Inhoudsopgave
fcMED1 – Oncologie ................................................................................................................2
fcMED2 – Oncogenese .............................................................................................................3
CoMED1 – Oncologie en oncogenese .......................................................................................4
CoMED2 – Infectieziekten ........................................................................................................5
CoMED3 – Hersenaandoeningen ..............................................................................................6
CoCT1 – Introductie .................................................................................................................7
CoCT2 – Beeldopbouw ............................................................................................................8
CoCT3 – Abdomen instelkunde en anatomie ............................................................................9
CoCT4 – CT & SNR ................................................................................................................. 10
CoCT5 – Reconstructie technieken ........................................................................................ 11
CoMRI1 – Hardware en veiligheid ........................................................................................... 13
CoMRI2 – Werking MRI, spoelen en SNR ................................................................................. 14
CoMRI3 – Werking en beeldvorming ....................................................................................... 16
CoNG1 – Introductie Nucleaire Geneeskunde ........................................................................ 17
CoNG2 – Fysica ..................................................................................................................... 17
fcoNG1 – techniek in de Nucleaire Geneeskunde.................................................................... 19
CoNG3 – Statische acquisitie nieren en wervelkolom .............................................................. 19
CoNG4 – Dynamische acquisitie nieren & bekken/heupen ...................................................... 20
CoNG5 – Basisprincipes PET/CT............................................................................................. 21
CoEC1 – Introductie .............................................................................................................. 23
CoEC2 – Scanvlakken en terminologie.................................................................................... 24
CoEC3 – Fysica ultrageluid..................................................................................................... 25
CoEC5 – Transducers............................................................................................................. 26
CoEC6 – beeldherkenning grote vaten en urinewegen ............................................................. 27
CoRT1 – Algemene introductie radiotherapie .......................................................................... 28
CoRT2 – bouw lineaire versneller ............................................................................................ 29
CoRT3 – Radiotherapeutische begrippen ................................................................................ 30
CoRT4 – ICRU-richtlijnen ....................................................................................................... 31
CoRT5 – Dosisberekening (basiskennis).................................................................................. 33
CoRD1 – Straling in beeld ....................................................................................................... 35
CoRD2 – Beeldkwaliteit ......................................................................................................... 36
,fcMED1 – Oncologie
Kanker is een verzamelnaam voor meer dan 100 verschillende ziekten die allemaal 1 ding
gemeen hebben: een abnormale en ongecontroleerde groei van lichaamscellen.
Oncologie: wetenschap van de gezwellen
Kanker is doodsoorzaak nummer 1 in NL. 1 op de 3 Nederlands krijgt kanker.
Meest voorkomend mannen: prostaat-, darm- en huidkanker
Meest voorkomend vrouwen: borst-, huid- en darmkanker
Meest voorkomend bij kinderen: leukemie
Kanker die ontstaat in een orgaan noemen we solide tumoren (borst-, en longkanker). Kanker
die ontstaat uit cellen van het bloed of lymfe noemen we niet-solide tumoren (leukemie,
lymfeklierkanker)
Benigne = goedaardig
- Vorm is scherp begrensd
- Cellen binnen en buiten de tumor hebben dezelfde vorm
(celkernen & cytoplasma gelijk)
- Tumorcellen passeren niet de basale laag
Maligne = kwaadaardig
- Vorm is onregelmatig en onscherp begrensd
- Cellen binnen en buiten de tumor zijn verschillend
(celkernen & cytoplasma donker)
- Tumorcellen passeren de basale laag
Metastase (uitzaaiing): kwaadaardige tumorcellen kunnen zich op 3 manieren verder
verspreiden door het lichaam: in de directe omgeving, via het bloed (hematogeen) of via de
lymfe (lymfogeen). Eerste tumor waarmee ziekte is begonnen is de primaire tumor. Metastasen
zijn secundaire tumoren.
