Franca Beenen s4457919
Forensische Criminologie (MSc), Universiteit Leiden
Risicotaxatie (23053514)
Dr. E.F.J.C. van Ginneken
6 oktober 2025
3299 woorden
1
, Inleiding
De adolescentie is een belangrijke levensfase waarin de kans op delinquent gedrag
toeneemt, waarbij relaties binnen het gezin een relevante invloed hebben (Buist et al., 2013;
Gladwin et al., 2011; Moretti & Peled, 2004; Sawyer et al., 2012). Specifiek de band met een
broer of zus (hierna: sibling) is van belang omdat deze een rol speelt in de psychosociale
ontwikkeling. Branje et al. (2004) en Buist et al. (2013) bespreken dan ook dat het
communiceren met een sibling een beschermende factor is voor het vertonen van
gedragsproblemen. Volgens de systeemtheorie van Minuchin (1974) en de sociale leertheorie
van Bandura (1977) is de kwaliteit van deze communicatie van belang voor het om kunnen
gaan met stress en het ontwikkelen van gedragsstrategieën. Praten over persoonlijke
problemen kan namelijk emotionele steun bieden en daarmee bijdragen aan minder
externaliserend gedrag (Buist et al., 2013; Caughlin, 2003; Kramer, 2014). Verder blijkt uit
verschillende onderzoeken dat goede communicatie met een sibling zorgt voor betere sociale
vaardigheden en minder agressief gedrag (Branje et al., 2004; Buist et al., 2013; Odudu et al.,
2020). Ook is het uiten van zorgen belangrijk om spanning binnen het gezin te verminderen
(Gilligan et al., 2020; Shaw et al., 2004; Umberson et al., 2010).
De relatie tussen siblingverhoudingen en delinquent gedrag is al vaker onderzocht
(Huijsmans et al., 2019; Maneiro et al., 2022; Shortt, 2010; Walters, 2019, 2022), waarbij
ondervonden is dat delinquent gedrag van een sibling een verhoogd risico geeft op het
vertonen van delinquent gedrag door de andere sibling. Huijsmans et al. (2019) benoemen dat
gender en leeftijd hierbij relevant zijn. Er is echter minder bekend over hoe het praten over
problemen met een sibling invloed zou kunnen hebben op het vertonen van delinquent gedrag,
dan wel gewelddadig gedrag. Dit element is niet eerder benoemd als opzichzelfstaande
voorspeller.
Het onderzoeken van de communicatie tussen siblings in verband met gewelddadig
gedrag is maatschappelijk relevant. Het kan namelijk bijdragen aan het ontwikkelen van
interventies om banden binnen het gezin te verbeteren (Caughlin, 2003; Kramer, 2014;
Umberson et al., 2010). Ook zouden risico’s hiermee eerder herkend kunnen worden door
hulpverleningsinstanties. Daarnaast vult dit onderzoek mogelijk een lacune in de literatuur
doordat het kijkt naar een onderbelicht element van gezinsdynamiek dat bij kan dragen aan
het verbeteren van risicotaxatie instrumenten. De onderzoeksvraag luidt dan ook als volgt:
"In hoeverre is praten met een sibling over je problemen een geschikte voorspeller in een
risicotaxatie-instrument voor geweldpleging?"
2
, Methoden
Data
Om de hoofdvraag te beantwoorden, is de dataset van het Nederlandse
Scholierenonderzoek (NSO) uit 2001-2002 gebruikt, wat op middelbare scholen en Mbo-
opleidingen plaatsvond (Zeijl et al., 2009). Het doel was “het in kaart brengen van gedrag,
gezondheid, opvattingen en ideeën over financiën, leefwijze en toekomst van de huidige
generatie scholieren.” (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 2020). Bij de
werving is gekeken naar provincie, denominatie en schooltype. Het onderzoek had 1763
respondenten, waarvan 991 meisjes en 761 jongens, tussen de 12 en 19 jaar. De gemiddelde
leeftijd was 14 jaar. Er is een vragenboekje van 123 vragen over zeven onderwerpen gebruikt,
namelijk school en thuis, inkomsten en uitgaven, tijdsbesteding, gezondheid en welbevinden,
politiek en maatschappij, school en studeren en zelfstandig wonen en leven. Doordat er
vanwege weinig respons later nog extra scholen zijn benaderd, is er een tweedeling tussen de
tijd van de antwoorden die mogelijk vertekenend werkt. Verder bleek dat voornamelijk vragen
over inkomsten en uitgaven als te persoonlijk ervaren werden en vonden brugklas en
V(M)BO-scholieren de moeilijkheidsgraad te hoog, waardoor er extra uitleg en tijd nodig
was.
De eerste schoning van de data heeft handmatig plaatsgevonden. Boekjes die minder
dan de helft waren ingevuld, niet serieus waren ingevuld, of duidelijk fout waren ingevuld,
zijn niet meegenomen in de analyse. Hierdoor zijn uiteindelijk ruim 500 boekjes niet
meegenomen.
Hierna zijn de boekjes tot een ASCII-bestand verwerkt en nogmaals opgeschoond.
Hierbij zijn schoolnummers, klasnummers, schooltype en leerjaar zoveel mogelijk verbeterd
met behulp van vragenlijsten voor de docenten. Ook is er gecontroleerd of een 7 structureel
voor een 1 en een 9 structureel voor een 4 werd aangezien. Daarna zijn met behulp van SPSS
serieuze uitbijters verwijderd of waar mogelijk gecorrigeerd, waarbij op inconsistenties en
vreemde getallen werd gelet. Als laatste zijn er nullen geïmputeerd bij vragen over uitgaven,
omdat bleek dat respondenten geen nul invulden voor iets waar ze geen geld aan uitgaven.
Tot slot is het databestand door middel van een iteratief proces representatief gemaakt
zodat het op de kenmerken provincie, denominatie, schooltype en leerjaar dezelfde
afspiegeling had als de daadwerkelijke verdeling in Nederland.
3