Autonomie en medebewind in de grondwet
Decentralisatieparadox:
- Gemeenten zijn ‘eerste overheid’, staan dicht tot de burger dus de perfecte plek voor
taken die belangrijk zijn voor de burger.
- Rijksoverheid belegt meer taken bij gemeente, waardoor deze professionaliseert en
vergroot in schaal waardoor de afstand tot de burger toeneemt.
De grondwet regelt:
a. bestaansrecht van gemeenten en provincies (art. 123 Gw en 132 lid 1 Gw).
b. de vormen van decentralisatie
i. Autonomie (eigen open huishouding, art. 124 lid 1 Gw)
1. Open huishouding: de Rijksoverheid kan taken tot zich trekken die
eerst bij gemeenten lagen (art. 122 Gw)
2. Soms gesloten huishouding: de Rijksoverheid mag deze taken niet
wegnemen (art. 122 Gemw)
ii. Medebewind (medewerking krachtens wet, art. 124 lid 2 Gw)
c. Rechtstreekse verkiezingen
i. Vrij mandaat voor volksvertegenwoordigers (art. 129 lid 6 Gw)
ii. Kiesrecht ook beschikbaar voor niet-Nederlanders (art. 130 Gw)
iii. Openbaarheid van vergaderingen (art. 125 Gw)
d. Raad kent het hoofdschap (eindverantwoordelijkheid)
i. Door dualisme is de raad de ‘eindverantwoordelijke’ (art. 125 lid 1 Gw)
ii. De raad kent de verordenende bevoegdheid (art. 127 Gw)
e. Inrichting, samenstelling en bevoegdheiden per wet
i. Zie art. 132 lid 1 Gw; geregeld in organieke wetten (Gemw, Provw)
f. De interbestuurlijke verhoudingen
i. Interbestuurlijk toezicht bij wet geregeld (art. 132 lid 2 Gw)
ii. Slechts in bepaalde gevallen mogelijk (art. 132 lid 3 Gw)
Inter- en intrabestuurlijke verhoudingen.
a. Interbestuurlijk: tussen bestuurslagen
b. Intrabestuurlijk: tussen organen binnen de gemeente zelf
Autonomie is geregeld in de Grondwet en het EHLA. De EHLA is ruim geformuleerd en gaat
verder dan de Nederlandse ‘autonomie’. Niet ieder verbindend.
1. Erkenning van lokale autonomie (art. 2 EHLA)
2. Zelf dingen mogen regelen en verantwoordelijkheid hebben (art. 3 lid 1 EHLA)
3. Vrije, rechtstreekse verkiezingen (art. 3 lid 2 EHLA)
4. Vrije handelingsbevoegdheid tot uitoefening taken (art. 4 lid 2 EHLA)
5. Decentraal heeft de voorkeur (art. 4 lid 3 EHLA)
6. Binnen medebewind zoveel mogelijk handelingsvrijheid (art. 4 lid 5 EHLA)
7. Recht op voldoende eigen financiële middelen (art. 9 lid 1 EHLA)
8. Recht op zelf verwerving van belastingen en heffingen (art. 9 lid 3 EHLA)
Decentralisatieparadox:
- Gemeenten zijn ‘eerste overheid’, staan dicht tot de burger dus de perfecte plek voor
taken die belangrijk zijn voor de burger.
- Rijksoverheid belegt meer taken bij gemeente, waardoor deze professionaliseert en
vergroot in schaal waardoor de afstand tot de burger toeneemt.
De grondwet regelt:
a. bestaansrecht van gemeenten en provincies (art. 123 Gw en 132 lid 1 Gw).
b. de vormen van decentralisatie
i. Autonomie (eigen open huishouding, art. 124 lid 1 Gw)
1. Open huishouding: de Rijksoverheid kan taken tot zich trekken die
eerst bij gemeenten lagen (art. 122 Gw)
2. Soms gesloten huishouding: de Rijksoverheid mag deze taken niet
wegnemen (art. 122 Gemw)
ii. Medebewind (medewerking krachtens wet, art. 124 lid 2 Gw)
c. Rechtstreekse verkiezingen
i. Vrij mandaat voor volksvertegenwoordigers (art. 129 lid 6 Gw)
ii. Kiesrecht ook beschikbaar voor niet-Nederlanders (art. 130 Gw)
iii. Openbaarheid van vergaderingen (art. 125 Gw)
d. Raad kent het hoofdschap (eindverantwoordelijkheid)
i. Door dualisme is de raad de ‘eindverantwoordelijke’ (art. 125 lid 1 Gw)
ii. De raad kent de verordenende bevoegdheid (art. 127 Gw)
e. Inrichting, samenstelling en bevoegdheiden per wet
i. Zie art. 132 lid 1 Gw; geregeld in organieke wetten (Gemw, Provw)
f. De interbestuurlijke verhoudingen
i. Interbestuurlijk toezicht bij wet geregeld (art. 132 lid 2 Gw)
ii. Slechts in bepaalde gevallen mogelijk (art. 132 lid 3 Gw)
Inter- en intrabestuurlijke verhoudingen.
a. Interbestuurlijk: tussen bestuurslagen
b. Intrabestuurlijk: tussen organen binnen de gemeente zelf
Autonomie is geregeld in de Grondwet en het EHLA. De EHLA is ruim geformuleerd en gaat
verder dan de Nederlandse ‘autonomie’. Niet ieder verbindend.
1. Erkenning van lokale autonomie (art. 2 EHLA)
2. Zelf dingen mogen regelen en verantwoordelijkheid hebben (art. 3 lid 1 EHLA)
3. Vrije, rechtstreekse verkiezingen (art. 3 lid 2 EHLA)
4. Vrije handelingsbevoegdheid tot uitoefening taken (art. 4 lid 2 EHLA)
5. Decentraal heeft de voorkeur (art. 4 lid 3 EHLA)
6. Binnen medebewind zoveel mogelijk handelingsvrijheid (art. 4 lid 5 EHLA)
7. Recht op voldoende eigen financiële middelen (art. 9 lid 1 EHLA)
8. Recht op zelf verwerving van belastingen en heffingen (art. 9 lid 3 EHLA)