Probleem 4 - Vervolging
Leerdoel I. Wat is vervolging?
Vervolgingsbeslissing: de beslissing van de officier van justitie om de zaak voor te leggen aan een
rechter.
De vervolging kan op twee manieren aanvangen:
1. Het OM betrekt een (onderzoeks)rechter bij de strafzaak, die zelf een beslissing neemt.
2. Tegen een verdachte wordt een strafbeschikking uitgevaardigd.
Dagvaarding: een aan de verdachte verzon de oproeping om opeen bepaalde datum en een bepaald
tijdstip te verschijnen voor de zittingsrechter.
De dagvaarding bevat ook de tenlastelegging; waarvoor die verdachte precies terecht moet staan.
De officier van justitie kan op deze manier rechterlijke inmenging in een zaak verkrijgen.
Het OM, in de persoon van de OvJ, kan naar aanleiding van het voorbereidend onderzoek beslissen dat
een verdachte zich ten overstaan van de strafrechter moet verantwoorden (art. 167 Sv).
Art. 63 lid 1 Sv: ‘de rechter-commissaris kan, op vordering van den officier van justitie, een bevel tot
bewaring van den verdachte verlenen’.
- Doordat alleen een rechter de bewaring mag bevelen, is er al sprake van vervolging.
Het vorderen van een machtiging kan niet worden aangemerkt als een daad van vervolging, omdat de
rechter-commissaris niet zelf besluit tot het uitvoeren van een handeling (vb. telefoontap).
Leerdoel II. Wie is de vervolgende instantie?
Het Openbaar Ministerie is een overheidsorgaan dat is belast met de strafrechtelijke handhaving van
de rechtsorde en andere bij wet vastgestelde taken (art. 124 Wet RO).
Bij de rechtbanken wordt het OM vertegenwoordigd door officieren van justitie.
De afdeling van het OM bij een gerecht wordt aangeduid als het parket.
Het initiëren van een strafvervolging door het versturen van een strafrechtelijke dagvaarding is het
exclusieve recht van de officier van justitie. Een slachtoffer van een strafbaar feit kan geen strafzaak
beginnen tegen een verdachte, maar zij kunnen elkaar wel dagvaarden in civielrechtelijke kwesties.
De officier van justitie heeft het alleenrecht op de keuze van het ten laste gelegde feit.
Leerdoel III. Kan er onder alle omstandigheden worden vervolgd?
Vervolgingsbeletsel: een reden waarom in een concrete situatie vervolging niet is toegestaan (Wb Sr).
Als er sprake is van een vervolgingsbeletsel, dan bestaat geen recht (meer) van de officier van justitie
om te vervolgen.
- Vb. het ‘ne-bis-in-idem-beginsel, wat inhoudt dat een verdachte niet veel maal voor hetzelfde
feit mag worden vervolgd, maar wat is ‘hetzelfde feit’?
De belangrijkste vervolgingsbeletselen:
I. Rechtsmacht (art. 2-8d Sr)
De hoofdregel van de rechtsmacht is het territorialiteitsbeginsel in artikel 2 Sr: ‘de Nederlandse
strafwet is toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt’.
Misdrijven tegen de veiligheid van de staat, is een categorie feiten waarover Nederland rechtsmacht
claimt (art. 4 Sr).
- Deze misdrijven kunnen schade toebrengen aan de belangen van de Nederlandse staat.
Nederlandse jurisdictie strekt zich ook uit over de Nederlanders die de in dat artikel genoemde
strafbare feiten begaan in het buitenland (art. 7 Sr).
Tot slot maak dat in bepaalde gevallen ook rechts mag bestaat wanneer een strafbaar feit tegen een
Nederlander is begaan (art. 5 Sr).
, II. Leeftijd (art. 486 Sv)
De mogelijkheid tot strafvervolging is gebonden aan een minimumleeftijd, de leeftijd van 12 jaren.
De grens is rigide, afwijkingen voor bijzondere gevallen zijn er niet.
III. Verjaring van het vervolgingsrecht (art. 70-71 Sr)
Niet ieder strafbaar feit verjaard en strafbare feiten die wel voor jaren kennen niet alle dezelfde
verjaringstermijn. Artikel 70 regelt de verjaring van het ‘recht tot strafvordering’ (vervolging).
