Inhoudsopgave
Leerdoelen ondernemingsrecht..................................................................................................................... 1
Hoofdstuk 1 | Rechtspersonen, algemene thema’s.............................................................................................3
Hoofdstuk 2 | Vereniging.....................................................................................................................................6
Hoofdstuk 3 | Coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij.......................................................................9
Hoofdstuk 4 | Naamloze- en besloten vennootschap........................................................................................13
Hoofdstuk 5 | Stichting.......................................................................................................................................22
Hoofdstuk 8 | Personenvennootschappen.........................................................................................................26
Hoofdstuk 9 | Medezeggenschap.......................................................................................................................31
Hoofdstuk 1 | Rechtspersonen, algemene thema’s.............................................................................................1
Hoofdstuk 2 | Vereniging.....................................................................................................................................4
Hoofdstuk 3 | Coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij.......................................................................8
Hoofdstuk 4 | Naamloze- en besloten vennootschap........................................................................................11
Hoofdstuk 5 | Stichting......................................................................................................................................16
Hoofdstuk 8 | Personenvennootschappen.........................................................................................................19
Hoofdstuk 9 | Medezeggenschap......................................................................................................................23
bv/nv
vereniging
rechtspersoon art 2:3 BW stichting
natuurlijk persoon art 1:1 onderlinge
BW waarborgmaatschappij
rechtssubject Eenmanszaak cooperatie
maatschap
personenvennootschap
CV
(overeenkomsten)
VOF
Rechtspersonen:
1. Publiekelijk (art 2:1)
2. Kerkgenootschap (art 2:2)
3. Privaatrechtelijk (art 2:3)
,! art 2:5 BW > een rechtspersoon staat wat het vermogensrecht betreft, gelijk aan een
natuurlijk persoon tenzij de uit de wet anders voortvloeit.
Handelsregisterwet > inschrijving biedt rechtszekerheid in het rechts-/handelsverkeer (zie
art 5 handelsregisterwet 2007).
,Hoofdstuk 1 | Rechtspersonen, algemene thema’s
1.2
Art 2:17 BW bepaald dat een rechtspersoon wordt opgericht voor onbepaalde tijd. Deze
wordt opgericht in een zelfstandig vehikel, een voor het rechtsverkeer zelfstandig “persoon”.
In tegenstelling tot een natuurlijk persoon is een rechtspersoon niet afhankelijk van de
geestelijke- en lichamelijke gezondheid. Dit zorgt ervoor dat de continuïteit van een
onderneming minder snel verhinderd zal worden. Door oprichting van een rechtspersoon
komen belangen van de betrokken personen, zoals werknemers, leveranciers, klanten en
vermogensverschaffers samen in een organisatie, die niet gebonden is aan één natuurlijk
persoon die alle beslissingen neemt.
Aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid (art 2:8 lid 1 BW) > heeft een
aanvullende werking (regels) aan de hand van redelijkheid en billijkheid. Uiteraard zijn dit
“eerlijke” regels in dat geval. Met alle belangen moet rekening worden gehouden
(werknemers, kapitaalverschaffers, management).
Derogerende werking / beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (art 2:8 lid 2 BW)
> houdt in dat een tussen partijen geldende regel buiten toepassing blijft indien die
toepassing naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De regel is
dus niet nietig, maar wordt niet toegepast.
1.3
Een publiekrechtelijk rechtspersoon kan privaatrechtelijke rechtshandelingen verrichten
(gemeente verkoopt bouwkavels, recht van erfpacht vestigen, etc). Het is gebruikelijk om
ondergeschikten volmacht bevoegdheid te geven om rechtshandelingen namens een
rechtspersoon te verrichten.
De openbare lichamen hebben op grond van art 2:1 BW rechtspersoonlijkheid. De
bepalingen van BW 2 (behoudens art 2:5) zijn niet van toepassing. De boeken 3-10 BW zijn
wel van toepassing op overheidslichamen.
1.4
Het oprichten van een privaatrechtelijke rechtspersoon is een rechtshandeling. Gedurende dit
proces is het belangrijk om een rechtsvorm vast te stellen. Hierbij zijn een aantal factoren
belangrijk, namelijk:
1. Met hoeveel personen wordt een rechtspersoon opgericht (één of meerdere?);
2. Is winstuitkering aan de ondernemer toegestaan?;
3. Zijn de functionarissen aansprakelijk voor de schulden van de organisatie?;
4. Wordt de winst bij de rechtsvorm zelf belast met winstbelasting (belastingplichtig)?
Een rechtspersoon wordt bij een (authentiek) notariële akte opgericht. Dit wordt bepaald
voor verschillende privaatrechtelijke rechtspersonen:
, Vereniging > art 2:27 BW (alleen formeel)
Coöperatie en omw > art 2:54 BW
Nv > art 2:64 BW
Bv > art 2:175 BW
Stichting > art 2:286 BW
De oprichters dienen voor de notaris te verklaren een rechtspersoon te willen oprichten
(wilsverklaring, art 3:33). De oprichter kan ook een volmacht overdragen aan een ander. Het
ondertekenen door comparanten en de notaris wordt ook wel passeren genoemd. Op dat
moment is de rechtspersoon rechtsgelding opgericht.
Comparanten > persoon die voor de rechter of notaris verschijnen om iets persoonlijk te
verklaren (ondertekenen authentieke akte).
Indeling verklaringsakte:
1. Verklaring van de comparant (of de ander) om een rechtspersoon op willen te
richten
Zie blz 35 voor voorbeeld.
2. Eerste statuten van de rechtspersoon
Een rechtspersoon wordt geregeerd door de wet en statuten. Zij zijn het
fundament van de juridische organisatie waaraan leden, aandeelhouders,
bestuurder, etc. zijn onderworpen.
3. Vermelding van de namen van de eerste bestuurders, eerste aandeelhouders en de
overeenkomst tot storting op aandelen (alleen bij nv of bv), systeemvereisten
Er moet een bestuurder(s) zijn. Bij een nv of bv moet er ook tenminste één
aandeelhouder zijn (art 2:64 lid 1 jo art 2:175 lid 1 BW). Hiermee wil de wet
voorkomen dat een nv of bv een verkapte stichting wordt. Het systeem dat de
wet voor ogen heeft, zou anders niet functioneren.
Bij een stichting, vereniging, coöperatie en omw bepaalt de wet dat er
tenminste één lid moet zijn (art 2:19 lid 1 sub d BW).
4. Ondertekening door comparant(en) en notaris
-
1.5 –
1.6 corporate governance
Verankering????
Letterlijke betekenis = verantwoord ondernemingsbestuur (goede uitvoering).
Corporate governance gaat over goed bestuur van beursgenoteerde bedrijven en het
toezicht daarop. Het regelt verhoudingen tussen bestuurders, commissarissen en
aandeelhouders. De code beschermt het belang van de aandeelhouders, werknemers en