De psychoanalytische benadering
4.1 HET BEWUSTE, HET VOORBEWUSTE EN HET ONBEWUSTE...............................2
4.2 HET ID, HET EGO EN HET SUPER-EGO.....................................................2
3.1.1 ONTSTAAN VAN HET EGO............................................................ 3
4.3 CONSTRUCTIEVE EN DESTRUCTIEVE DRIFTEN..............................................5
4.1.1 UITGANGSPUNTEN..................................................................... 7
1.1. ONS GEDRAG, ONZE GEVOELENS, ONZE GEDACHTEN EN ONZE INTERACTIES
WORDEN BEPAALD DOOR ONS ONBEWUSTE.....................................................7
1.2. ONS GEDRAG, ONZE GEVOELENS, ONZE GEDACHTEN EN INTERACTIES WORDEN
BEPAALD DOOR ONZE ERVARINGEN UIT DE EERSTE LEVENSJAREN...........................8
1.3. EEN PSYCHOANALYTISCHE BENADERING GAAT UIT VAN EEN CONFLICTMODEL......9
1.4. EEN PSYCHOLANALYTISCHE BENADERING GAAT UIT VANUIT CASESTUDY’S OM AAN
WETENSCHAP TE DOEN............................................................................10
5.1.1 HEDENDAAGSE DENKERS.......................................................... 11
5.1 SITUERING VAN DE PERSOONLIJKHEIDSTHEORIE VAN FRUED..........................13
5.4 PROJECTIEVE TECHNIEKEN..................................................................14
6.1 DE MOTIVATIETHEORIE VAN SIGMUND FREUD...........................................16
6.1.1 HET BEGRIP ‘DRIFT’.................................................................. 16
6.1.2 HET PRIMAIRE EN SECUNDAIRE PROCES..................................... 18
6.1.3 AFWEERMECHANISMEN............................................................ 19
6.2 KRITISCHE BEDENKINGEN BIJ DE MOTIVATIETHEORIE VAN FREUD....................23
, De psychoanalytische benadering
4. Basisbegrippen
Psychoanalyse heeft een eigen complex begrippenkader dat belangrijk is om te
begrijpen.
Het werk van Sigmund Freud is omvangrijk en vaak dubbelzinnig of herhaald
geformuleerd, wat leidt tot verschillende interpretaties.
Psychoanalyse verwijst zowel naar een stroming binnen psychologie als
een therapeutische methode gericht op structurele persoonlijkheidsverandering.`
4.1 Het bewuste, het voorbewuste en het onbewuste
Het bewuste: Gedachten, gevoelens, verlangens en herinneringen waarvan we
ons op dat moment bewust zijn en makkelijk bespreekbaar.
Het voorbewuste: Informatie die we niet bewust ervaren, maar eenvoudig
kunnen oproepen (bijv. herinneringen van afgelopen weekend).
Het onbewuste: De kernbijdrage van Freud drijfveren, verdrongen
herinneringen en verlangens die ons gedrag en onze gevoelens beïnvloeden,
maar die we niet bewust kunnen maken vanwege angst of verdringing.
o Niet te verwarren met automatische handelingen of fysiologische
processen.
o Blijft actief en beïnvloedt gedrag, gedachten en emoties.
Volgens Freud toont het onbewuste zich indirect, bijvoorbeeld via:
Toevallig gedrag of verspreking
Dromen, die volgens hem de “koninklijke weg” naar het onbewuste zijn en
gecodeerde betekenis bevatten.
Neurotisch gedrag en symptomen, zoals fobieën of dwanggedachten, die vaak
wijzen op onbewuste conflicten of onvervulde verlangens.
4.2 Het Id, het Ego en het Super-Ego
Het Id
, Bevindt zich volledig in het onbewuste en is lichamelijk van oorsprong.
Vertegenwoordigt oerdriften, zowel constructief als destructief, en vormt de
fundamentele drijfveer achter gedrag, gedachten en gevoelens.
Het Id stuurt gedrag, niet het verstand; mensen handelen vooral vanuit hun
driften.
Bij een pasgeborene bestaat de psychische structuur volledig uit het Id, gericht
op onmiddellijke bevrediging van lichamelijke behoeften.
Het Id werkt volgens het lustprincipe: streven naar maximalisatie van lust en
genot.
Conflicten ontstaan wanneer de omgeving (bijv. moeder) niet onmiddellijk aan
de verlangens voldoet.
1.1.1
2.1.1
3.1.1 Ontstaan van het Ego
Om met deze spanning tussen driften en omgeving om te gaan, ontwikkelt zich
het Ego, dat functioneert als bemiddelaar tussen het Id en de eisen van de
werkelijkheid.
Het Ego
Het Ego is het rationele deel van de persoonlijkheid, gericht op rede en
gezond verstand.
Het probeert de wensen van het Id te verzoenen met de eisen van de
omgeving.
Werkt volgens het realiteitsprincipe: verlangens worden getemd, gekanaliseerd
of uitgesteld met oog voor de beperkingen van de werkelijkheid.
Het Ego leert ons niet direct alle driften te volgen en waarschuwt dat
onmiddellijke bevrediging soms meer schade kan opleveren.
Een sterk Ego kan driftenergie gebruiken om op de lange termijn iets goeds te
realiseren, terwijl een zwak Ego moeite heeft met impulsen en afstemming op de
realiteit.
Vergelijking van Freud: het Ego is als een cowboy die het driftige paard, het Id,
probeert te berijden.
Het Super-Ego
Ontstaat uit een deel van het Ego tijdens het oedipale conflict (rond het 4e–5e
levensjaar).
Functie: innerlijke stem die ons vertelt wat goed of slecht is, en wat wel of niet mag.