Behandelmethoden: chirurgie, radiotherapie, chemotherapie. Curatief = genezend, Palliatief =
verbeteren kwaliteit van leven.
,fcMED2 – Oncogenese
Hoe veranderd een goede cel in een tumorcel?
Oorzaken/risicofactoren: toeval, ouderdom, genetische factoren, roken, alcohol, ongezonde
voeding, onvoldoende beweging, straling en infecties. Zij veroorzaken mutaties in het DNA van
onze cellen.
Elke cel bevat DNA: een genetische code die voor iedereen uniek is en is opgebouwd uit genen.
Elk gen bevat informatie voor de bouw van een eiwit. Eiwitten zijn bouwstenen voor onze cellen.
Lichaamscellen delen voortdurend waarbij al het DNA wordt gekopieerd. Hierbij kunnen foutjes
ontstaan = DNA-mutaties. Door de mutaties kunnen de genen en dus ook de functie van de
eiwitten veranderen. Kanker is het gevolg van opeenstapeling van DNA-mutaties.
DNA bevat verschillende genen voor celdood en celdeling, met een mutatie in deze genen
kunnen celdood en celdeling verstoord worden en zorgen voor ongecontroleerde deling of
onsterfelijkheid.
We onderscheiden 2 soorten genen die van belang zijn voor het veranderen van een gezonde cel
in een kankercel:
Proto-oncogenen: verantwoordelijk voor stimuleren van celdeling. Een mutatie in deze genen
zorgt voor verandering van een proto-oncogen naar een oncogen. Dit leidt tot overmatige deling
of soms zelfs onbeperkte groei.
Tumorsuppressorgenen: onderdrukken celdeling. Bij een mutatie in dit gen, wordt celdeling
niet langer onderdrukt, dit zorg voor ongecontroleerde celdeling.
Tumorheterogeniteit: binnen een tumor zijn verschillende tumorcellen aanwezig. Tijdens
celdeling van een tumorcel vinden opnieuw mutaties plaats. In elke cel kunnen andere mutaties
aanwezig zijn. Hierdoor bestaat te tumor uit veel verschillende mutaties en dat maakt
behandeling lastig. Oplossing: combinatie therapie.
,CoMED1 – Oncologie en oncogenese
Oncologie = wetenschap van de gezwellen. Onkos = gezwel, logos = wetenschap.
Oncogenese = manier waarop gezwellen ontstaan. Genesis = ontstaan.
Terminologie
Classificatie van kanker
Gradering: bekijk je onder de microscoop -> in hoeverre heeft de cel nog de specifieke functie?
Heeft te maken met dedifferentiatie: morfologische en functionele veranderingen. Loopt van
G1 (lijken nog op normale cellen -> dysplasie) tot G4 (sterk afwijkende cellen -> anaplasie).
Stagering: Indeling volgens TNM-classificatie. T = grootte tumor, N = metastase in lymfeknoop,
M = metastase op afstand (verder in het lichaam).
Stadiëring: TNM-combinaties indelen in stadia op basis van prognose.
Hayflick limiet: Aantal keren dat een cel zich kan delen. Normale cellen delen 50-60 keer. Bij
iedere celdeling worden de telomeren van het DNA korter. Te korte telomeren -> celdeling stopt.
Kankercellen kunnen dit proces omzeilen met het enzym: telomerase.
2 soorten celdood: necrose (ongereguleerd) en apoptose (gereguleerd).
Oncogenese: van belang zijn mutaties in genen die verantwoordelijk zijn voor: regulatie van
celdood, het stimuleren van celdeling (proto-oncogenen), remmen van celdeling
(tumorsuppressorgenen), beweging (intra- en extravasatie), het repareren van DNA-schade,
angiogenese (aantrekken bloedvaten).
Tumorheterogeniteit: Binnen een tumor zijn verschillende tumorcellen (met verschillend DNA)
aanwezig. Meestal meerdere behandelingen nodig.
Oorzaken: genetisch, leefstijl (roken, alcohol, ongezonde voeding, onvoldoende beweging),
overgewicht, asbest, infecties (HPV), straling (UV en ioniserend) en leeftijd (meer DNA-kopieën,
slechter immuunsysteem).
Erfelijkheid: 5% van alle mensen met kanker. Voorbeeld is retinoblastoma (oogkanker) en wordt
veroorzaakt door slecht 1 mutatie.
,CoMED2 – Infectieziekten
Aspecifieke afweer werkt altijd op dezelfde manier tegen ziekteverwekkers (huid, fagocyten) en
specifieke afweer werkt specifiek richting 1 antigen (T-cellen en B-cellen).
Antigenen zitten op ziekteverwekkers en kunnen herkend worden door T-cellen. Als een T-cel
geactiveerd wordt, komen er veel meer van dat soort T-cellen die dat antigen gaan uitschakelen.
T-cellen activeren ook de B-cellen die vervolgens antistoffen gaan maken tegen dat antigen.
Fagocytose: het opnemen van stoffen/ziekteverwekkers van buiten de cel.
Cytotoxische T-cellen: gaan ziekteverwekker uitschakelen
T-suppressor cellen: zorgen dat immuunreactie ook weer stopt
T-helper cellen: activeren B-cellen
T-geheugen cellen: bij herhaling sneller immuunreactie
Incidentie: aantal nieuwe gevallen van een ziekte in een bepaalde periode binnen een bepaalde
populatie.
Prevalentie: aantal bestaande ziektegevallen op een bepaald moment binnen een bepaalde
populatie.
Epidemie: bepaalde ziekte treedt in bepaald gebied in bepaalde periode vaker op dan normaal.
Pandemie: Epidemie verspreidt zich naar andere landen/werelddelen
Besmetting kan direct plaatsvinden zoals aërogeen (luchtwegen), enteraal (maag-darmstelsel),
genitaal (geslachtsorganen) en parenteraal (rechtstreeks onder de huid -> wondje). Indirect kan
ook via bijvoorbeeld een naald of besmet water. Nosocomiale infectie: besmetting via
zorg/ziekenhuis. Overdracht voorkomen kan via reinigen, desinfecteren of steriliseren.
Bacteriën: eencellig organisme zonder celkern met een stugge celwand. Type van celwand
varieert, kun je testen met gramkleuring -> blauw = dikwandig (grampositief), rood = dunwandig
(gramnegatief). Bacteriën maken ons ziek door toxinen te maken.
Soorten: bacillen (staafvormig), kokken (bolvormig), vibrionen (kommavormig), spirocheten
(kurkentrekker) en spirillen (spiraalvormig).
Penicilline (antibioticum): toevallige ontdekking door Alexander Fleming. Bacteriën hebben een
celwand, menselijk cellen niet. Penicilline bindt aan de celwand en maakt deze kapot.
Antibiotica-resistentie: bacteriën kunnen zich aanpassen aan antibiotica, gevoelige bacteriën
gaan dood en resistente bacteriën blijven leven. Antibioticagebruik moet dus worden
afgewogen.
Virussen: erfelijk materiaal in een caspide (eiwitmantel). Virussen hebben een gastheercel
nodig voor vermenigvuldiging. Latente infectie: wel infectie, pas vermenigvuldigen bij trigger.
Antibiotica werkt niet tegen virus, want virus heeft geen celwand. Antivirale middelen: remmen
viraal DNA/RNA, remmen verdere verspreiding virus. HIV is een virus: infecteert T-helper cellen
en schakelt deze uit, normale immuunreactie wordt verzwakt en je bent dus vatbaar voor nieuwe
infecties.
Schimmels: een- of meercellige organismen met celwand. Vormen mycelium (draden) om
voedingsstoffen op te nemen. Opportunistische infectie: klachten bij verzwakt immuunsysteem.
Helminthen: parasitaire wormen, besmetting via eitjes. Preventie: hygiëne, behandeling:
medicatie.
Prionen: infectieuze eiwitten, hersenziekte: tast eiwitten in hersenweefsel aan.
, CoMED3 – Hersenaandoeningen
Witte stof: communicatie grijze stof: verwerking
Aangeboren pathologieën
Spina bifida: gespleten ruggengraat/open rug, ongesloten wervelboog en onvolgroeid
ruggenmerg. Ontstaat door foliumzuur tekort: alcoholisme. Neveneffect: hydrocephalie
Hydrocephalie: waterhoofd, afvoerbelemmering liquor. Ventrikels verwijden -> hersengebieden
worden weggedrukt -> mentale retardatie (water neemt plek in van hersenweefsel). Oorzaken:
neveneffect van spina bifida, erfelijk, gevolg van een ontstekingsproces (toxoplasmose,
meningitis), zwelling (tumor, bloeding). Behandeling: drain -> afvoer liquor.
An- en microcephalie: ontbreken van hersenen (an), abnormaal kleine schedel (micro)
Verkregen pathologieën
ALS: motorische zenuwcellen in het ruggenmerg, de hersenstam en motorische cortex doen het
niet meer goed -> progressief krachtsverlies en verlamming. Overlijden door verlamming
ademhalingsspieren.
Trauma: commotio cerebri = hersenschudding, contusio cerebri = hersenkneuzing.
Bloeding: Epidurale bloeding: hematoom tussen schedel en dura mater (arterieel).
Subdurale bloeding: hematoom tussen dura mater en hersenen (veneus).
Subarachnoidale bloeding: meestal vanuit aneurysma (arterieel)
Intracerebrale bloeding: bloeding in de hersenen. Door CVA -> atherosclerose, hypertensie. Ook
door gestoorde bloedstolling, trauma, diabetes, vaatmisvorming (aneurysma), tumor.
AVM (arterio-veneuze malformatie): slechte koppeling tussen arteriën en venen. Daardoor
hersenbloeding, epilepsie en uitvalsverschijnselen. Oorzaak is onbekend.
CVA (cerebro vasculair accident): niet bloedig (herseninfarct), bloedig (hersenbloeding).
Ontstaat door verstopping (bloeding, trombus, embolie) en leidt tot necrose hersenweefsel met
uitvalsverschijnselen. CVA in linkerhersenhelft -> verlamming rechts en vice versa (hemiplegie).
CVA in spraakcentrum -> afasie. CVA in niet taaldominante hersenhelft -> emotionele
verandering. Een TIA is een CVA, maar gaat over binnen 24 uur.
Infectieziekten
Poliomyelitis: kinderverlamming -> verlammingsverschijnselen
Herpes zoster: gordelroos, nestelt zich in zenuwcellen maar afgeschermd tot bepaalde plek.
Meningitis: hersenvliesontsteking, bacterieel/viraal. Kan gepaard gaan met sepsis.
Neuritis: zenuwontsteking
Myelitis: ontsteking van ruggenmerg
Encefalitis: ontsteking van hersenweefsel a.g.v. bacterie/infectie
Degeneratieve pathologieën
Dementie: verzamelnaam voor ca. 50 ziektes waarbij geheugenproblemen centraal staan
(alzheimer, vasculaire dementie, Lewis Body dementie, Frontotemporale dementie)
Alzheimer: 3 stadia. 1. Vergeetachtigheid 2. Verandering in persoonlijkheid (nadenken over
situaties en deze beoordelen, decorumverlies) 3. Desoriëntatie en verlies spraak. Te zien op
scan dat er meer ruimte tussen hersenweefsel zit, ook plaques waardoor zenuwcellen niet goed
kunnen communiceren.
Parkinson: substantia nigra is aangedaan. Zorgt voor trillen, minder en trager bewegen. Spieren
worden stijf en soms freezing. Heeft te maken met dopaminetekort uit substantia nigra.
