Examen: Wetenschappen en
techniek
1ste. Planten
1ste.1 Het plantenrijk geordend
1ste.1.1 Inleiding
1. Systematische indeling: levende wezens
2. Indeling van het plantenrijk
3. Organisme determineren
4. Didactische vertaling
1ste.1.2 Doelen
1. De noodzaak aan systematische indeling verwoorden.
2. Een historisch overzicht geven van de systematiek.
3. De wijzigingen in de systematiek verklaren vanuit wetenschappelijk
en/of technologische ontwikkelingen.
4. Enkele algemene kenmerken opsommen van zaadplanten,
varenplanten, mosplanten, wieren, zwammen, bacteriën en virussen.
5. Planten indelen in een bepaalde afdeling aan de hand van
afbeeldingen van planten en/of aan de hand van de namen van
planten.
6. Een determineertabel gebruiken.
7. Zelf een determineertabel opstellen.
8. Begrippen die voorkomen in de cursus omschrijven op studentniveau
én op niveau van leerlingen van de 3de graad lager onderwijs.
9. De kern van natuuronderwijs schematisch weergeven, uitleggen en
toepassen op een les.
10. Enkele grondprincipes voor het natuuronderwijs opsommen, uitleggen
en toepassen op voorbeeldlessen en eigen lessen.
1ste.1.3 De 5 rijken, een historisch overzicht
CLASSIFISEREN ORGANISME
4DE EEUW:
Aristoteles
2 groepen (waarneembare kenmerken)
Levende organisme Niet-levende organisme
Animalia Plantae Mineralia
Dieren Planten Niet levende materie
Fossielen
, 1866
Ernst H. Haeckel
3 groepen
Levende organisme Niet-levende organisme Protisten
Animalia Plantae Mineralia protisten
Dieren Planten Niet levende materie Bacteriën
Fossielen Gisten
Wieren
protozoa
Prokaryoten = DNA wordt niet omringt door een kernwand, het ligt vrij in het cytoplasma.
Eucaryoten = DNA ligt in een aparte celkern en is omgeven door een membraanstructuur
1969
Robert H. Whittaker
5 groepen
Dieren Planten Fungi Protisten Monera
zwammen
heterotroof autotroof heterotroof autotroof autotroof
meercellig meercellig meercellig heterotroof heterotroof
fotosynthese eencellig eencellig
bladgroen fotosynthese fotosynthese
chemosynthese chemosynthese
soms bladgroen bladgroen
insecten varens schimmels éénceligge planten blauwwieren
zoogdieren mossen zwammen ééncellige dieren bacteriën
holtedieren meercellige wieren gisten … …
… … …
VIRUS = Obligaat parasiet
Leven Bacteriën
Geen cel Vorm
Heeft iemand nodig om zich te reproduceren Klokken
Bacillen
Spirillen
Vibrionen
Functie
Reducenten = een opruimer
die organische bestanddelen
terug omzet in anorganisch
materiaal
Voedingsindustrie
Ziekteverwekkers
Gentechnologie
,NU :
SYSTEMATIEK = biologie die organisme overzichtelijk ordend d.m.v. criteria of kenmerken
VOORTPLANTING
16de EEUW:
Van Helmond (1577-1644)
Spontane generatie = levend materiaal ontstaat uit niet-levend
materiaal.
14de-16de EEUW:
Renaissance
1ste ernstige poging gestructureerd classificeringssysteem
17e EEUW:
Antonio Van Leeuwenhoek (1632-1723)
Vond de microscoop uit
1ste persoon levende zaadcellen van een mannetjesdier zag
17e EEUW:
F.Redi (1626-1698)
Expiriment = Leven ontstaat uit leven
19de EEUW:
L. pasteur (1822-1895)
bacteriën ontstaat uit bacteriën
NAAMGEVING
1731
Carl Von Linné
L = afk voor Linnaeus
Binominale systeem = elk organisme krijgt een geslachtsnaam en een soortnaam (2
namen).
