Klinische psychologie:
- Houdt zich bezig met het ontstaan, diagnostiek en behandeling van psychische stoornissen
- 3 G’s: gedachten, gevoelens, gedrag
Seligman, et al: 7 factoren om te bepalen of gedrag abnormaal of pathologisch is. Hoe meer factoren
en hoe meer aanwezig, hoe duidelijker je kunt spreken van ‘abnormaal’. Tenminste 1 factor voor
abnormaliteit; dit wil niet zeggen dat er sprake is van een psychische stoornis.
1. Persoonlijk lijden
2. De (dis)functionaliteit van het gedrag
3. Irrationeel en onbegrijpelijk gedrag
4. Onvoorspelbaarheid en controleverlies
5. Opvallend en onconventioneel gedrag
6. Gedrag dat een ongemakkelijk gevoel bij anderen teweegbrengt
7. Het overtreden van morele normen
3 modellen die normaal/abnormaal gedrag onderscheiden:
1. Statistisch model: Menselijke eigenschappen zijn min of meer normaal verdeeld. Van
abnormaliteit wordt gesproken bij extreem lage of hoge scores op een betrouwbare en
valide schaal.
- Waar ligt precies de grens tussen abnormaal en normaal?
- Specificeert niet hoe ongewoon gedrag moet zijn om het abnormaal te kunnen
noemen
- Maakt geen onderscheid tussen statistische afwijkingen die gepaard gaan met
individueel lijden en afwijkingen waarvoor dit niet geldt (veel uitzonderlijke
gedragingen zijn niet pathologisch)
- Continuum (ernst/duur)
2. Medisch/ziektemodel: Oorzaken van psychische stoornissen moeten worden gezocht in
onderliggende mechanismen. Deze kunnen somatogeen (lichamelijk) of psychogeen
(psychologisch) zijn. -> Onderliggende mechanismen moeten worden bestreden.
- (ook behandeling en relatie ther./cliënt) De therapeut is deskundige en de cliënt is
‘ziek’. De therapeut speurt de oorzaak op en geneest deze d.m.v. een therapieplan.
- Term ziekte stigmatiserend, patiënt heeft passieve rol, bij veel psychische stoornissen
geen onderliggend mechanisme aangetoond
3. Onderwijsmodel: Stoornissen zonder duidelijke oorzaak, zijn ontstaan door verkeerd gelopen
leerprocessen.
- (ook behandeling en relatie ther./cliënt) De leraar en leerling worden onderscheiden.
De ziekte wordt omschreven als persoonlijk probleem (niet als ziekte of
abnormaliteit). Geen diagnose, maar een leerdoel. Geen ‘therapie’, maar ‘uitvoering
van een onderwijsproramma’.
- Minder stigmatiserend, meer eigen verantwoordelijkheid bij de cliënt (verhouding
cliënt & hulpverlening = meer gelijkwaardig (gedeelde besluitvorming))
Leertheoretische benadering
,Klassieke conditionering (Pavlov): een neutrale stimulus wordt gekoppeld aan een onvoorwaardelijke
stimulus die een onvoorwaardelijke respons oproept. Door herhaaldelijke koppeling kan de neutrale
stimulus een voorwaardelijke respons uitlokken.
- Onvoorwaardelijke stimulus (UCS): Biologisch wat zorgt voor een reactie. Een stimulus die
automatisch een reactie uitlokt zonder voorafgaande conditionering (bijv. gebeten worden of
hard geluid)
- Onvoorwaardelijke respons (UCR): De automatische reactie op de UCS, zonder
conditionering (bijv. pijn, schrikken)
- Neutrale stimulus (NS): Een stimulus die oorspronkelijk geen specifieke respons uitlokt.
- Voorwaardelijke stimulus (CS): De eerder neutrale stimulus die na conditionering een
respons uitlokt.
- Voorwaardelijke respons (CR): De reactie op de CS na conditionering (bijv. angst).
- Appetitieve (aangenaam) of aversieve (onaangename) onvoorwaardelijke prikkel (OP)
- Instrumentele conditionering: Stimulus (S), respons (R) en uitkomst (O).
- Stimulus-Respons leren (S-R): directe verbinding leggen tussen voorwaardelijke prikkel (VP)
en VR (voorwaardelijke respons)
- Stimulus-stimulus (S-S) leren: geconditioneerde respons wordt gemedieerd door een VP-OP
associatie.
- Latente inhibitie: conditionering verloopt trager als de VP vooraf zonder OP aangeboden is.
- Generalisatie: angst breidt zich uit naar gerelateerde stimuli.
Verslaving/craving
, - Klassieke conditionering: VP’s worden geassocieerd met de inname van een product. VP’s
kunnen dan craving naar een product (VR) uitlokken.
- Instrumentele conditionering: Consumptie wordt beloond door positieve consequenties of
door reductie van negatieve toestand.
- Doelgericht gedrag: gebaseerd op associaties tussen responsen en uitkomsten = R-O
leren
- Gewoontegedrag: gebaseerd op associaties tussen stimuli en responsen, maar wordt
niet gemedieerd door de uitkomst vh gedrag = S-R leren
- Naarmate het leren vordert worden gedragingen steeds meer een gewoonte, steeds
meer stimulus-respons leren. De uitkomst maakt niet meer uit.
Associatief leren: automatisch, gebaseerd op herhaalde koppelingen
- Associatieve theorie:
- Psychopathologie ontstaat door onbewuste associaties tussen stimuli en reacties.
- Pathologische reacties zijn het gevolg van automatisch aangeleerde koppelingen
- Automatisch, stimulus–respons
- Gebaseerd op klassieke conditionering
- Therapie: Desensitisatie, exposure-therapie → herconditioneren van associaties
vs
Propositioneel leren: bewust, gebaseerd op redeneren en interpretatie
- Propositionele theorie:
- Psychopathologie ontstaat door bewuste overtuigingen en proposities over de
wereld, het zelf of anderen.
- Pathologische overtuigingen zijn gebaseerd op interpretaties en inferenties, niet
alleen op directe ervaringen
- Leren via redeneren, causaliteit en betekenisgeving
- Bewust, proposities/verklaringen
- Cognitieve overtuigingen/interpretaties
- Therapie: Cognitieve herstructurering → uitdagen en herstructureren van
disfunctionele proposities.
Cognitieve benadering
- Schema’s bevatten gegeneraliseerde kennis over de wereld, over de persoon zelf, en over de
interactie tussen de persoon en de buitenwereld.
- Schema’s sturen de infoverwerking
- Hierdoor kunnen ook vertekeningen optreden: bias.
- Meerdere schema’s kunnen tegelijkertijd geactiveerd worden. Actuele
omstandigheden en stemming kunnen ook beïnvloeden welk schema wordt
geactiveerd.
- Schema’s worden in de loop van de ontwikkeling opgebouwd.
- Selectiebias: info die niet klopt met het schema wordt niet waargenomen.
Interpretatiebias: info wordt zo geïnterpreteerd dat het klopt met het schema.
- Assimilatie: nieuwe info wordt vervormd zodat het alsnog in het schema past.
Accommodatie: aanpassing van het schema zodat het strookt met de nieuwe info.
, - Selectieve interpretatie: Info opvatten zodat schema’s worden bevestigd, speelt een
rol bij ontstaan en instandhouding psychopathologie
- Geheugenbias: dingen die te maken hebben met de persoon zelf en een negatieve
emotionele lading worden gemakkelijker herinnerd dan andere.
- Vooral kenmerkend voor depressieve stoornissen.
- Depressie is gericht op verliesthema’s en verleden (geheugenbias).
- Heuristiek = strategieën die worden gehanteerd in het verwerken van info en in de
oordeelsvorming. Dit biedt voordelen: in veel gevallen snel en juist oordeel. Maar soms
grove biases.
- Cognitieve therapie: Gebaseerd op het idee dat psychopathologie voortkomt uit de wijze
waarop mensen info selecteren en verwerken. In therapie wordt (automatische) manier van
informatieselectie en interpretatie bewust gemaakt en beïnvloed d.m.v. reflectie en toetsing
aan de werkelijkheid.
- Doel = verandering op niveau van schema’s.
Humanistische benadering
- Ontstaan vanuit Rogers en Maslow.
- Psychopathologie = een blokkade in de zelfactualisatie (het realiseren van je mogelijkheden
en authenticiteit)
- Humanisten stellen de persoonlijke bewuste beleving van het individu voorop. Geen oorzaak
van gedrag achterhalen, maar het in het hier-en-nu te begrijpen = fenomenologische
benadering. Men richt zich op begrijpen van gedrag ipv oorzaak-gevolg.
- Behandeling:
- Cliëntgerichte therapie (ook wel proces-experiëntiële/emotiegerichte therapie)
- Onvoorwaardelijke pos waardering, empathie → (voldoende)
zelfacceptatie
- Therapeut moet:
1. congruent zijn (echtheid): zichzelf, open en eerlijk in de relatie
2. onvoorwaardelijke acceptatie voor de cliënt hebben
3. invoelende, empathische wijze
- Emotion Focused Therapy (EFT)
- Gericht op bewustwording cliënt van emotionele belevingen en verandering
- Evocatieve ontvouwing, focusing, en tweestoelendialogen
- Evocatieve ontvouwing: op een belangrijke gebeurtenis ingaan om
bij de meest saillante momenten stil te staan en opkomende
belevingen in te laten werken.
- Focusing: vage gevoelens middels lichamelijke beleving nader
exploreren en van betekenis voorzien.
- Tweestoelendialogen: in de ene stoel geeft de cliënt een bepaalde
emotie weer en in de andere kan hij nagaan hoe dat overkomt
- Soms geen verandering van emoties, alleen regulering ervan (emoties
verdragen, ervan bewust zijn, ze onder woorden brengen en ze adequaat
gebruiken)