Dopamine zorgt voor communicatie tussen zenuwcellen. Oplossing: levodopa.
fcMED1 – Oncologie ................................................................................................................2
fcMED2 – Oncogenese .............................................................................................................3
CoMED1 – Oncologie en oncogenese .......................................................................................4
CoMED2 – Infectieziekten ........................................................................................................5
CoMED3 – Hersenaandoeningen ..............................................................................................6
CoCT1 – Introductie .................................................................................................................7
CoCT2 – Beeldopbouw ............................................................................................................8
CoCT3 – Abdomen instelkunde en anatomie ............................................................................9
CoCT4 – CT & SNR ................................................................................................................. 10
CoCT5 – Reconstructie technieken ........................................................................................ 11
CoMRI1 – Hardware en veiligheid ........................................................................................... 13
CoMRI2 – Werking MRI, spoelen en SNR ................................................................................. 14
CoMRI3 – Werking en beeldvorming ....................................................................................... 16
CoNG1 – Introductie Nucleaire Geneeskunde ........................................................................ 17
CoNG2 – Fysica ..................................................................................................................... 17
fcoNG1 – techniek in de Nucleaire Geneeskunde.................................................................... 19
CoNG3 – Statische acquisitie nieren en wervelkolom .............................................................. 19
CoNG4 – Dynamische acquisitie nieren & bekken/heupen ...................................................... 20
CoNG5 – Basisprincipes PET/CT............................................................................................. 21
CoEC1 – Introductie .............................................................................................................. 23
CoEC2 – Scanvlakken en terminologie.................................................................................... 24
CoEC3 – Fysica ultrageluid..................................................................................................... 25
CoEC5 – Transducers............................................................................................................. 26
CoEC6 – beeldherkenning grote vaten en urinewegen ............................................................. 27
CoRT1 – Algemene introductie radiotherapie .......................................................................... 28
CoRT2 – bouw lineaire versneller ............................................................................................ 29
CoRT3 – Radiotherapeutische begrippen ................................................................................ 30
CoRT4 – ICRU-richtlijnen ....................................................................................................... 31
CoRT5 – Dosisberekening (basiskennis).................................................................................. 33
CoRD1 – Straling in beeld ....................................................................................................... 35
CoRD2 – Beeldkwaliteit ......................................................................................................... 36
,fcMED1 – Oncologie
Kanker is een verzamelnaam voor meer dan 100 verschillende ziekten die allemaal 1 ding
gemeen hebben: een abnormale en ongecontroleerde groei van lichaamscellen.
Oncologie: wetenschap van de gezwellen
Kanker is doodsoorzaak nummer 1 in NL. 1 op de 3 Nederlands krijgt kanker.
Meest voorkomend mannen: prostaat-, darm- en huidkanker
Meest voorkomend vrouwen: borst-, huid- en darmkanker
Meest voorkomend bij kinderen: leukemie
Kanker die ontstaat in een orgaan noemen we solide tumoren (borst-, en longkanker). Kanker
die ontstaat uit cellen van het bloed of lymfe noemen we niet-solide tumoren (leukemie,
lymfeklierkanker)
Benigne = goedaardig
- Vorm is scherp begrensd
- Cellen binnen en buiten de tumor hebben dezelfde vorm
(celkernen & cytoplasma gelijk)
- Tumorcellen passeren niet de basale laag
Maligne = kwaadaardig
- Vorm is onregelmatig en onscherp begrensd
- Cellen binnen en buiten de tumor zijn verschillend
(celkernen & cytoplasma donker)
- Tumorcellen passeren de basale laag
Metastase (uitzaaiing): kwaadaardige tumorcellen kunnen zich op 3 manieren verder
verspreiden door het lichaam: in de directe omgeving, via het bloed (hematogeen) of via de
lymfe (lymfogeen). Eerste tumor waarmee ziekte is begonnen is de primaire tumor. Metastasen
zijn secundaire tumoren.
Behandelmethoden: chirurgie, radiotherapie, chemotherapie. Curatief = genezend, Palliatief =
verbeteren kwaliteit van leven.
