1a. Samen leven in Nederland
De student kent de dynamiek en de wisselwerking tussen individu en
samenleving en weet wat dat betekent voor de disciplines Social Work
en Sociologie.
(Problematisch) gedrag van individuele en groepen mensen vindt plaats in
wisselwerking met de context waarin mensen wonen, werken, leven. Social
workers willen graag dat eenieder tot hun recht komt, in wie ze zijn of zullen
worden. Professionals in sociaal werk streven ernaar dat mensen zich, in
wisselwerking met hun sociale omgeving, zo goed mogelijk kunnen ontplooien
naar hun eigen aard, mogelijkheden, behoeften en opvattingen.
Het eerste artikel van de beroepscode formuleert dat als het ‘bevorderen dat
mensen tot hun recht komen’. Professionals werken vanuit het besef dat
het individu altijd in wisselwerking met zijn sociale omgeving leeft. Het
bevorderen van welzijn heeft dan ook altijd individuele en contextuele aspecten
die elkaar steeds onderling beïnvloeden.
Die onderlinge wisselwerking maakt dat de professional een brede
verantwoordelijkheid heeft naar: het individu, gezinsverbanden, groepen,
gemeenschappen, en naar de samenleving als geheel. En dat de persoon altijd
alleen begrepen en ondersteund kan worden binnen de verschillende
levenssferen waarvan hij deel uitmaakt. Mensen floreren in een
samenleving die als inclusief, rechtvaardig, zorgzaam en betrokken ervaren
wordt. Een professional richt zich dus op het:
microniveau van het individu
mesoniveau van de directe sociale omgeving
macroniveau van de ordening van de samenleving (in termen van
wetgeving, beleid en voorzieningen)
Door decentralisatie is ons vakgebied enorm veranderd. Sociaal werkers
richten zich op het begeleiden en ondersteunen van mensen om hun dagelijkse
leven weer op te pakken en mee te doen in de samenleving. Als sociaal werker
ga je met gedrag aan de slag.
Sociologen proberen sociale vraagstukken in de samenleving en de
maatschappelijke structuren te verklaren. Volgens de sociologie ligt de oorsprong
van ons gedrag voor een groot deel in het feit dat we sociale contacten
onderhouden. Daar krijgt ons gedrag betekenis.
Sociologie: elk persoon is deel van verschillende
gemeenschappen/collectiviteiten (je bent niet je opleiding, je etniciteit, je
ziektebeeld).
Op zoek naar patronen en verklaringen
Groepen mensen observeren
, Op zoek naar duiding van gedrag/kijken en registreren gedrag (niet naar
oplossingen van problemen die daaruit voortkomen, ze veranderen er verder
niets aan)
Identiteit is een sociale constructie: elk persoon voegt zijn/haar eigen mening
toe en geeft inhoud aan zijn/haar identiteit en relaties met anderen. Samenleving
bestaat uit alle verschillende personen met hun eigen
identiteit.
zoon/ leeftijd
dochter religie
Mensen staan constant met elkaar in contact, gaan van
vriendschappen aan, werken samen, vertrouwen Seksuele
sekse
voorkeur
elkaar of juist niet. Ze maken deel van sociale
Identitei
verbanden. opleiding
t
kleur
In plaats van een sociale groep als een verzameling Sociaal
econo-
van individuen te beschouwen, kijkt sociologie naar mische
positie
partner
Psychisch
hoe sociale verbanden een voorwaarde zijn voor e/
mentale Professie
gedrag. conditie etniciteit
Gedrag leren we kennen uit eerdere sociale
ervaringen; achter de eenvoudigste dingen die we doen, gaan vaak immense
ketens van contacten en relaties schuil en die hebben onmiskenbaar een
effect op ons gedrag.
Dingen die mensen als hoogstpersoonlijk aanvoelen zoals meningen, problemen,
prestaties en gevoelens, zijn door en door gekleurd door sociale verbanden en
contacten waar ze deel van uitmaken of hebben gemaakt. (Bv: discriminatie of
armoede) Micro-meso-macro is daarbij van belang. Bij voorkomende problemen is
het belangrijk om te kijken naar de context. Microprobleem is verbonden aan
context. Ze hebben iets met elkaar gemeen (bv: flat, toewijzing sociale
huurwoning).