, 1.1.2 Indeling van het plantenrijk
Indeling
Betere aanpassing aan droger landleven
Wieren Mossen Paardenstaarten Varens Zaadplanten
Eenvoudigste bouw Haartjes Vaatplanten Wortelstok Zaad = embryonaal plantje met
(vasthechten) (voedingstranspot voedsel voor kiemperiode
Geen wortels ) Veernervige
Water opnemen met bladeren Vaatbundels
Geen stengels blaadjes Wortels
Sporendrager Bladere/stengels (wasachtige laag)
Geen bladeren Geen vaatbundels Stengels/bladeren s (onderkant)
(wasachtige laag) Het grootst
Fotosynthese Leven in groep Geslachtelijke
(kussentjes) Houtachtig voortplanting Verstevigde stengel
Vooral in water materiaal (stevig)
(vochtige omgeving) Sporendragers/ Hoger dan Zaad embryonaal plantje
kapsel bomen, ontstaan kiemplantje
Leveren helft van O2 in eerste fossiele coniferen= altijd éénslachtige
de atmosfeer Spore = omhuld brandstoffen. bloemen zaadschub, stuifmeelblad,
erfelijk materiaal geen of weinig ontwikkelde
Soms heel klein Groeien in hoogte bloembekleedsels
(eencellig) zaden
Aanslag op Sporendrager Kegeldrager
aquariumruit Geslachtelijke =Wortelstok met
voortplanting plantenstengels Naaktzadigen
Voorplanten = en Dennenbomen
ongeslachterlijk/spore gespecialiseerde o Spar (naalden solo)
n stengel o Den (naalden duo)
(eiervormig) o Lariks (naalden legio = in
groepjes)
Geslachtelijke Struiken
voortplanting Naalden
Schubben
Kegels
Schijnbessen
Bloemplanten = één of
Korstmossen tweeslachtige bloemen,
verschillende soorten stampers, meeldraden,
o korstvormig bloembekleedsels
o bladvormig
o struikvormig
Bedektzadige
Loofbomen
Symbiose tussen alg en o Enkelvoudig/
schimmel
samengesteld
Alg voedingsstof
o Gebold, gezaagd
Schimmel
o Handnervig, veernervig
uitdroging
Struiken
Kruiden
Gevoelig voor
Bladeren met bladschijf
luchtverontreiniging
Verschillende vruchtvormen
Boomalgen noordwestelijke kant van bomen (belgië en Nederland)
techniek
1ste. Planten
1ste.1 Het plantenrijk geordend
1ste.1.1 Inleiding
1. Systematische indeling: levende wezens
2. Indeling van het plantenrijk
3. Organisme determineren
4. Didactische vertaling
1ste.1.2 Doelen
1. De noodzaak aan systematische indeling verwoorden.
2. Een historisch overzicht geven van de systematiek.
3. De wijzigingen in de systematiek verklaren vanuit wetenschappelijk
en/of technologische ontwikkelingen.
4. Enkele algemene kenmerken opsommen van zaadplanten,
varenplanten, mosplanten, wieren, zwammen, bacteriën en virussen.
5. Planten indelen in een bepaalde afdeling aan de hand van
afbeeldingen van planten en/of aan de hand van de namen van
planten.
6. Een determineertabel gebruiken.
7. Zelf een determineertabel opstellen.
8. Begrippen die voorkomen in de cursus omschrijven op studentniveau
én op niveau van leerlingen van de 3de graad lager onderwijs.
9. De kern van natuuronderwijs schematisch weergeven, uitleggen en
toepassen op een les.
10. Enkele grondprincipes voor het natuuronderwijs opsommen, uitleggen
en toepassen op voorbeeldlessen en eigen lessen.
1ste.1.3 De 5 rijken, een historisch overzicht
CLASSIFISEREN ORGANISME
4DE EEUW:
Aristoteles
2 groepen (waarneembare kenmerken)
Levende organisme Niet-levende organisme
Animalia Plantae Mineralia
Dieren Planten Niet levende materie
Fossielen
, 1866
Ernst H. Haeckel
3 groepen
Levende organisme Niet-levende organisme Protisten
Animalia Plantae Mineralia protisten
Dieren Planten Niet levende materie Bacteriën
Fossielen Gisten
Wieren
protozoa
Prokaryoten = DNA wordt niet omringt door een kernwand, het ligt vrij in het cytoplasma.
