar hoog).
Passief transport: kost geen energie en gaat met concentratiegradiënt mee (hoog naar lage).
Diffusie: verplaatsing van moleculen van een hoge concentratie naar een lage concentratie.
Osmose: de diffusie van water door een semipermeabele membraan.
Filtratie: water wordt door druk door een membraan geperst.
Dragersgemedieerd transport: membraaneiwitten binden aan specifieke ionen of organische
substraten en vervoeren deze door het plasmamembraan heen. 2 vormen:
Gefaciliteerde diffusie: molecuul bindt aan een receptorplaats op het dragereiwit. Hierdoor
verandert het eiwit van vorm en wordt het molecuul verplaatst.
Actief transport: bijvoorbeeld ionenpompen.
Vesiculair transport: stoffen worden in blaasjes getransporteerd (altijd actief). 2 groepen:
Endocytose: het verpakken van materiaal in een blaasje.
Exocytose: een blaasje versmelt met het plasmembraan en geeft zijn inhoud af.
Mitose:
Organisatieniveaus:
Organisme
Orgaansystemen
Organen
Weefsel
Cellen
Organellen
Moleculen
Atomen
,Anterior: voorkant, voor
Posteroir: achterzijde, achter
Ventraal: buikzijde
Dorsaal: rugzijde
Craniaal of cefaal: hoofd
Caudaal: staart
Superior: boven, op een hoger niveau
Inferior: onder, op een lager niveau
Mediaal: in de richting van de lengteas van het lichaam
Lateraal: in buitenwaartse richting weg van de lengteas van het lichaam
Proximaal: in de richting van een aanhechtingspunt
Distaal: in de richting weg van een aanhechtingspunt
Oppervlakkig gelegen: dicht bij de buitenkant van het lichaam
Diep gelegen: verder verwijderd van de buitenkant van het lichaam
Homeostase: constant houden van het interne milieu.
Negatieve terugkoppeling: prikkel veroorzaakt een reactie die de oorspronkelijke prikkel tegengaat
(als de lichaamstemperatuur daalt, neemt warmteafgifte af, waardoor temperatuur stijgt).
Positieve terugkoppeling: prikkel veroorzaakt een reactie die de oorspronkelijke prikkel versterkt
(bloedstolling).
Buffers: verbindingen die pH-waarde stabiliseren. Buffers zorgen dat de pH van het lichaam tussen
de 7,35 en 7,45 blijft schommelen.
, Week 2
Celkern (nucleus): hierin ligt het DNA.
Mitochondriën: energiefabriek, maakt ATP.
Ribosomen: maken eiwitten (gebruiken RNA om losse aminozuren aan elkaar te koppelen).
Endoplasmatisch reticulum: synthese van secretieproducten.
Glad endoplasmatisch reticulum: maakt lipiden en koolhydraten.
Ruw endoplasmatisch reticulum: transporteert eiwitten naar het golgi-apparaat.
Golgicomplex: verpakt eiwitten in blaasjes en slaat ze op. Als het nodig is smelten de blaasjes samen
met het celmembraan en komt de inhoud vrij.
Lysosoom: hier liggen eiwitten die grote moleculen kunnen opbreken (beschadigde organellen of
pathogene micro-organismen).
Celmembraan:
Fysieke isolatie: fysieke barrière tussen interne cel en weefselvloeistof.
Permeabiliteit: reguleren van uitwisseling stoffen met omgeving.
Gevoeligheid voor omgeving, receptoren die verandering in omgeving waarnemen.
Structuur en stabiliteit
Actief transport: kost energie en gaat tegen de concentratiegradiënt in (laag naar hoog).
Passief transport: kost geen energie en gaat met concentratiegradiënt mee (hoog naar lage).
Diffusie: verplaatsing van moleculen van een hoge concentratie naar een lage concentratie.
Osmose: de diffusie van water door een semipermeabele membraan.
Filtratie: water wordt door druk door een membraan geperst.
Dragersgemedieerd transport: membraaneiwitten binden aan specifieke ionen of organische
substraten en vervoeren deze door het plasmamembraan heen. 2 vormen:
Gefaciliteerde diffusie: molecuul bindt aan een receptorplaats op het dragereiwit. Hierdoor
verandert het eiwit van vorm en wordt het molecuul verplaatst.
Actief transport: bijvoorbeeld ionenpompen.
Vesiculair transport: stoffen worden in blaasjes getransporteerd (altijd actief). 2 groepen:
Endocytose: het verpakken van materiaal in een blaasje.
Exocytose: een blaasje versmelt met het plasmembraan en geeft zijn inhoud af.
Mitose: