Seminar 1 (H2)
Wat moet een T2-leerder leren?
- Fonologie > klanken
- Lexicon > woordenschat
- Morfologie > denk aan vervoegingen, meervoud van woorden,
samenvoeging van woorden
- Syntaxis > grammatica
- Semantiek > betekenis van woorden
- Pragmatiek > acties geven aan taal
Derivatie = als je iets afleidt van een ander woord, kan een verschil in
lexicale klasse veranderen: huiswerk > huiswerkopgaven > verhuizen
Inflectie = werkwoordvervoeging: huis > huizen
Prescriptief: regeltjes, iets aan iemand voorschrijven, hoe het hoort.
Descriptief: beschrijven wat er is, gaat niet om de regels, wat gebeurt er.
Waarom bestuderen we tweedetaalverwerving?
- Taalonderwijs
- Klinische praktijk (tweetaligheid, logopedie)
- Taalbeleid (inburgering, onderwijs, vroeg vreemdetalenonderwijs)
- Theorieën over taal en taalkennis
- bijvoorbeeld: bestaat er een aangeboren taalvermogen? Wat is
het precies? Hebben volwassenen daar toegang toe?
Modellen van taalverwerking
Information processing
- Stroop effect
- Automatische verwerking > snel, onbewust/moeiteloos
- Deze manier van verwerking wordt alleen bereikt met veel oefening.
- Je leest een kleur maar het woord is een andere kleur: groen
Expliciete/declaratieve kennis = moet je over nadenken, alles kost
werkgeheugenbelasting theoretische kennis. (Weten dat)
- .. de vorm van de verleden tijd stam + te/de is
Impliciete/procedurele kennis = vanuit emotie en intuïtie, het gaat al
automatischer maar nog wel over nadenken. (Weten hoe…/kunnen…)
Beheers je dit allebei goed, dan wordt het automatisch
- ALS ik de verleden tijd van een werkwoord wil vormen DAN doe ik
stam + de/te
Kennis begint als declaratieve kennis
- Weten dat …
Na oefening ontstaat procedurele kennis (proceduralisatie)
- Weten hoe … / kunnen …
Na proceduralisatie komt automatisering
- Sneller; betere en meer verfijnde ALS-DAN paren; minder belasting
van geheugencapaciteit
,Kan expliciete
kennis impliciete kennis worden?
1. Non-interface position nee
- Stelling: Expliciete kennis (regels, grammaticale uitleg) en impliciete
kennis (intuïtief taalgebruik) zijn volledig gescheiden systemen.
- Implicatie: Expliciet leren kan nooit impliciete verwerving opleveren.
- Belangrijkste naam: Krashen (Universele Grammatica).
- Voorbeeld: Je kunt alle grammaticale regels van Frans leren, maar
dat betekent niet dat je vloeiend Frans spreekt.
2. Strong interface position ja
- Stelling: Expliciete kennis kan volledig omgezet worden in impliciete
kennis, mits er genoeg oefening is.
- Implicatie: Regels leren → oefenen → automatisering → impliciet
gebruik.
- Voorbeeld: Eerst leer je de Engelse regel voor verleden tijd (-ed), en
door veel herhaling gebruik je die later vanzelf zonder nadenken.
3. Weak interface position ja, maar alleen direct
- Stelling: Expliciete kennis kan impliciete verwerving ondersteunen,
maar alleen als de taalleerder er klaar voor is (developmental
readiness).
- Implicatie: Bewuste kennis helpt je sneller of efficiënter leren, maar
kan niet elke impliciete stap forceren.
- Voorbeeld: Een leerling krijgt uitleg over het gebruik van de Engelse
derde persoon -s, maar past die pas correct toe wanneer de
ontwikkelingsfase bereikt is.
Non-interface → Expliciet en impliciet zijn gescheiden.
Strong interface → Expliciet kan impliciet wórden.
Weak interface → Expliciet kan impliciet leren ondersteunen, maar niet
vervangen.
,Seminar 2 (H3 & 4)
T1 verwerving vereist:
- Input
- Interactie
- Output
T2 verwerver krijgt:
- Taalaanbod > intake en begrijpelijk taalaanbod
- intake = deel van het taalaanbod dat de leerder zich eigen
maakt
- input = alle taalaanbod waaraan een leerder blootgesteld wordt
- Voor een onbekende taal is er veel input (aanbod) en weinig intake.
Input hypothese (Krashen)
Stephen Krashen stelt dat mensen een taal het beste leren door
begrijpelijke input te krijgen, oftewel taal die net iets moeilijker is dan
wat ze al begrijpen > dit moet i+1 niveau (begrijpelijk taalaanbod)
hebben. Het taalaanbod activeert onaangeboren kennis.
- i = je huidige taalniveau.