- Moraliteitsprincipe
Bestaat uit twee onderdelen:
4.1 HET BEWUSTE, HET VOORBEWUSTE EN HET ONBEWUSTE...............................2
4.2 HET ID, HET EGO EN HET SUPER-EGO.....................................................2
3.1.1 ONTSTAAN VAN HET EGO............................................................ 3
4.3 CONSTRUCTIEVE EN DESTRUCTIEVE DRIFTEN..............................................5
4.1.1 UITGANGSPUNTEN..................................................................... 7
1.1. ONS GEDRAG, ONZE GEVOELENS, ONZE GEDACHTEN EN ONZE INTERACTIES
WORDEN BEPAALD DOOR ONS ONBEWUSTE.....................................................7
1.2. ONS GEDRAG, ONZE GEVOELENS, ONZE GEDACHTEN EN INTERACTIES WORDEN
BEPAALD DOOR ONZE ERVARINGEN UIT DE EERSTE LEVENSJAREN...........................8
1.3. EEN PSYCHOANALYTISCHE BENADERING GAAT UIT VAN EEN CONFLICTMODEL......9
1.4. EEN PSYCHOLANALYTISCHE BENADERING GAAT UIT VANUIT CASESTUDY’S OM AAN
WETENSCHAP TE DOEN............................................................................10
5.1.1 HEDENDAAGSE DENKERS.......................................................... 11
5.1 SITUERING VAN DE PERSOONLIJKHEIDSTHEORIE VAN FRUED..........................13
5.4 PROJECTIEVE TECHNIEKEN..................................................................14
6.1 DE MOTIVATIETHEORIE VAN SIGMUND FREUD...........................................16
6.1.1 HET BEGRIP ‘DRIFT’.................................................................. 16
6.1.2 HET PRIMAIRE EN SECUNDAIRE PROCES..................................... 18
6.1.3 AFWEERMECHANISMEN............................................................ 19
6.2 KRITISCHE BEDENKINGEN BIJ DE MOTIVATIETHEORIE VAN FREUD....................23
, De psychoanalytische benadering
4. Basisbegrippen
Psychoanalyse heeft een eigen complex begrippenkader dat belangrijk is om te
begrijpen.
Het werk van Sigmund Freud is omvangrijk en vaak dubbelzinnig of herhaald
geformuleerd, wat leidt tot verschillende interpretaties.
Psychoanalyse verwijst zowel naar een stroming binnen psychologie als
een therapeutische methode gericht op structurele persoonlijkheidsverandering.`
4.1 Het bewuste, het voorbewuste en het onbewuste
Het bewuste: Gedachten, gevoelens, verlangens en herinneringen waarvan we
ons op dat moment bewust zijn en makkelijk bespreekbaar.
Het voorbewuste: Informatie die we niet bewust ervaren, maar eenvoudig
kunnen oproepen (bijv. herinneringen van afgelopen weekend).
Het onbewuste: De kernbijdrage van Freud drijfveren, verdrongen
herinneringen en verlangens die ons gedrag en onze gevoelens beïnvloeden,
maar die we niet bewust kunnen maken vanwege angst of verdringing.
o Niet te verwarren met automatische handelingen of fysiologische
processen.
o Blijft actief en beïnvloedt gedrag, gedachten en emoties.
Volgens Freud toont het onbewuste zich indirect, bijvoorbeeld via:
Toevallig gedrag of verspreking
Dromen, die volgens hem de “koninklijke weg” naar het onbewuste zijn en
gecodeerde betekenis bevatten.
Neurotisch gedrag en symptomen, zoals fobieën of dwanggedachten, die vaak
wijzen op onbewuste conflicten of onvervulde verlangens.
4.2 Het Id, het Ego en het Super-Ego
Het Id
, Bevindt zich volledig in het onbewuste en is lichamelijk van oorsprong.
Vertegenwoordigt oerdriften, zowel constructief als destructief, en vormt de
fundamentele drijfveer achter gedrag, gedachten en gevoelens.
Het Id stuurt gedrag, niet het verstand; mensen handelen vooral vanuit hun
driften.
Bij een pasgeborene bestaat de psychische structuur volledig uit het Id, gericht
op onmiddellijke bevrediging van lichamelijke behoeften.
Het Id werkt volgens het lustprincipe: streven naar maximalisatie van lust en
genot.
Conflicten ontstaan wanneer de omgeving (bijv. moeder) niet onmiddellijk aan
de verlangens voldoet.
1.1.1
2.1.1
3.1.1 Ontstaan van het Ego
Om met deze spanning tussen driften en omgeving om te gaan, ontwikkelt zich
het Ego, dat functioneert als bemiddelaar tussen het Id en de eisen van de
werkelijkheid.
Het Ego
Het Ego is het rationele deel van de persoonlijkheid, gericht op rede en
gezond verstand.
Het probeert de wensen van het Id te verzoenen met de eisen van de
omgeving.
Werkt volgens het realiteitsprincipe: verlangens worden getemd, gekanaliseerd
of uitgesteld met oog voor de beperkingen van de werkelijkheid.
Het Ego leert ons niet direct alle driften te volgen en waarschuwt dat
onmiddellijke bevrediging soms meer schade kan opleveren.
Een sterk Ego kan driftenergie gebruiken om op de lange termijn iets goeds te
realiseren, terwijl een zwak Ego moeite heeft met impulsen en afstemming op de
realiteit.
Vergelijking van Freud: het Ego is als een cowboy die het driftige paard, het Id,
probeert te berijden.
Het Super-Ego
Ontstaat uit een deel van het Ego tijdens het oedipale conflict (rond het 4e–5e
levensjaar).
Functie: innerlijke stem die ons vertelt wat goed of slecht is, en wat wel of niet mag.
- Moraliteitsprincipe
Bestaat uit twee onderdelen: