Belastingrecht
2024-25
,Inhoudsopgave
Bijeenkomst 18.1: Het systeem van de inkomstenbelasting..............................1
Bijeenkomst 18.2: inkomsten uit arbeid (loon, winst en resultaat uit overige
werkzaamheden)............................................................................................ 9
Bijeenkomst 19.1: Schenkbelasting en formeel belastingrecht.......................18
Bijeenkomst 19.2: Formeel belastingrecht en fiscale partners........................24
,Bijeenkomst 18.1: Het systeem van de
inkomstenbelasting.
1. Wanneer is sprake van een belastbare bron van inkomen in
de inkomstenbelasting?
1. Er moet een subject zijn, Natuurlijk persoon is de eerste voorwaarde
(art. 1.1 Wet IB).
2. Belastingplicht wonen/ werken (art. 2.1 Wet IB). In Nederland
wonen of Nederlands inkomen genieten.
3. Is er een bron van inkomen: onder verder uitgewerkt (art. 2.3 jo.
3.1 jo. 4.1 Wet IB 2001)
4. Er moet zijn voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
- Iemand neemt deel aan het economisch verkeer. Dit
betekent dat iemand tegen vergoeding activiteiten verricht
buiten de privésfeer.
- Er wordt redelijkerwijs voordeel beoogd.
- Er is sprake van redelijkerwijs te verwachten voordeel.
Als er voordeel is genoten is dit al voldoende voor de laatste twee criteria.
Activiteiten in de hobby- of familiesfeer leiden dus niet tot een bron. Als de
belasting activiteiten niet ziet als bron van inkomen, betaalt iemand er
geen inkomstenbelasting over. Voorbeelden hiervan zijn bv een erfenis of
een loterij. Maar verliezen kunnen dan ook niet worden afgetrokken.
Voor de inkomstenbelasting zijn er 6 bronnen van inkomen (5 uit box 1 en
het aanmerkelijk belang uit box 2) (art. 2.3 jo. 3.1 jo. 4.1 Wet IB
2001).
Winst uit onderneming
Loon uit dienstbetrekking
Resultaat uit overig werk
Inkomen uit eigen woning
Inkomen uit pensioen
Inkomen uit aanmerkelijk belang
2. Wat is het boxensysteem in de inkomstenbelasting?
1
, In de Wet IB 2001 onderscheiden we drie soorten inkomens. Deze zijn
opgenomen in de drie boxen. Box 1 -> Inkomen uit werk en woning, box 2
-> Inkomen uit aanmerkelijk belang en box 3 -> Inkomen uit sparen en
beleggen, ook wel vermogensrendementsheffing genoemd. De boxen
staan genoemd in art. 2.3 Wet IB 2001.
De schulden volgen in de wet IB 2001 de bezittingen. Valt de
bezitting in box 1, dan valt de schuld aangegaan om deze bezitting te
verkrijgen dus ook in box 1. Een allocatie van schulden hangt af van
hetgeen waarvoor de schuld is aangegaan. Een hypotheek op je huis
nemen om een obligatie te kopen zorgt dat de hypotheekschuld in box 3
valt. Een hypothecaire lening om een huis te kopen, zorgt dat de
hypotheekschuld in box 1 valt.
Box 1: inkomen uit werk en woning (art. 2.10 Wet IB).
Ondernemingswinst
Loon
Resultaat uit overig werk (bv bijklussen, medisch proefkonijn,
babysitten etc.)
Eigen woning
Pensioen (loon)
Het inkomen uit werk en woning (box 1) is belast tegen een progressief
tarief. Dit betekent dat het tarief stijgt naarmate het inkomen stijgt. Tot
€75.518 betaal je 36,97%, daarna 49,50% (art. 2.10 Wet IB).
Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang (art. 2.12 Wet IB).
Aanmerkelijk belang in vennootschap (art. 4.6 Wet IB) -> Heb je
meer dan 5% van de aandelen in een vennootschap, dan zit je met
deze aandelen in box 2. Heb je minder dan 5%, dan behoort dit tot
box 3.
Inkomsten uit aandelen bereken je door de verkoopprijs – de
aankoopprijs te doen (vervreemdingsvoordeel) of door dividend uit
te keren.
Het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) is belast tegen 24,5% tot
€67.000,-, daarboven 33% (art. 2.12 Wet IB).
Box 3: inkomen uit sparen en beleggen (art. 2.13 Wet IB).
Gaat om het overige vermogen, zoals spaarrekeningen,
beleggingsrekeningen, vakantiehuizen, tweede huizen, schulden etc.
Het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) is belast tegen 36% (art.