- Misdrijven waarop volgens de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf is
gesteld en bepaalde zedendelicten met minderjarige slachtoffers verjaren niet.
De termijn van verjaring begint In de regel op de dag na die waarop het feit is gepleegd (art. 71 Sr).
IV. Overlijden van de verdachte (art. 69 Sr)
De wet bepaalt in artikel 69 Sr dat het recht tot strafvordering vervalt door de dood van de verdachte.
V. Klacht (art. 164 Sr)
Het wetboek van strafrecht kent enkele delicten die alleen vervolgbaar zijn op klacht.
Een klacht is een bijzondere soort aangifte, waarbij de klager verzoekt om vervolging.
- De officier is na een klacht NIET verplicht om te vervolgen.
VI. Immuniteit van overheidsorganen
Artikel 51 SR bepaalt dat strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en
rechtspersonen. De Hoge Raad heeft in het Volkelarrest bepaalt dat de Nederlandse staat immuun is
voor strafvervolging, Omdat de handelingen van de staat strekken tot de behartiging van het algemene
belang.
VII. Ne bis in idem (art. 68 Sr)
Niemand mag tweemaal voor hetzelfde strafbare feit worden vervolgd.
Het ne-bis-in-idem-beginsel geldt voor de rechterlijke uitspraken, als bedoeld in artikel 351 en 352 Sv.
De beginselen van een behoorlijke procesorde
Een belangrijke categorie van gevallen waarin de officier van justitie evenmin vervolgingsrecht heeft,
zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De vervolgingsbeslissing moet de toets aan
deze ongeschreven, buitenwettelijke beginselen kunnen doorstaan.
1. Het gelijkheidsbeginsel
Er is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel indien in vergelijkbare gevallen een
ongerechtvaardigd verschil in strafvorderlijke benadering bestaat.
- Politiesepot: De politie neemt de beslissing om er verder geen werk van te maken.
2. Het vertrouwensbeginsel
Verdachten moeten als algemene regel de overheid in redelijkheid kunnen houden aan verwachtingen
die zij heeft opgewekt, ook door vervolging richtlijnen.
Leerdoel I. Wat is vervolging?
Vervolgingsbeslissing: de beslissing van de officier van justitie om de zaak voor te leggen aan een
rechter.
De vervolging kan op twee manieren aanvangen:
1. Het OM betrekt een (onderzoeks)rechter bij de strafzaak, die zelf een beslissing neemt.
2. Tegen een verdachte wordt een strafbeschikking uitgevaardigd.
Dagvaarding: een aan de verdachte verzon de oproeping om opeen bepaalde datum en een bepaald
tijdstip te verschijnen voor de zittingsrechter.
De dagvaarding bevat ook de tenlastelegging; waarvoor die verdachte precies terecht moet staan.
De officier van justitie kan op deze manier rechterlijke inmenging in een zaak verkrijgen.
Het OM, in de persoon van de OvJ, kan naar aanleiding van het voorbereidend onderzoek beslissen dat
een verdachte zich ten overstaan van de strafrechter moet verantwoorden (art. 167 Sv).
Art. 63 lid 1 Sv: ‘de rechter-commissaris kan, op vordering van den officier van justitie, een bevel tot
bewaring van den verdachte verlenen’.
- Doordat alleen een rechter de bewaring mag bevelen, is er al sprake van vervolging.
Het vorderen van een machtiging kan niet worden aangemerkt als een daad van vervolging, omdat de
rechter-commissaris niet zelf besluit tot het uitvoeren van een handeling (vb. telefoontap).
Leerdoel II. Wie is de vervolgende instantie?
Het Openbaar Ministerie is een overheidsorgaan dat is belast met de strafrechtelijke handhaving van
de rechtsorde en andere bij wet vastgestelde taken (art. 124 Wet RO).
Bij de rechtbanken wordt het OM vertegenwoordigd door officieren van justitie.
De afdeling van het OM bij een gerecht wordt aangeduid als het parket.
Het initiëren van een strafvervolging door het versturen van een strafrechtelijke dagvaarding is het
exclusieve recht van de officier van justitie. Een slachtoffer van een strafbaar feit kan geen strafzaak
beginnen tegen een verdachte, maar zij kunnen elkaar wel dagvaarden in civielrechtelijke kwesties.