Bijvoorbeeld: als je Nederlands kunt begrijpen op A1-niveau, is dit je
i.
- +1 = een klein beetje moeilijker dan je huidige niveau. Dit is nieuw
materiaal dat je nog niet volledig beheerst, maar wel grotendeels
begrijpt.
- iemand zegt: “Het huis heeft een grote tuin” (+1). Je begrijpt het
grootste deel door de woorden die je kent, maar leert ook nieuwe
woorden zoals “tuin” en “groot”.
Probleem: wat is i en wat is 1 en hoeveel input is er dan nodig?
Hoe wordt input begrijpelijk?
- Context (plaatjes, bekende woorden)
- Foreigner talk: simpele zinnen, duidelijke articulatie, langzaam
spreken
- Hulp van de gesprekspartner: feedback, herhaling, uitleg
Foreigner talk
- Woordenschat aanpassen (veel herhaling van
woorden)
- Langzamer praten
- Kortere zinnen (syntax)
- Discourse (je houdt rekening met de ander)
Verwerking van taalaanbod/input processing
- Leerders hebben moeite met de juiste manier
van verwerken van taalaanbod. Het
werkgeheugen wordt overbelast.
- Dus:
- letten op betekenis en niet op vorm
- gebruiken redundantie = is informatie die je eigenlijk al weet,
, maar die soms helpt om iets beter te begrijpen of te benadrukken.
- gebruik van strategieën.
Input = alles wat iemand hoort of leest
Intake = niet alle input wordt verwerkt
Processing instruction = dit zijn technieken die helpen om input beter te
verwerken
Developing system = Hier wordt de taalkennis opgebouwd
Output = Dit is de taal die iemand zelf produceert
Traditionele instructie (zoals grammatica-uitleg en oefening) beïnvloedt
deze stap, omdat het helpt bij het vormen van correcte zinnen.
Processing instruction
- Taalverwerving stimuleren door juiste verwerking uit te lokken
- uitleg
- gerichte oefening
- oefenen in communicatieve situaties
Positieve evidentie
- Bewijs dat een bepaalde vorm of structuur voorkomt in T2
- Het laat zien wat mogelijk en acceptabel is in de doeltaal. Leerders
krijgen zo een gevoel voor grammatica, woordvolgorde en betekenis.
- Uitingen van een moedertaalspreker, het kind hoort wat goed is en
kan zich dit zo eigen maken.
Negatieve evidentie
- Bewijs dat een bepaalde vorm of structuur niet voorkomt in T2
- Dit is feedback op fouten, een aanwijzing dat iets niet klopt. Het kan
expliciet zijn (“Dat is niet juist”) of impliciet (zoals een
herformulering).
- Uitingen van een T2-spreker die niet begrepen worden
Output
Rollen in T2-verwerving:
- Je moet grammatica gaan
gebruiken, toepassen van het
geleerde
- Oefenen met gevorderde vormen:
pushed output
, - Hypothesen testen > trial and error, kan het wat ik nu ga proberen?
- Automatiseren
- Meer taalaanbod uitlokken
- Feedback krijgen
- Noticing the gap: ontdekken welke kennis nog ontbreekt
Pushed output:
- Clarification request (wat
zeg je?)
- Herhaling (hij liepte naar
school > docent: liepte?)
- Metalinguïstische
aanwijzingen (de of het
huis?)
- Elicatie (hoe zeg je dat
in het Nederlands?)
Bij recast help je de
leerling/zeg je het voor, bij
promts laat je het de leerling
zelf doen.
- Recasts helpen bij het
aanleren van nieuwe
kennis
- Prompts helpen bij oefenen met ophalen van bestaande kennis
Focus on forms > regels, denk aan grammaticaregels
- Bijv. elke les een nieuwe grammaticaregel
Focus on meaning > betekenis en geen aandacht aan grammatica/vorm
- Bijv. elke les een bepaald thema of functie (wat je met de taal kunt
doen), denk aan bij de bakker iets bestellen.
Focus on form > betekenis maar ook aandacht voor vorm waar nodig en
relevant
- Elke les draait om een thema + daarbij komt relevante grammatica
aan bod.
Hoe focus je op focus on form?
- Aandacht richten om vorm-betekenisrelaties te leren
- Onderhandeling: betekenis of vorm
Negotiaton of form = gebrek vocabulaire
- Doel: Begrip bereiken. Het draait om wat iemand bedoelt.
- “Ik heb een uhh”- “Bedoel je dat je een afspraak hebt?”
Negotiaton of meaning = gebrek grammatica
- Doel: Correct taalgebruik bevorderen. Het draait om hoe iets gezegd
wordt.
- “ik liepte naar school” – “Bedoel je ‘liep’?”
- Feedback: impliciet of expliciet (vgl. Negatieve evidentie)
Wat moet een T2-leerder leren?