2.13 Wet IB).
Het boxenstelsel is een analytisch systeem (art. 2.3 IB):
2
2024-25
,Inhoudsopgave
Bijeenkomst 18.1: Het systeem van de inkomstenbelasting..............................1
Bijeenkomst 18.2: inkomsten uit arbeid (loon, winst en resultaat uit overige
werkzaamheden)............................................................................................ 9
Bijeenkomst 19.1: Schenkbelasting en formeel belastingrecht.......................18
Bijeenkomst 19.2: Formeel belastingrecht en fiscale partners........................24
,Bijeenkomst 18.1: Het systeem van de
inkomstenbelasting.
1. Wanneer is sprake van een belastbare bron van inkomen in
de inkomstenbelasting?
1. Er moet een subject zijn, Natuurlijk persoon is de eerste voorwaarde
(art. 1.1 Wet IB).
2. Belastingplicht wonen/ werken (art. 2.1 Wet IB). In Nederland
wonen of Nederlands inkomen genieten.
3. Is er een bron van inkomen: onder verder uitgewerkt (art. 2.3 jo.
3.1 jo. 4.1 Wet IB 2001)
4. Er moet zijn voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
- Iemand neemt deel aan het economisch verkeer. Dit
betekent dat iemand tegen vergoeding activiteiten verricht
buiten de privésfeer.
- Er wordt redelijkerwijs voordeel beoogd.
- Er is sprake van redelijkerwijs te verwachten voordeel.
Als er voordeel is genoten is dit al voldoende voor de laatste twee criteria.
Activiteiten in de hobby- of familiesfeer leiden dus niet tot een bron. Als de
belasting activiteiten niet ziet als bron van inkomen, betaalt iemand er
geen inkomstenbelasting over. Voorbeelden hiervan zijn bv een erfenis of
een loterij. Maar verliezen kunnen dan ook niet worden afgetrokken.
Voor de inkomstenbelasting zijn er 6 bronnen van inkomen (5 uit box 1 en
het aanmerkelijk belang uit box 2) (art. 2.3 jo. 3.1 jo. 4.1 Wet IB
2001).
Winst uit onderneming
Loon uit dienstbetrekking
Resultaat uit overig werk
Inkomen uit eigen woning
Inkomen uit pensioen
Inkomen uit aanmerkelijk belang
2. Wat is het boxensysteem in de inkomstenbelasting?
1
, In de Wet IB 2001 onderscheiden we drie soorten inkomens. Deze zijn
opgenomen in de drie boxen. Box 1 -> Inkomen uit werk en woning, box 2
-> Inkomen uit aanmerkelijk belang en box 3 -> Inkomen uit sparen en
beleggen, ook wel vermogensrendementsheffing genoemd. De boxen
staan genoemd in art. 2.3 Wet IB 2001.
De schulden volgen in de wet IB 2001 de bezittingen. Valt de
bezitting in box 1, dan valt de schuld aangegaan om deze bezitting te
verkrijgen dus ook in box 1. Een allocatie van schulden hangt af van
hetgeen waarvoor de schuld is aangegaan. Een hypotheek op je huis
nemen om een obligatie te kopen zorgt dat de hypotheekschuld in box 3
valt. Een hypothecaire lening om een huis te kopen, zorgt dat de
hypotheekschuld in box 1 valt.
Box 1: inkomen uit werk en woning (art. 2.10 Wet IB).
Ondernemingswinst
Loon
Resultaat uit overig werk (bv bijklussen, medisch proefkonijn,
babysitten etc.)
Eigen woning
Pensioen (loon)
Het inkomen uit werk en woning (box 1) is belast tegen een progressief
tarief. Dit betekent dat het tarief stijgt naarmate het inkomen stijgt. Tot
€75.518 betaal je 36,97%, daarna 49,50% (art. 2.10 Wet IB).
Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang (art. 2.12 Wet IB).
Aanmerkelijk belang in vennootschap (art. 4.6 Wet IB) -> Heb je
meer dan 5% van de aandelen in een vennootschap, dan zit je met
deze aandelen in box 2. Heb je minder dan 5%, dan behoort dit tot
box 3.
Inkomsten uit aandelen bereken je door de verkoopprijs – de
aankoopprijs te doen (vervreemdingsvoordeel) of door dividend uit
te keren.
Het inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) is belast tegen 24,5% tot
€67.000,-, daarboven 33% (art. 2.12 Wet IB).
Box 3: inkomen uit sparen en beleggen (art. 2.13 Wet IB).
Gaat om het overige vermogen, zoals spaarrekeningen,
beleggingsrekeningen, vakantiehuizen, tweede huizen, schulden etc.
Het inkomen uit sparen en beleggen (box 3) is belast tegen 36% (art.
2.13 Wet IB).
Het boxenstelsel is een analytisch systeem (art. 2.3 IB):
2