College 1
Wat is de sociale psychologie?
De wetenschappelijke studie naar de manier waarop onze gedachten,
gevoelens en gedragingen worden beïnvloed door de aanwezigheid van
andere.
Mensen worden beïnvloed door de werkelijke (explicite) aanwezigheid van
andere of ingebeelde (impliciete) aanwezigheid van andere.
Sociale invloed= het effect dat de woorden, daden of de aanwezigheid van
anderen mensen hebben op onze gedachten, gevoelens, houding of
gedrag.
Bij sociale psychologie bestuderen we het individu in de sociale context
Construct= de manier waarop mensen de sociale wereld (construeren),
waarnemen begrijpen en interpreteren.
Kurt Lewin zegt gedrag van een mens kan je nooit alleen maar wijten aan
de persoon, je moet altijd rekening houden met de situatie waarin de
persoon zich bevindt.
De situatie waarin je je bevindt heeft invloed op je gedrag en haalt
verschillende delen van je persoonlijkheid omhoog, dit kan de omgeving
zijn waarin je geboren bent, maar ook de omgeving waarin je je op dat
moment bevindt, bijvoorbeeld de kroeg of op school etc.
Een persoon heeft ook invloed op de situatie, bijvoorbeeld de dam
schreeuwer
Milgremexperiment >
Gestaltpsychologie= niet iedereen ervaart een situatie op dezelfde manier.
Naïef realisme= Mensen denken dat wat zij zien/interpreteren dat dat de
waarheid is.
Mensen hebben 2 basale motieve:
- De behoefte aan een positief zelfbeeld (motief van eigenwaarden)
- De behoefte om de wereld accuraat waar te nemen (motief van
sociale cognitie)
- Mensen hebben de neiging om hun capaciteiten hoger dan gemiddeld
in te schatten > manier om zelfbeeld te beschermen
- We zijn onrealistisch optimistisch over wat ons gaat gebeuren in het
leven, we denken sneller dat we miljonair worden dan dat we
bijvoorbeeld doodgaan in een auto-ongeluk
,College 2 methodologie
Hindsight bias= je krijgt informatie te horen en achteraf denk je van ja dat
wisten we toch allang, dat had ik ook wel kunnen voorspellen. Mensen
overschatten hun vermogen om een uitkomst te kunnen voorspellen, pas
nadat ze weten wat de uitkomst is.
Diederik stapel> heeft de uitkomsten van zijn onderzoek verzonnen>
daardoor wordt er kritischer naar onderzoeken gekeken> replicatiecrisis
Replicatiecrisis> is het opnieuw onderzoek doen van eerdere
onderzoeken> problematisch als de uitkomsten dan anders zijn, want
theorieën zijn gebaseerd op deze onderzoeken.
We gebruiken nu veel betere onderzoeksmethode. Dit doen we door:
- Replicatieonderzoek > eerdere onderzoeken opnieuw uitvoeren en
kijken of deze kloppen
- Meta-analyses> kijken naar verschillende studies over hetzelfde
onderwerp en gaan kijken of als je het gemiddelde effect neemt dat
dan de gedachtegang klopt
- Open science> we zijn erg open in de manier waarop we onderzoek
doen, je legt de hypothese van tevoren al vast, zodat er niet mee
gesjoemeld kan worden (preregister) en de data is erg openbaar zodat
iedereen het terug kan lezen,
Veel onderzoeken waren vroeger echt heel onethisch > echt schade
toegebracht aan deelnemers
Ethiek regels:
- Informed consent> schriftelijke informatie over het onderzoek
- Bedenktijd
- Schriftelijk toestemming geven
- Voorkom misleiding (tenzij het niet anders kan)
- Deelnemers mogen zich ten alle tijden terugtrekken
- Bescherm deelnemers > verzekering voor schade tijdens het onderzoek
- Vertrouwelijkheid> privacy, gevoelige informatie komt niet op straat
- Debriefing> goed uitleggen waarom je dingen hebt gedaan, vooral bij
misleiding
Hypothese testen:
Archiefonderzoek
Survey’s
Observaties > bv veldonderzoek
,Correlationele methode: een onderzoek waarbij we kijken hoe 2
variabele (factoren) met elkaar samenhangen.
Hebben extraverte mensen meer vrienden dan introverte mensen? >
survey: extraversie en aantal vrienden, bijvoorbeeld 2 losse vragenlijsten 1
over extraversie en 1 over vrienden. Uitkomst extraversie is positief
gecorreleerd met vrienden.