- Fonologie > klanken
- Lexicon > woordenschat
- Morfologie > denk aan vervoegingen, meervoud van woorden,
samenvoeging van woorden
- Syntaxis > grammatica
- Semantiek > betekenis van woorden
- Pragmatiek > acties geven aan taal
Derivatie = als je iets afleidt van een ander woord, kan een verschil in
lexicale klasse veranderen: huiswerk > huiswerkopgaven > verhuizen
Inflectie = werkwoordvervoeging: huis > huizen
Prescriptief: regeltjes, iets aan iemand voorschrijven, hoe het hoort.
Descriptief: beschrijven wat er is, gaat niet om de regels, wat gebeurt er.
Waarom bestuderen we tweedetaalverwerving?
- Taalonderwijs
- Klinische praktijk (tweetaligheid, logopedie)
- Taalbeleid (inburgering, onderwijs, vroeg vreemdetalenonderwijs)
- Theorieën over taal en taalkennis
- bijvoorbeeld: bestaat er een aangeboren taalvermogen? Wat is
het precies? Hebben volwassenen daar toegang toe?
Modellen van taalverwerking
Information processing
- Stroop effect
- Automatische verwerking > snel, onbewust/moeiteloos
- Deze manier van verwerking wordt alleen bereikt met veel oefening.
- Je leest een kleur maar het woord is een andere kleur: groen
Expliciete/declaratieve kennis = moet je over nadenken, alles kost
werkgeheugenbelasting theoretische kennis. (Weten dat)
- .. de vorm van de verleden tijd stam + te/de is
Impliciete/procedurele kennis = vanuit emotie en intuïtie, het gaat al
automatischer maar nog wel over nadenken. (Weten hoe…/kunnen…)
Beheers je dit allebei goed, dan wordt het automatisch
- ALS ik de verleden tijd van een werkwoord wil vormen DAN doe ik
stam + de/te
Kennis begint als declaratieve kennis
- Weten dat …
Na oefening ontstaat procedurele kennis (proceduralisatie)
- Weten hoe … / kunnen …
Na proceduralisatie komt automatisering
- Sneller; betere en meer verfijnde ALS-DAN paren; minder belasting
van geheugencapaciteit
,Kan expliciete
kennis impliciete kennis worden?
1. Non-interface position nee
- Stelling: Expliciete kennis (regels, grammaticale uitleg) en impliciete
kennis (intuïtief taalgebruik) zijn volledig gescheiden systemen.
- Implicatie: Expliciet leren kan nooit impliciete verwerving opleveren.
- Belangrijkste naam: Krashen (Universele Grammatica).
- Voorbeeld: Je kunt alle grammaticale regels van Frans leren, maar
dat betekent niet dat je vloeiend Frans spreekt.
2. Strong interface position ja
- Stelling: Expliciete kennis kan volledig omgezet worden in impliciete
kennis, mits er genoeg oefening is.
- Implicatie: Regels leren → oefenen → automatisering → impliciet
gebruik.
- Voorbeeld: Eerst leer je de Engelse regel voor verleden tijd (-ed), en
door veel herhaling gebruik je die later vanzelf zonder nadenken.
3. Weak interface position ja, maar alleen direct
- Stelling: Expliciete kennis kan impliciete verwerving ondersteunen,
maar alleen als de taalleerder er klaar voor is (developmental
readiness).
- Implicatie: Bewuste kennis helpt je sneller of efficiënter leren, maar
kan niet elke impliciete stap forceren.
- Voorbeeld: Een leerling krijgt uitleg over het gebruik van de Engelse
derde persoon -s, maar past die pas correct toe wanneer de
ontwikkelingsfase bereikt is.
Non-interface → Expliciet en impliciet zijn gescheiden.
Strong interface → Expliciet kan impliciet wórden.
Weak interface → Expliciet kan impliciet leren ondersteunen, maar niet
vervangen.
,Seminar 2 (H3 & 4)
T1 verwerving vereist:
- Input
- Interactie
- Output
T2 verwerver krijgt:
- Taalaanbod > intake en begrijpelijk taalaanbod
- intake = deel van het taalaanbod dat de leerder zich eigen
maakt
- input = alle taalaanbod waaraan een leerder blootgesteld wordt
- Voor een onbekende taal is er veel input (aanbod) en weinig intake.
Input hypothese (Krashen)
Stephen Krashen stelt dat mensen een taal het beste leren door
begrijpelijke input te krijgen, oftewel taal die net iets moeilijker is dan
wat ze al begrijpen > dit moet i+1 niveau (begrijpelijk taalaanbod)
hebben. Het taalaanbod activeert onaangeboren kennis.
- i = je huidige taalniveau.
