Module 1: Study design
Study design (verschillende onderzoeksvormen)
Experimental -> 1 groep doet experiment + controle groep -> intervention
• Controle groep + experimenteel groep. Verschil tussen deze twee groepen.
• Je zorgt voor een verandering -> intervention
Observational -> alleen kijken naar een groep
• Ecological -> population based (mannen, vrouwen etc.) Kijkt nooit op individueel niveau.
Verschillen kan je corrigeren. Kan alleen uitspraken doen over een hele groep.
o Ecological fallocy = als je een conclusie van een groep toepast op een individu.
• cross-sectional study -> moment opnamen (vaste periode) -> alleen op een bepaald
moment.
o Grote groep mensen
o Exposure en outcome -> corralation
o Voorbeelden: relatie uren slaap en groente innamen, relatie tussen buikomtrek en
bloeddruk.
• Case-control study -> terug naar een bepaalde periode
o ''cases'' -> bijvoorbeeld patienten
o ''Controls'' -> niet patienten, maar zo gelijk mogelijke groep aan de ''cases''
o Zit een verschil tussen bijvoorbeeld voedselinname en wat voor verschil tussen de
twee groepen?
• (prospective) cohort study -> grote groep mensen die je 30 jaar gaat volgen. Je kijkt hierna
wie er hart- en vaatziektes ontwikkelen. Het is duur, het duurt lang.
,Maagdarmstelsel
Doelen:
Ingestion -> opeten
Digestion -> door het lichaam
Absorption -> opnemen in lichaam
Assimilatie -> vertering
Elimination -> uitscheiden
Vertering
1. Mechanische vertering -> geen afbraak van moleculen. Wel meer oppervlak voor enzymen
om te werken/verteren.
o Kauwen = mastification
o Maag -> kneden maag = vermengen maagsappen - churning
2. Chemische vertering -> wel het afbreken van moleculen.
o Eiwitten -> protease -> aminozuren
o Sucrose -> sucraase -> monosacchariden
Enzymen zijn specifiek voor macronutriënten. Ze katalyseren de reactie.
Mond
Tanden
• Mastication
• Enamel: calcium fosfaat
• Hardste deel van het menselijk lichaam
Speeksel
• 99% water, zouten, slijm
• Enzymen (amylase) -> vertering
• Antibacteriële stoffen (lysozyme) -> bewaking van bacteriën.
Slokdarm (esophagus)
Door bewegingen in slokdarm wordt voedsel vervoerd door slokdarm.
Als maagzuur in slokdarm komt kan er slokdarmkanker ontstaan -> te veel beschadigd.
, Maag
Het uitrekken van de maag geeft signaal van verzadiging.
Pylorus splits de maag en de dunne darm -> stukje voor stukje wordt voedsel doorgegeven.
De basiscellen, Goblet, produceren een laag slijm -> deze beschermt de maag tegen het maagzuur.
Parietal cell -> produceren het maagzuur
Chief cells -> produceren pepsinogeen -> afbraak van eiwitten
D cellen en G cellen -> hebben contact met lichaam voor signalen.
Pepsinogeen (pro-enzym) -> pepsine (geactiveerde pepsinogeen) -> hierdoor beschadigt
pepsinogeen niet de cellen.
Het wordt geactiveerd door zure omgeving -> HCl
Dunne darm
1. Duodenum
o Zure bolus uit de maag wordt geneutraliseerd door bicarbonaat.
o Vertering van alle macronutriënten d.m.v. verteringssappen
o Pancreas, galblaas en lever leveren verteringssappen.
2. Jejunum
o Vertering tot individuele componenten
o Dit wordt hierna opgenomen in het lichaam
3. Ileum
o Laatste deel dunne darm
o Absorptie van de componenten en vitamines (Ook wordt al het grootste deel van het
water wordt hier opgenomen.
Pancreas
• 2 delen:
o Exocriene pancreas -> zout en enzymen naar de duodenum (hier gebeurt de
vertering dan)
• Bicarbonaat -> neutraliseert maagzuur
• Amylase -> zetmeel naar kleinere sachariden (bi of losse)