De officier van justitie heeft het alleenrecht op de keuze van het ten laste gelegde feit.
Leerdoel III. Kan er onder alle omstandigheden worden vervolgd?
Vervolgingsbeletsel: een reden waarom in een concrete situatie vervolging niet is toegestaan (Wb Sr).
Als er sprake is van een vervolgingsbeletsel, dan bestaat geen recht (meer) van de officier van justitie
om te vervolgen.
- Vb. het ‘ne-bis-in-idem-beginsel, wat inhoudt dat een verdachte niet veel maal voor hetzelfde
feit mag worden vervolgd, maar wat is ‘hetzelfde feit’?
De belangrijkste vervolgingsbeletselen:
I. Rechtsmacht (art. 2-8d Sr)
De hoofdregel van de rechtsmacht is het territorialiteitsbeginsel in artikel 2 Sr: ‘de Nederlandse
strafwet is toepasselijk op ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt’.
Misdrijven tegen de veiligheid van de staat, is een categorie feiten waarover Nederland rechtsmacht
claimt (art. 4 Sr).
- Deze misdrijven kunnen schade toebrengen aan de belangen van de Nederlandse staat.
Nederlandse jurisdictie strekt zich ook uit over de Nederlanders die de in dat artikel genoemde
strafbare feiten begaan in het buitenland (art. 7 Sr).
Tot slot maak dat in bepaalde gevallen ook rechts mag bestaat wanneer een strafbaar feit tegen een
Nederlander is begaan (art. 5 Sr).
, II. Leeftijd (art. 486 Sv)
De mogelijkheid tot strafvervolging is gebonden aan een minimumleeftijd, de leeftijd van 12 jaren.
De grens is rigide, afwijkingen voor bijzondere gevallen zijn er niet.
III. Verjaring van het vervolgingsrecht (art. 70-71 Sr)
Niet ieder strafbaar feit verjaard en strafbare feiten die wel voor jaren kennen niet alle dezelfde
verjaringstermijn. Artikel 70 regelt de verjaring van het ‘recht tot strafvordering’ (vervolging).
- Misdrijven waarop volgens de wettelijke omschrijving 12 jaar of meer gevangenisstraf is
gesteld en bepaalde zedendelicten met minderjarige slachtoffers verjaren niet.
De termijn van verjaring begint In de regel op de dag na die waarop het feit is gepleegd (art. 71 Sr).
IV. Overlijden van de verdachte (art. 69 Sr)
De wet bepaalt in artikel 69 Sr dat het recht tot strafvordering vervalt door de dood van de verdachte.
V. Klacht (art. 164 Sr)
Het wetboek van strafrecht kent enkele delicten die alleen vervolgbaar zijn op klacht.
Een klacht is een bijzondere soort aangifte, waarbij de klager verzoekt om vervolging.
- De officier is na een klacht NIET verplicht om te vervolgen.
VI. Immuniteit van overheidsorganen
Artikel 51 SR bepaalt dat strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en
rechtspersonen. De Hoge Raad heeft in het Volkelarrest bepaalt dat de Nederlandse staat immuun is
voor strafvervolging, Omdat de handelingen van de staat strekken tot de behartiging van het algemene
belang.
VII. Ne bis in idem (art. 68 Sr)
Niemand mag tweemaal voor hetzelfde strafbare feit worden vervolgd.
Het ne-bis-in-idem-beginsel geldt voor de rechterlijke uitspraken, als bedoeld in artikel 351 en 352 Sv.
De beginselen van een behoorlijke procesorde
Een belangrijke categorie van gevallen waarin de officier van justitie evenmin vervolgingsrecht heeft,
zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De vervolgingsbeslissing moet de toets aan
deze ongeschreven, buitenwettelijke beginselen kunnen doorstaan.
1. Het gelijkheidsbeginsel
Er is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel indien in vergelijkbare gevallen een
ongerechtvaardigd verschil in strafvorderlijke benadering bestaat.
- Politiesepot: De politie neemt de beslissing om er verder geen werk van te maken.
2. Het vertrouwensbeginsel
Verdachten moeten als algemene regel de overheid in redelijkheid kunnen houden aan verwachtingen
die zij heeft opgewekt, ook door vervolging richtlijnen.