Eucaryoten = DNA ligt in een aparte celkern en is omgeven door een membraanstructuur
1969
Robert H. Whittaker
5 groepen
Dieren Planten Fungi Protisten Monera
zwammen
heterotroof autotroof heterotroof autotroof autotroof
meercellig meercellig meercellig heterotroof heterotroof
fotosynthese eencellig eencellig
bladgroen fotosynthese fotosynthese
chemosynthese chemosynthese
soms bladgroen bladgroen
insecten varens schimmels éénceligge planten blauwwieren
zoogdieren mossen zwammen ééncellige dieren bacteriën
holtedieren meercellige wieren gisten … …
… … …
VIRUS = Obligaat parasiet
Leven Bacteriën
Geen cel Vorm
Heeft iemand nodig om zich te reproduceren Klokken
Bacillen
Spirillen
Vibrionen
Functie
Reducenten = een opruimer
die organische bestanddelen
terug omzet in anorganisch
materiaal
Voedingsindustrie
Ziekteverwekkers
Gentechnologie
,NU :
SYSTEMATIEK = biologie die organisme overzichtelijk ordend d.m.v. criteria of kenmerken
VOORTPLANTING
16de EEUW:
Van Helmond (1577-1644)
Spontane generatie = levend materiaal ontstaat uit niet-levend
materiaal.
14de-16de EEUW:
Renaissance
1ste ernstige poging gestructureerd classificeringssysteem
17e EEUW:
Antonio Van Leeuwenhoek (1632-1723)
Vond de microscoop uit
1ste persoon levende zaadcellen van een mannetjesdier zag
17e EEUW:
F.Redi (1626-1698)
Expiriment = Leven ontstaat uit leven
19de EEUW:
L. pasteur (1822-1895)
bacteriën ontstaat uit bacteriën
NAAMGEVING
1731
Carl Von Linné
L = afk voor Linnaeus
Binominale systeem = elk organisme krijgt een geslachtsnaam en een soortnaam (2
namen).
, 1.1.2 Indeling van het plantenrijk
Indeling
Betere aanpassing aan droger landleven
Wieren Mossen Paardenstaarten Varens Zaadplanten
Eenvoudigste bouw Haartjes Vaatplanten Wortelstok Zaad = embryonaal plantje met
(vasthechten) (voedingstranspot voedsel voor kiemperiode
Geen wortels ) Veernervige
Water opnemen met bladeren Vaatbundels
Geen stengels blaadjes Wortels
Sporendrager Bladere/stengels (wasachtige laag)
Geen bladeren Geen vaatbundels Stengels/bladeren s (onderkant)
(wasachtige laag) Het grootst
Fotosynthese Leven in groep Geslachtelijke
(kussentjes) Houtachtig voortplanting Verstevigde stengel
Vooral in water materiaal (stevig)
(vochtige omgeving) Sporendragers/ Hoger dan Zaad embryonaal plantje
kapsel bomen, ontstaan kiemplantje
Leveren helft van O2 in eerste fossiele coniferen= altijd éénslachtige
de atmosfeer Spore = omhuld brandstoffen. bloemen zaadschub, stuifmeelblad,
erfelijk materiaal geen of weinig ontwikkelde
Soms heel klein Groeien in hoogte bloembekleedsels
(eencellig) zaden
Aanslag op Sporendrager Kegeldrager
aquariumruit Geslachtelijke =Wortelstok met
voortplanting plantenstengels Naaktzadigen
Voorplanten = en Dennenbomen
ongeslachterlijk/spore gespecialiseerde o Spar (naalden solo)
n stengel o Den (naalden duo)
(eiervormig) o Lariks (naalden legio = in
groepjes)
Geslachtelijke Struiken
voortplanting Naalden
Schubben
Kegels
Schijnbessen
Bloemplanten = één of
Korstmossen tweeslachtige bloemen,
verschillende soorten stampers, meeldraden,
o korstvormig bloembekleedsels
o bladvormig
o struikvormig
Bedektzadige
Loofbomen
Symbiose tussen alg en o Enkelvoudig/
schimmel
samengesteld
Alg voedingsstof
o Gebold, gezaagd
Schimmel
o Handnervig, veernervig
uitdroging
Struiken
Kruiden
Gevoelig voor
Bladeren met bladschijf
luchtverontreiniging
Verschillende vruchtvormen
Boomalgen noordwestelijke kant van bomen (belgië en Nederland)