Hoorcollege 5. Visuele ontwikkeling
Onderdelen van visuele waarneming
1. Basale waarneming:
a. Welke basale kenmerken van een afbeelding kan iemand zien?
2. Wat en waar:
a. Kan iemand identificeren wat iets is, en waar iets is?
3. Oriëntatie, aandacht en cognitie:
a. Waar kijkt iemand naar en wat kun je hieruit concluderen?
Per onderdeel bespreken we:
- Gedrag en hersenactiviteit in volwassenen
- Ontwikkeling
- Variaties tussen personen: stoornissen
Relatie tussen onderdelen
Basale waarneming
Basale kenmerken:
- Kleuren
- Oriëntatie
- Contrast
- Schepte
, o Spatiele frequenties
- Diepte
Dorsale: informatie over minder scherpe informatie, meer over beweging, verder vrij globaal
- Geen kleur, lage contrast
Ventraal: meer ingaan op wat het is
- Hier zie je kleur en veel schepte
Spatiele frequentie: overgang van zwart naar wit
, Baby’s van 0 tot 3 maanden zien alleen lage frequentie, in eerste jaar vindt een sterke
ontwikkeling plaats tot 4-6 jaar. Dan zien ze (bijna) net zo goed als volwassenen
- 9-12 jaar is het helemaal verfijnd
Maakt dat uit? Ja.
- Want lage en hoge frequenties hebben verschillende paden
- In Tamporal lobe worden bijvoorbeeld gezichten herkend, dit wordt dus anders als je
hoge of lage frequenties hebben
- Hier is onderzoek naar gedaan:
o Baby’s zagen wel de lage frequenties maar niet de hoge frequenties
Ook onderzoek naar emotie herkenning in lage en hoge frequenties bij baby’s.
Hier kwam uit:
- Baby’s en kinderen op basisschool gebruiken vooral de details (hoge frequenties) om
emoties te herkennen
Onderdelen van visuele waarneming
1. Basale waarneming:
a. Welke basale kenmerken van een afbeelding kan iemand zien?
2. Wat en waar:
a. Kan iemand identificeren wat iets is, en waar iets is?
3. Oriëntatie, aandacht en cognitie:
a. Waar kijkt iemand naar en wat kun je hieruit concluderen?
Per onderdeel bespreken we:
- Gedrag en hersenactiviteit in volwassenen
- Ontwikkeling
- Variaties tussen personen: stoornissen
Relatie tussen onderdelen
Basale waarneming
Basale kenmerken:
- Kleuren
- Oriëntatie
- Contrast
- Schepte
, o Spatiele frequenties
- Diepte
Dorsale: informatie over minder scherpe informatie, meer over beweging, verder vrij globaal
- Geen kleur, lage contrast
Ventraal: meer ingaan op wat het is
- Hier zie je kleur en veel schepte
Spatiele frequentie: overgang van zwart naar wit
, Baby’s van 0 tot 3 maanden zien alleen lage frequentie, in eerste jaar vindt een sterke
ontwikkeling plaats tot 4-6 jaar. Dan zien ze (bijna) net zo goed als volwassenen
- 9-12 jaar is het helemaal verfijnd
Maakt dat uit? Ja.
- Want lage en hoge frequenties hebben verschillende paden
- In Tamporal lobe worden bijvoorbeeld gezichten herkend, dit wordt dus anders als je
hoge of lage frequenties hebben
- Hier is onderzoek naar gedaan:
o Baby’s zagen wel de lage frequenties maar niet de hoge frequenties
Ook onderzoek naar emotie herkenning in lage en hoge frequenties bij baby’s.
Hier kwam uit:
- Baby’s en kinderen op basisschool gebruiken vooral de details (hoge frequenties) om
emoties te herkennen