Correlatiecoëfficiënt: geeft informatie over hoe sterk 2 factoren met elkaar
samenhangen.
We kunnen niet spreken van oorzaak en gevolg, alleen van samenhang bij
de correlationele methode.
Voorbeeld: sterke correlatie tussen hoeveel ijsjes er verkocht worden en
hoeveel mensen verbranden door de zon. Het aantal verbrande mensen is
geen oorzaak van hoeveel ijsjes er verkocht worden maar door een 3de
factor> de temperatuur buiten
Experimenteel onderzoek= onderzoeksopzet waarbij deelnemers
willekeurig worden toegewezen aan groepen. Een variabele wordt
beïnvloed> de andere gemeten.
Beïnvloed temperatuur behulpzaamheid? > Experiment: deelnemers
moeten plaatsnemen in een warme of koude ruimte, de deelnemers
moeten echt willekeurig zijn> onderzoeker laat pennen vallen en kijk
welke deelnemers helpen.
Je kan hierbij uitspraak doen over causaliteit (oorzaak – gevolg)
Je maakt onderscheid tussen
- Onafhankelijke variabele: de variabele die wordt gemanipuleerd door de
onderzoeker (hier dus de temperatuur)> de oorzaak
- Afhankelijke variabele: de variabele die wordt gemeten (hier dus
behulpzaamheid) > gevolg
Wetenschappers zijn geïnteresseerd of het verschil statistisch significant is
> p-waarde probability waarde (waarschijnlijkheidswaarde) > hoe groot is
de kans dat het resultaat dat je gevonden hebt toeval is
Waarde is nooit 0 maar we willen zo dicht mogelijk bij de 0 en dan dus
onder 0.05 (5%)
Controle conditie = conditie waarbij we niks doen en waarbij we kijken
naar natuurlijk gedrag, dus een ruimte waarbij de temperatuur niet
beïnvloed is
College 3 sociale cognitie
Sociale cognitie = is de manier waarop mensen over zichzelf en over de
sociale wereld denken. Specifiek: hoe we sociale informatie selecteren,
, interpreteren, onthouden en gebruiken om oordelen en sociale
beslissingen te maken.
Schema = overkoepelende bundel van informatie over een bepaald
onderwerp, bijvoorbeeld schema’s over je collega’s, over je vrienden,
familie, orkanen, tijgers etc.
Alle informatie in ons brein is opgedeeld in een soort van georganiseerde
hokjes> schema’s
Wanneer worden bepaalde schema’s actief
- Blijvend toegankelijk: omdat je er door ervaringen of persoonlijkheid
altijd snel aan denkt. Bijvoorbeeld informatie over onszelf (zelfconcept)
En bijvoorbeeld kennis die heel belangrijk voor je is zoals familie of
hobby’s
Gedachtenonderdrukking: als we ergens niet aan willen denken worden
deze gedachten juist overmatig actief. Hoe meer je zegt dat je er niet
over na moet denken hoe meer deze kennis geactiveerd wordt. > white
bear effect
- Tijdelijk toegankelijk: sommige schema’s worden tijdelijk toegankelijk
door iets wat je net hebt meegemaakt/gezien. Tijdelijk geactiveerd
worden is ook wel priming.
Priming: eerdere ervaringen of prikkels beïnvloeden onbewust je
gedachten en gedrag.
Als je bijvoorbeeld denkt aan honden dan zie je opeens ook overal honden.
Of als je een tekst leest over een bejaarde vrouw dan loop je misschien
onbewust langzamer
Kan je gedrag sturen door priming?
Experiment: groep 1 zag willekeurige woorden en groep 2 zag woorden
over ouderen, zoals grijs, rimpel, bingo. Hij wilde het concept oudere
primen.
Hij ging kijken of mensen langzamer van de ruimte naar de lift liepen bij
groep 2.
Groep 2 liep ook daadwerkelijk langzamer.
Replicatiecrisis> experiment is gerepliceerd en kon niet gerepliceerd
worden.
Perseveratie-effect = als wij eenmaal ene bepaalde overtuiging hebben
dan blijft deze overtuiging hangen, zelfs als we te horen krijgen dat deze
overtuiging niet blijkt te kloppen. Het beeld blijft hangen.
Confirmation bias = als wij een bepaalde overtuiging hebben dan gaan we
opzoek naar voorbeelden waaruit blijkt dat we gelijk hebben. Zo houden