Het spierstelsel
Het menselijk lichaam kent meer dan 600 spieren. Al deze spieren zijn onderverdeeld in drie typen spierweefsel:
Skeletspierweefsel
If
7
• Zeer grote, veelkernige cellen
• Diameter ongeveer 100 micrometer
â
• Ongeveer 30 centimeter lang
• Vaak spiervezels genoemd
• skeletspiervezels kunnen zich niet delen;
it
nieuwe spiervezels worden gevormd door de
delingen van stamcellen in volwassen
skeletspierweefsels
• Dwarsgestreept, willekeurig spierweefsel
Hartspierweefsel
en
• Meestal maar ÉÉn celkern
• Veel kleiner dan een skeletspiervezel
Fr • Bevindt zich uitsluitend in het hart
• Vertakken zich, zijn verbonden via intercalaire
schijven
• Hebben een zeer beperkt vermogen zichzelf te
herstellen (stamcellen ontbreken)
• Gangmakercellen (ook wel pacemakercellen
genoemd) zorgen voor een regelmatig ritme van
samentrekking. Hartspierweefsel is het enige
weefsel in het lichaam dat niet afhankelijk is
van de zenuwactiviteit van het zenuwstelsel
• Geen ononderbroken contractie mogelijk
• Aerobe energie afbraak, veel mitochondriËn,
grote reserves van myoglobine
• Gestreept, onwillekeurig spierweefsel
Glad (visceraal) spierweefsel
• Elke spiercel heeft ÉÉn celkern
• Klein, dun en spoelvormig
• Cellen kunnen zich delen
mij • Bevindt zich rond bloedvaten en organen
erg
• Onregelmatige rangschikking
• Contractie over grote afstand
• Niet gestreept, onwillekeurig spierweefsel
(onder invloed van automatisme, hormonen en
omgeving)
, SKELETSPIERWEEFSEL
Hartspierweefsel en gladspierweefsel verschillen in structuur en functie van skeletspierweefsel.
Skeletspierweefsel heeft vijf primaire functies:
1. Het bewegen van skeletdelen
2. Het handhaven van houding en lichaamspositie
Pees / tendon
3. Het ondersteunen van de weke delen van het
lichaam Fasciculi
(bundels)
4. Het openen en sluiten van in- en uitgangen
5. Het handhaven van de lichaamstemperatuur
Spiervezels
(Samengevoegde
Elke spier begint bij de origo en eindigt bij de insertie. spiercellen)
Bij contractie van de spier blijft de origo op dezelfde A
plaats en verplaatst de insertie zich richting de origo.
Bot
Een pees (tendon) verbindt een spier aan een bot.
Een fascia verbindt een spier aan een andere spier. Spierbuik B
CC
Een skeletspier bevat spierweefsel, bindweefsel en
Epimysium Perimysium Endomysium
zenuwen. Elke cel in skeletspierweefsel is een
enkelvoudige spiervezel. A: Skeletspier (orgaan) B: Spierfasciculus (bundel vezels) C: Skeletspiervezel
Het type spier en de lichamelijke conditie zijn bepalend voor het prestatievermogen van de spieren.
Snelle vezels Trage vezels
• Zorgen voor een snelle contractie ( 0,01 s) • Trage contractie (0,03 s)
• Grote diameter • Kleine diameter
• Veel myofibrillen • Weinig myofibrillen
• Weinig mitochondriËn • Veel mitochondriËn
• Snel vermoeid • Niet snel vermoeid
• Grote glycogeenreserves • Hoge concentratie myoglobine
• Hoge anaerobe activiteit • Hoge aerobe capaciteit (betere zuurstoftoevoer)
• Wit ◦Bevatten in rust zuurstofreserves
• Rood
Kortom: snelle vezels zorgen voor een korte en Kortom: trage spiervezeld zorgen voor een langzame en
krachtige contractie. minder krachtige contractie.
De functie van een spier kan op twee manieren worden beschreven:
1. De eerste beschrijft de spierfunctie met betrekking tot het bot dat bij Verschillende soorten contracties:
de beweging is betrokken. • Concentrische contractie: de
2. De tweede beschrijft de spieren aan de hand van hun primaire functie spier is actief en wordt korter.
A. De agonist (primair verantwoordelijk voor een bepaalde beweging) • Isometrische contracties: de
B. De antagonisten (spieren waarvan de functie tegengesteld is aan spier is wel actief, maar er
de beweging die door een andere spier veroorzaakt wordt) vindt geen beweging plaats.
