Ik heb dit examen zo ontworpen dat het zoveel mogelijk lijkt op de
kennistoetsen voor SUMMA en PMG Groningen. Ik kan je verzekeren dat deze
vragen, gebaseerd op mijn ervaring met de selectieprocedure van 2025,
ongeveer het niveau hebben dat je van het examen mag verwachten.
Een extra tip: bij SUMMA was er iets meer immunologie dan ik had verwacht
en bij PMG Groningen meer spierfysiologie en feedbackloops. Ik kan echter
niet zeggen dat dit bij de selectie van dit jaar het geval zou zijn.
Ik hoop dat dit een goede oefening voor je wordt en dat het je helpt slagen en
toegelaten te worden! Veel succes!
(Vragen 101 t/m 120 zijn alleen farmacologie en dus alleen stof voor de SUMMA
kennistoets.)
Vragen:
Vraag 1
In welke type spierweefsel hebben calciumkanaalblokkers invloed op de
contractiekracht?
A. Alleen skeletspierweefsel
B. Alleen hartspierweefsel
C. Zowel hart- als skeletspierweefsel
Vraag 2
Welk ion heeft intracellulair de hoogste concentratie?
A. Na⁺
B. K⁺
C. Ca²⁺
D. Cl⁻
Vraag 3
Hoe verandert een erytrocyt in een hypotone oplossing?
A. Krimpt
B. Zwelt op en barst
C. Blijft onveranderd
Vraag 4
Wat is de verschil tussen apoptose en necrose?
A. Bij apoptose treedt geen ontstekingsreactie op
B. Bij apoptose sterven altijd meerdere cellen tegelijk
C. Bij apoptose is er altijd DNA-fragmentatie zonder celdood
Vraag 5
Welke witte bloedcel is na één dag het talrijkst aanwezig bij een acute ontsteking?
A. Lymfocyt
, B. Monocyt
C. Neutrofiele granulocyt
D. Eosinofiele granulocyt
Vraag 6
Wat is de rustmembraanpotentiaal van een typische zenuwcel?
A. +30 mV
B. 0 mV
C. –70 mV
D. –90 mV
Vraag 7
Welke ionenstoom is meest verantwoordelijk voor de depolarisatiefase van het
actiepotentiaal?
A. Influx van Na⁺
B. Influx van K⁺
C. Efflux van Na⁺
D. Efflux van Cl⁻
Vraag 8
Welk onderdeel van een spiercel slaat calcium op?
A. Sarcolemma
B. T-tubuli
C. Sarcoplasmatisch reticulum
D. Golgi-apparaat
Vraag 9
Wat is de primaire pacemaker van het hart?
A. AV-knoop
B. Bundel van His
C. SA-knoop
D. Purkinjevezels
Vraag 10
Welke spiervezel is het meest bestand tegen vermoeidheid?
A. Type I
B. Type IIa
C. Type IIb
D. Type III
Vraag 11
Wat gebeurt er bij depolarisatie in de hartspiercel?
A. Influx van Ca²⁺
B. Influx van Na⁺
C. Efflux van K⁺
D. Influx van Cl⁻
Vraag 12
Wat veroorzaakt de plateau-fase in het actiepotentiaal van een hartspiercel?