,fcMED2 – Oncogenese
Hoe veranderd een goede cel in een tumorcel?
Oorzaken/risicofactoren: toeval, ouderdom, genetische factoren, roken, alcohol, ongezonde
voeding, onvoldoende beweging, straling en infecties. Zij veroorzaken mutaties in het DNA van
onze cellen.
Elke cel bevat DNA: een genetische code die voor iedereen uniek is en is opgebouwd uit genen.
Elk gen bevat informatie voor de bouw van een eiwit. Eiwitten zijn bouwstenen voor onze cellen.
Lichaamscellen delen voortdurend waarbij al het DNA wordt gekopieerd. Hierbij kunnen foutjes
ontstaan = DNA-mutaties. Door de mutaties kunnen de genen en dus ook de functie van de
eiwitten veranderen. Kanker is het gevolg van opeenstapeling van DNA-mutaties.
DNA bevat verschillende genen voor celdood en celdeling, met een mutatie in deze genen
kunnen celdood en celdeling verstoord worden en zorgen voor ongecontroleerde deling of
onsterfelijkheid.
We onderscheiden 2 soorten genen die van belang zijn voor het veranderen van een gezonde cel
in een kankercel:
Proto-oncogenen: verantwoordelijk voor stimuleren van celdeling. Een mutatie in deze genen
zorgt voor verandering van een proto-oncogen naar een oncogen. Dit leidt tot overmatige deling
of soms zelfs onbeperkte groei.
Tumorsuppressorgenen: onderdrukken celdeling. Bij een mutatie in dit gen, wordt celdeling
niet langer onderdrukt, dit zorg voor ongecontroleerde celdeling.
Tumorheterogeniteit: binnen een tumor zijn verschillende tumorcellen aanwezig. Tijdens
celdeling van een tumorcel vinden opnieuw mutaties plaats. In elke cel kunnen andere mutaties
aanwezig zijn. Hierdoor bestaat te tumor uit veel verschillende mutaties en dat maakt
behandeling lastig. Oplossing: combinatie therapie.
,CoMED1 – Oncologie en oncogenese
Oncologie = wetenschap van de gezwellen. Onkos = gezwel, logos = wetenschap.
Oncogenese = manier waarop gezwellen ontstaan. Genesis = ontstaan.
Terminologie
Classificatie van kanker
Gradering: bekijk je onder de microscoop -> in hoeverre heeft de cel nog de specifieke functie?
Heeft te maken met dedifferentiatie: morfologische en functionele veranderingen. Loopt van
G1 (lijken nog op normale cellen -> dysplasie) tot G4 (sterk afwijkende cellen -> anaplasie).
Stagering: Indeling volgens TNM-classificatie. T = grootte tumor, N = metastase in lymfeknoop,
M = metastase op afstand (verder in het lichaam).
Stadiëring: TNM-combinaties indelen in stadia op basis van prognose.
Hayflick limiet: Aantal keren dat een cel zich kan delen. Normale cellen delen 50-60 keer. Bij
iedere celdeling worden de telomeren van het DNA korter. Te korte telomeren -> celdeling stopt.
Kankercellen kunnen dit proces omzeilen met het enzym: telomerase.
2 soorten celdood: necrose (ongereguleerd) en apoptose (gereguleerd).
Oncogenese: van belang zijn mutaties in genen die verantwoordelijk zijn voor: regulatie van
celdood, het stimuleren van celdeling (proto-oncogenen), remmen van celdeling
(tumorsuppressorgenen), beweging (intra- en extravasatie), het repareren van DNA-schade,
angiogenese (aantrekken bloedvaten).
Tumorheterogeniteit: Binnen een tumor zijn verschillende tumorcellen (met verschillend DNA)
aanwezig. Meestal meerdere behandelingen nodig.
