Biologie samenvatting
1. Biologische organisatieniveaus
Molecuul: kleinste deeltje van een stof met alle eigenschappen
(bijv. glucose, insuline).
Organellen: onderdelen van een cel (bijv. celkern).
Cel: functionele basiseenheid van een organisme.
Weefsel: groep cellen met dezelfde bouw en functie.
Orgaan: opgebouwd uit weefsels (bijv. alvleesklier).
Orgaanstelsel: organen die samenwerken (bijv. verteringsstelsel).
Organisme: levend wezen (bijv. Wadna).
Hoger: populatie → levensgemeenschap → ecosysteem → systeem
Aarde.
Bij diabetes gaat er op meerdere niveaus iets mis:
Molecuul: te weinig insuline.
Cel: te weinig opname van glucose.
Orgaan: alvleesklier produceert onvoldoende insuline.
Organisme: vermoeidheid, dorst, hypo’s en hyper’s.
2. Emergente eigenschappen
Eigenschappen die ontstaan door samenwerking van onderdelen op
een lager niveau.
Voorbeeld: losse spier- en zenuwcellen hebben beperkte functies,
maar samen maken ze beweging mogelijk.
Bij organismen: denken of sporten zijn emergente eigenschappen.
, 3. Levenskenmerken
Cellen en organismen vertonen kenmerken van leven, zoals:
Stofwisseling (energie uit glucose halen).
Groei en ontwikkeling (celdifferentiatie).
Voortplanting (van cellen en organismen).
Prikkelbaarheid en reageren op omgeving.
Zelforganisatie en herstel (bijv. wondgenezing).
4. Stamcelkweek in medische toepassingen
Stamcellen: ongedifferentieerde cellen die zich kunnen delen en
specialiseren.
Artsen kunnen stamcellen gebruiken om weefsel te kweken, zoals
de eilandjes van Langerhans (die insuline produceren).
Toepassing bij suikerziekte: stamcellen differentiëren naar
insulineproducerende cellen → minder kans op afstoting, zeker bij
gebruik van eigen stamcellen.
5. Oppervlak/volume-verhouding
Kleine cellen: groot oppervlak t.o.v. volume → stoffen kunnen snel
genoeg uitgewisseld worden.
Grote cellen: relatief klein oppervlak t.o.v. volume → opname en
afgifte te langzaam.
Organismen lossen dit op door vergroting van het oppervlak:
o Uitstulpingen in darmcellen → efficiëntere opname van
voedingsstoffen.
o Weefselvloeistof omspoelt cellen → betere uitwisseling van
stoffen.
Kortom: Diabetes laat zien hoe storingen op verschillende
organisatieniveaus leiden tot klachten. Het voorbeeld maakt duidelijk
wat emergente eigenschappen zijn, hoe levenskenmerken tot uiting
komen, hoe stamceltechnologie medisch ingezet kan worden en
1. Biologische organisatieniveaus
Molecuul: kleinste deeltje van een stof met alle eigenschappen
(bijv. glucose, insuline).
Organellen: onderdelen van een cel (bijv. celkern).
Cel: functionele basiseenheid van een organisme.
Weefsel: groep cellen met dezelfde bouw en functie.
Orgaan: opgebouwd uit weefsels (bijv. alvleesklier).
Orgaanstelsel: organen die samenwerken (bijv. verteringsstelsel).
Organisme: levend wezen (bijv. Wadna).
Hoger: populatie → levensgemeenschap → ecosysteem → systeem
Aarde.
Bij diabetes gaat er op meerdere niveaus iets mis:
Molecuul: te weinig insuline.
Cel: te weinig opname van glucose.
Orgaan: alvleesklier produceert onvoldoende insuline.
Organisme: vermoeidheid, dorst, hypo’s en hyper’s.
2. Emergente eigenschappen
Eigenschappen die ontstaan door samenwerking van onderdelen op
een lager niveau.
Voorbeeld: losse spier- en zenuwcellen hebben beperkte functies,
maar samen maken ze beweging mogelijk.
Bij organismen: denken of sporten zijn emergente eigenschappen.
, 3. Levenskenmerken
Cellen en organismen vertonen kenmerken van leven, zoals:
Stofwisseling (energie uit glucose halen).
Groei en ontwikkeling (celdifferentiatie).
Voortplanting (van cellen en organismen).
Prikkelbaarheid en reageren op omgeving.
Zelforganisatie en herstel (bijv. wondgenezing).
4. Stamcelkweek in medische toepassingen
Stamcellen: ongedifferentieerde cellen die zich kunnen delen en
specialiseren.
Artsen kunnen stamcellen gebruiken om weefsel te kweken, zoals
de eilandjes van Langerhans (die insuline produceren).
Toepassing bij suikerziekte: stamcellen differentiëren naar
insulineproducerende cellen → minder kans op afstoting, zeker bij
gebruik van eigen stamcellen.
5. Oppervlak/volume-verhouding
Kleine cellen: groot oppervlak t.o.v. volume → stoffen kunnen snel
genoeg uitgewisseld worden.
Grote cellen: relatief klein oppervlak t.o.v. volume → opname en
afgifte te langzaam.
Organismen lossen dit op door vergroting van het oppervlak:
o Uitstulpingen in darmcellen → efficiëntere opname van
voedingsstoffen.
o Weefselvloeistof omspoelt cellen → betere uitwisseling van
stoffen.
Kortom: Diabetes laat zien hoe storingen op verschillende
organisatieniveaus leiden tot klachten. Het voorbeeld maakt duidelijk
wat emergente eigenschappen zijn, hoe levenskenmerken tot uiting
komen, hoe stamceltechnologie medisch ingezet kan worden en