C. De synergist (een spier die een agonist efficiËnt helpt werken)
D. Fixatoren zijn synerfisten die de origo van een agonist stabiliseren
door de beweging bij een ander gewricht te verhinderen
Het menselijk lichaam kent meer dan 600 spieren. Al deze spieren zijn onderverdeeld in drie typen spierweefsel:
Skeletspierweefsel
If
7
• Zeer grote, veelkernige cellen
• Diameter ongeveer 100 micrometer
â
• Ongeveer 30 centimeter lang
• Vaak spiervezels genoemd
• skeletspiervezels kunnen zich niet delen;
it
nieuwe spiervezels worden gevormd door de
delingen van stamcellen in volwassen
skeletspierweefsels
• Dwarsgestreept, willekeurig spierweefsel
Hartspierweefsel
en
• Meestal maar ÉÉn celkern
• Veel kleiner dan een skeletspiervezel
Fr • Bevindt zich uitsluitend in het hart
• Vertakken zich, zijn verbonden via intercalaire
schijven
• Hebben een zeer beperkt vermogen zichzelf te
herstellen (stamcellen ontbreken)
• Gangmakercellen (ook wel pacemakercellen
genoemd) zorgen voor een regelmatig ritme van
samentrekking. Hartspierweefsel is het enige
weefsel in het lichaam dat niet afhankelijk is
van de zenuwactiviteit van het zenuwstelsel
• Geen ononderbroken contractie mogelijk
• Aerobe energie afbraak, veel mitochondriËn,
grote reserves van myoglobine
• Gestreept, onwillekeurig spierweefsel
Glad (visceraal) spierweefsel
• Elke spiercel heeft ÉÉn celkern
• Klein, dun en spoelvormig
• Cellen kunnen zich delen
mij • Bevindt zich rond bloedvaten en organen
erg
• Onregelmatige rangschikking
• Contractie over grote afstand
• Niet gestreept, onwillekeurig spierweefsel
(onder invloed van automatisme, hormonen en
omgeving)
, SKELETSPIERWEEFSEL
Hartspierweefsel en gladspierweefsel verschillen in structuur en functie van skeletspierweefsel.
Skeletspierweefsel heeft vijf primaire functies:
1. Het bewegen van skeletdelen
2. Het handhaven van houding en lichaamspositie
Pees / tendon
3. Het ondersteunen van de weke delen van het
lichaam Fasciculi
(bundels)
4. Het openen en sluiten van in- en uitgangen
5. Het handhaven van de lichaamstemperatuur
Spiervezels
(Samengevoegde
Elke spier begint bij de origo en eindigt bij de insertie. spiercellen)
Bij contractie van de spier blijft de origo op dezelfde A
plaats en verplaatst de insertie zich richting de origo.
Bot
Een pees (tendon) verbindt een spier aan een bot.
Een fascia verbindt een spier aan een andere spier. Spierbuik B
CC
Een skeletspier bevat spierweefsel, bindweefsel en
Epimysium Perimysium Endomysium
zenuwen. Elke cel in skeletspierweefsel is een
enkelvoudige spiervezel. A: Skeletspier (orgaan) B: Spierfasciculus (bundel vezels) C: Skeletspiervezel
Het type spier en de lichamelijke conditie zijn bepalend voor het prestatievermogen van de spieren.
Snelle vezels Trage vezels
• Zorgen voor een snelle contractie ( 0,01 s) • Trage contractie (0,03 s)
• Grote diameter • Kleine diameter
• Veel myofibrillen • Weinig myofibrillen
• Weinig mitochondriËn • Veel mitochondriËn
• Snel vermoeid • Niet snel vermoeid
• Grote glycogeenreserves • Hoge concentratie myoglobine
• Hoge anaerobe activiteit • Hoge aerobe capaciteit (betere zuurstoftoevoer)
• Wit ◦Bevatten in rust zuurstofreserves
• Rood
Kortom: snelle vezels zorgen voor een korte en Kortom: trage spiervezeld zorgen voor een langzame en
krachtige contractie. minder krachtige contractie.
De functie van een spier kan op twee manieren worden beschreven:
1. De eerste beschrijft de spierfunctie met betrekking tot het bot dat bij Verschillende soorten contracties:
de beweging is betrokken. • Concentrische contractie: de
2. De tweede beschrijft de spieren aan de hand van hun primaire functie spier is actief en wordt korter.
A. De agonist (primair verantwoordelijk voor een bepaalde beweging) • Isometrische contracties: de
B. De antagonisten (spieren waarvan de functie tegengesteld is aan spier is wel actief, maar er
de beweging die door een andere spier veroorzaakt wordt) vindt geen beweging plaats.
C. De synergist (een spier die een agonist efficiËnt helpt werken)
D. Fixatoren zijn synerfisten die de origo van een agonist stabiliseren
door de beweging bij een ander gewricht te verhinderen