Oorzaken: genetisch, leefstijl (roken, alcohol, ongezonde voeding, onvoldoende beweging),
overgewicht, asbest, infecties (HPV), straling (UV en ioniserend) en leeftijd (meer DNA-kopieën,
slechter immuunsysteem).
Erfelijkheid: 5% van alle mensen met kanker. Voorbeeld is retinoblastoma (oogkanker) en wordt
veroorzaakt door slecht 1 mutatie.
,CoMED2 – Infectieziekten
Aspecifieke afweer werkt altijd op dezelfde manier tegen ziekteverwekkers (huid, fagocyten) en
specifieke afweer werkt specifiek richting 1 antigen (T-cellen en B-cellen).
Antigenen zitten op ziekteverwekkers en kunnen herkend worden door T-cellen. Als een T-cel
geactiveerd wordt, komen er veel meer van dat soort T-cellen die dat antigen gaan uitschakelen.
T-cellen activeren ook de B-cellen die vervolgens antistoffen gaan maken tegen dat antigen.
Fagocytose: het opnemen van stoffen/ziekteverwekkers van buiten de cel.
Cytotoxische T-cellen: gaan ziekteverwekker uitschakelen
T-suppressor cellen: zorgen dat immuunreactie ook weer stopt
T-helper cellen: activeren B-cellen
T-geheugen cellen: bij herhaling sneller immuunreactie
Incidentie: aantal nieuwe gevallen van een ziekte in een bepaalde periode binnen een bepaalde
populatie.
Prevalentie: aantal bestaande ziektegevallen op een bepaald moment binnen een bepaalde
populatie.
Epidemie: bepaalde ziekte treedt in bepaald gebied in bepaalde periode vaker op dan normaal.
Pandemie: Epidemie verspreidt zich naar andere landen/werelddelen
Besmetting kan direct plaatsvinden zoals aërogeen (luchtwegen), enteraal (maag-darmstelsel),
genitaal (geslachtsorganen) en parenteraal (rechtstreeks onder de huid -> wondje). Indirect kan
ook via bijvoorbeeld een naald of besmet water. Nosocomiale infectie: besmetting via
zorg/ziekenhuis. Overdracht voorkomen kan via reinigen, desinfecteren of steriliseren.
Bacteriën: eencellig organisme zonder celkern met een stugge celwand. Type van celwand
varieert, kun je testen met gramkleuring -> blauw = dikwandig (grampositief), rood = dunwandig
(gramnegatief). Bacteriën maken ons ziek door toxinen te maken.
Soorten: bacillen (staafvormig), kokken (bolvormig), vibrionen (kommavormig), spirocheten
(kurkentrekker) en spirillen (spiraalvormig).
Penicilline (antibioticum): toevallige ontdekking door Alexander Fleming. Bacteriën hebben een
celwand, menselijk cellen niet. Penicilline bindt aan de celwand en maakt deze kapot.
Antibiotica-resistentie: bacteriën kunnen zich aanpassen aan antibiotica, gevoelige bacteriën
gaan dood en resistente bacteriën blijven leven. Antibioticagebruik moet dus worden
afgewogen.
Virussen: erfelijk materiaal in een caspide (eiwitmantel). Virussen hebben een gastheercel
nodig voor vermenigvuldiging. Latente infectie: wel infectie, pas vermenigvuldigen bij trigger.
Antibiotica werkt niet tegen virus, want virus heeft geen celwand. Antivirale middelen: remmen
viraal DNA/RNA, remmen verdere verspreiding virus. HIV is een virus: infecteert T-helper cellen
en schakelt deze uit, normale immuunreactie wordt verzwakt en je bent dus vatbaar voor nieuwe
infecties.
Schimmels: een- of meercellige organismen met celwand. Vormen mycelium (draden) om
voedingsstoffen op te nemen. Opportunistische infectie: klachten bij verzwakt immuunsysteem.
Helminthen: parasitaire wormen, besmetting via eitjes. Preventie: hygiëne, behandeling:
medicatie.