Groepen komen tegenover elkaar staan (polarisatie), doordat beide groepen
verschillende waarden hebben. Er is een derde groep die zoekt naar verbinding
door een tussenweg te bedenken. Manieren waarop gereageerd wordt op
spanningen: desinteresse, verlamming (afsluiten van het nieuws, omdat het te
groot of te veel is) of creativiteit: innovatie, beweging (echt willen zorgen voor
verandering).
De student heeft inzicht in hoe rollen sociale interactie en gedrag elkaar
beïnvloeden.
Gedrag krijgt betekenis doordat het zich afspeelt binnen sociale verbanden.
Zodra rollen veranderen in sociale verbanden, zal het gedrag in de groep vaak
ook veranderen. Niet alleen letten op het individu maar ook op hoe een individu
is in een gebied van tal groepen en relaties. Zoeken naar het effect van de
sociale verbanden waarvan we deel uitmaken op ons gedrag = sociologische
verbeeldingskracht.
Interactie: als mensen zich bewust zijn van elkaar en hun gedrag op elkaar
richten. Verbaal (praten, schrijven) en Non-verbaal (in taal, lichaamshouding,
attributen)
, Sociaal gedrag als een soort rollenspel: bij verschillende situaties horen
verschillende gedragingen, verschillende versies van onszelf. Je reageert bv
anders op je ouders dan op docent/kleed je anders als je uitgaat dan naar werk.
Rollen zijn complementair: ze veronderstellen elkaar, vullen elkaar aan. (Docent
– Student, Ouder – Kind, etc.) Bij deze rollen horen verwachtingen. Als deze
verwachtingen niet waar kunnen worden gemaakt kunnen er 3 dingen gebeuren:
1. Rolovertreding: de ene rol neemt de rol van de andere over leidt tot
verwarring. (Bv: kinderen zorgen voor hun ouders i.p.v. andersom)
2. Impression management: zorgen voor een goede eerste indruk (Bv: bij
sollicitatie)
3. Rolconflict: 2 rollen gaan door elkaar lopen. (Bv: Je moeder is ook je
docent)
Rollenpatronen: wanneer bepaalde rollen vaker worden gecombineerd door
bepaalde personen. (Bv: man werkt, vrouw zorgt thuis voor kinderen) Hierachter
zitten veel stereotypes, maar ze versterken dit ook.
Civil disattention: negeren uit beleefdheid
Frontstage: zet je je publiek zichtbare rol neer (Bv: ober die aardig is voor
klanten)
Backstage: onderhoud je het contact met je team van mede-acteurs (Bv:
mopperen over veeleisende klanten met andere obers)
De student heeft inzicht in de invloed van het socialisatieproces op het
gedrag van mensen.
Doordat we vaak al soortgelijke situaties hebben meegemaakt kennen we die
rollen en verwachtingen. Ons gedrag raakt sociaal aangepast aan groepen die
belangrijk voor ons zijn. Het proces waarbij iemand de normen, waarden,
cultuurkenmerken van de samenleving of groep aanleert heet socialiseren.
Primaire socialisatie: kinderen leren basisvaardigheden van sociaal gedrag
vaak in gezin. Impliciete leerprocessen: aanleren van gedrag vaak door
imitatie gedrag.
Secundaire socialisatie: mensen leren zich sociaal te gedragen in ruimere
verbanden en door socialiserende instituties (Bv: school of overheid (wetten
waar je je aan moet houden))
Tertiaire socialisatie: mensen weten hoe ze zich in een bepaalde situatie
sociaal (zouden moeten) gedragen ook al hebben ze het niet zelf
meegemaakt. (Door media: tv, films) Belangrijk voor de verspreiding van
onze cultuur en ons gedrag.
Vanuit een eigen referentiekader denken heeft het gevaar van (ver)oordelen
van de ander in zich.
1b. Participeren in stad en platteland
De student heeft kennis over de dynamieken tussen platteland en stad.
Vanaf 1850 trek naar de stad door industriële revolutie. Vanaf ‘60 trek naar het
plattelanden; groeikernen vanwege betaalbare woningen daar en meer mobiliteit.