Bijvoorbeeld: als je Nederlands kunt begrijpen op A1-niveau, is dit je
i.
- +1 = een klein beetje moeilijker dan je huidige niveau. Dit is nieuw
materiaal dat je nog niet volledig beheerst, maar wel grotendeels
begrijpt.
- iemand zegt: “Het huis heeft een grote tuin” (+1). Je begrijpt het
grootste deel door de woorden die je kent, maar leert ook nieuwe
woorden zoals “tuin” en “groot”.
Probleem: wat is i en wat is 1 en hoeveel input is er dan nodig?
Hoe wordt input begrijpelijk?
- Context (plaatjes, bekende woorden)
- Foreigner talk: simpele zinnen, duidelijke articulatie, langzaam
spreken
- Hulp van de gesprekspartner: feedback, herhaling, uitleg
Foreigner talk
- Woordenschat aanpassen (veel herhaling van
woorden)
- Langzamer praten
- Kortere zinnen (syntax)
- Discourse (je houdt rekening met de ander)
Verwerking van taalaanbod/input processing
- Leerders hebben moeite met de juiste manier
van verwerken van taalaanbod. Het
werkgeheugen wordt overbelast.
- Dus:
- letten op betekenis en niet op vorm
- gebruiken redundantie = is informatie die je eigenlijk al weet,
, maar die soms helpt om iets beter te begrijpen of te benadrukken.
- gebruik van strategieën.
Input = alles wat iemand hoort of leest
Intake = niet alle input wordt verwerkt
Processing instruction = dit zijn technieken die helpen om input beter te
verwerken
Developing system = Hier wordt de taalkennis opgebouwd
Output = Dit is de taal die iemand zelf produceert
Traditionele instructie (zoals grammatica-uitleg en oefening) beïnvloedt
deze stap, omdat het helpt bij het vormen van correcte zinnen.
Processing instruction
- Taalverwerving stimuleren door juiste verwerking uit te lokken
- uitleg
- gerichte oefening
- oefenen in communicatieve situaties
Positieve evidentie
- Bewijs dat een bepaalde vorm of structuur voorkomt in T2
- Het laat zien wat mogelijk en acceptabel is in de doeltaal. Leerders
krijgen zo een gevoel voor grammatica, woordvolgorde en betekenis.
- Uitingen van een moedertaalspreker, het kind hoort wat goed is en
kan zich dit zo eigen maken.
Negatieve evidentie
- Bewijs dat een bepaalde vorm of structuur niet voorkomt in T2
- Dit is feedback op fouten, een aanwijzing dat iets niet klopt. Het kan
expliciet zijn (“Dat is niet juist”) of impliciet (zoals een
herformulering).
- Uitingen van een T2-spreker die niet begrepen worden
Output
Rollen in T2-verwerving:
- Je moet grammatica gaan
gebruiken, toepassen van het
geleerde
- Oefenen met gevorderde vormen:
pushed output
, - Hypothesen testen > trial and error, kan het wat ik nu ga proberen?
- Automatiseren
- Meer taalaanbod uitlokken
- Feedback krijgen
- Noticing the gap: ontdekken welke kennis nog ontbreekt
Pushed output:
- Clarification request (wat
zeg je?)
- Herhaling (hij liepte naar
school > docent: liepte?)
- Metalinguïstische
aanwijzingen (de of het
huis?)
- Elicatie (hoe zeg je dat
in het Nederlands?)
Bij recast help je de
leerling/zeg je het voor, bij
promts laat je het de leerling
zelf doen.
- Recasts helpen bij het
aanleren van nieuwe
kennis
- Prompts helpen bij oefenen met ophalen van bestaande kennis
Focus on forms > regels, denk aan grammaticaregels
- Bijv. elke les een nieuwe grammaticaregel
Focus on meaning > betekenis en geen aandacht aan grammatica/vorm
- Bijv. elke les een bepaald thema of functie (wat je met de taal kunt
doen), denk aan bij de bakker iets bestellen.
Focus on form > betekenis maar ook aandacht voor vorm waar nodig en
relevant
- Elke les draait om een thema + daarbij komt relevante grammatica
aan bod.
Hoe focus je op focus on form?
- Aandacht richten om vorm-betekenisrelaties te leren
- Onderhandeling: betekenis of vorm
Negotiaton of form = gebrek vocabulaire
- Doel: Begrip bereiken. Het draait om wat iemand bedoelt.
- “Ik heb een uhh”- “Bedoel je dat je een afspraak hebt?”
Negotiaton of meaning = gebrek grammatica
- Doel: Correct taalgebruik bevorderen. Het draait om hoe iets gezegd
wordt.
- “ik liepte naar school” – “Bedoel je ‘liep’?”
- Feedback: impliciet of expliciet (vgl. Negatieve evidentie)