Prionen: infectieuze eiwitten, hersenziekte: tast eiwitten in hersenweefsel aan.
, CoMED3 – Hersenaandoeningen
Witte stof: communicatie grijze stof: verwerking
Aangeboren pathologieën
Spina bifida: gespleten ruggengraat/open rug, ongesloten wervelboog en onvolgroeid
ruggenmerg. Ontstaat door foliumzuur tekort: alcoholisme. Neveneffect: hydrocephalie
Hydrocephalie: waterhoofd, afvoerbelemmering liquor. Ventrikels verwijden -> hersengebieden
worden weggedrukt -> mentale retardatie (water neemt plek in van hersenweefsel). Oorzaken:
neveneffect van spina bifida, erfelijk, gevolg van een ontstekingsproces (toxoplasmose,
meningitis), zwelling (tumor, bloeding). Behandeling: drain -> afvoer liquor.
An- en microcephalie: ontbreken van hersenen (an), abnormaal kleine schedel (micro)
Verkregen pathologieën
ALS: motorische zenuwcellen in het ruggenmerg, de hersenstam en motorische cortex doen het
niet meer goed -> progressief krachtsverlies en verlamming. Overlijden door verlamming
ademhalingsspieren.
Trauma: commotio cerebri = hersenschudding, contusio cerebri = hersenkneuzing.
Bloeding: Epidurale bloeding: hematoom tussen schedel en dura mater (arterieel).
Subdurale bloeding: hematoom tussen dura mater en hersenen (veneus).
Subarachnoidale bloeding: meestal vanuit aneurysma (arterieel)
Intracerebrale bloeding: bloeding in de hersenen. Door CVA -> atherosclerose, hypertensie. Ook
door gestoorde bloedstolling, trauma, diabetes, vaatmisvorming (aneurysma), tumor.
AVM (arterio-veneuze malformatie): slechte koppeling tussen arteriën en venen. Daardoor
hersenbloeding, epilepsie en uitvalsverschijnselen. Oorzaak is onbekend.
CVA (cerebro vasculair accident): niet bloedig (herseninfarct), bloedig (hersenbloeding).
Ontstaat door verstopping (bloeding, trombus, embolie) en leidt tot necrose hersenweefsel met
uitvalsverschijnselen. CVA in linkerhersenhelft -> verlamming rechts en vice versa (hemiplegie).
CVA in spraakcentrum -> afasie. CVA in niet taaldominante hersenhelft -> emotionele
verandering. Een TIA is een CVA, maar gaat over binnen 24 uur.
Infectieziekten
Poliomyelitis: kinderverlamming -> verlammingsverschijnselen
Herpes zoster: gordelroos, nestelt zich in zenuwcellen maar afgeschermd tot bepaalde plek.
Meningitis: hersenvliesontsteking, bacterieel/viraal. Kan gepaard gaan met sepsis.
Neuritis: zenuwontsteking
Myelitis: ontsteking van ruggenmerg
Encefalitis: ontsteking van hersenweefsel a.g.v. bacterie/infectie
Degeneratieve pathologieën
Dementie: verzamelnaam voor ca. 50 ziektes waarbij geheugenproblemen centraal staan
(alzheimer, vasculaire dementie, Lewis Body dementie, Frontotemporale dementie)
Alzheimer: 3 stadia. 1. Vergeetachtigheid 2. Verandering in persoonlijkheid (nadenken over
situaties en deze beoordelen, decorumverlies) 3. Desoriëntatie en verlies spraak. Te zien op
scan dat er meer ruimte tussen hersenweefsel zit, ook plaques waardoor zenuwcellen niet goed
kunnen communiceren.
Parkinson: substantia nigra is aangedaan. Zorgt voor trillen, minder en trager bewegen. Spieren
worden stijf en soms freezing. Heeft te maken met dopaminetekort uit substantia nigra.
Dopamine zorgt voor communicatie tussen zenuwcellen. Oplossing: levodopa.