Identificeren gedragsproblemen
Abnormaal:
1. Statistische deviatie (zeldzaamheid/onregelmatigheid)
o Probleem: context wordt niet meegenomen (suïcide gedachten bij rouw)
2. Handicap (gedachten, gevoelens, handelingen die functioneren verstoren)
o Probleem: beperkingen/symptomen niet meteen altijd duidelijk
(anorexia)
3. Distress (emotioneel leed)
o Probleem: subjectief criterium (gevoelens moeten begrijpen & verwoorden)
o Sommige stoornissen leiden niet persee tot distress (gedragsstoornissen)
Schadelijk disfunctioneren: abnormaal gedrag (1) verwijst naar een
onderliggende disfunctie in een biologisch of psychologisch systeem, (2) het
veroorzaakt beperkingen en (3) zorgt voor distress
Mentale/geestelijke stoornis DSM-V: een syndroom gekarakteriseerd door
klinisch significante verstoringen in een persoons cognitie, emotieregulatie of
gedrag, dat een disfunctie reflecteert in psychologische, biologische of
ontwikkelingsprocessen die ten grondslag liggen aan mentaal functioneren.
(Medisch gericht)
Limitatie toepassen kinderen:
o Onderliggende oorzaken kunnen niet altijd goed worden
geïdentificeerd
(Je praat met kinderen dus moeilijker verwoorden etc.)
o Kinderstoornissen vaak relationeel
(Beter begrijpen wanneer je naar interpersoonlijke context kijkt i.p.v. alleen kind)
o Gedrag best begrepen binnen sociaal-culturele omgeving
(De manier van opvoeden die ouders gebruiken)
DSM-V:
combineert 3 classificaties
- Categorisch: criteria A, B en C (Hebt of de ene of de andere stoornis)
- Prototypisch: 5 of meer symptomen (Mate waarin symptomen en tekenen
overeenkomen met DSM)
- Dimensioneel: qua ernst in te schalen op een continuüm (Mild-ernstig)
Symptomen: subjectieve ervaringen die geassocieerd zijn met stoornis
Tekenen: openlijke kernmerken stoornis
Prevalentie kindstoornissen
13,5% wereldwijd mentale stoornissen
- Puntprevalentie (bepaald moment in tijd)
- Lifetime prevalentie (in totaal ergens gedurende leven bepaalde stoornis)
- Incidentie (frequentie nieuwe gevallen in bepaalde periode)
Comorbiditeit
Twee of meer stoornissen in dezelfde persoon (40%)
- Depressie met angststoornis (75%)
- ADHD met gedragsproblemen (50%)
,Factoren die invloed hebben op de prevalentie van kindstoornissen
1. Leeftijd (ADHD, verlatingsangst kinderen dan adolescenten)
2. Gender (kindertijd jongens, adolescentie meisjes)
3. Socio-economische status (SES) (meer bij lagere SES)
4. Etniciteit (culturele invloed op ontwikkeling en definities (ab)normaal gedrag)
Oorzaken kindstoornissen
Ontwikkelingspsychopathologie
Multidisciplinaire benadering om de oorzaken en het ontstaan van
kinderontwikkelingen en ontwikkelingsstoornissen te begrijpen
1. Biologie: genen, functioneren van de hersenen, fysieke gezondheid
2. Psychologie: cognities, emoties, gedrag
3. Socio-cultureel: sociaal netwerk, culturele achtergrond
Interacteren met elkaar (kan leiden tot externaliserende problemen)
Zowel normale als abnormale ontwikkeling is probabilistisch en transactioneel
(factoren verschillende niveaus beinvloeden elkaar)
Theorieën over de ontwikkeling
1. Ontwikkelingstaken (Erikson): in de ontwikkeling hebben kinderen
bepaalde uitdagingen en ontwikkelingstaken. Verschillende stadia die je
moet doorlopen.
2. Verandering v.s continuïteit
a. Homotypische continuïteit: symptomen stoornis blijven
onveranderd gedurende ontwikkeling
b. Heterotypische continuïteit: symptomen stoornis veranderen
gedurende ontwikkeling. (Zelfde probleem, andere uiting)
Equifinaliteit en multifinaliteit
Interacties tussen biologie, psychologie en socio-culturele factoren kunnen leiden
tot:
1. Equifinaliteit: verschillende ontwikkelingsgeschiedenissen leiden tot
dezelfde uitkomst
2. Multifinaliteit: gelijke ervaringen leiden tot verschillende
ontwikkelingsuitkomsten
Dit komt doordat kinderen verschillend kunnen reageren op dezelfde ervaringen
= interindividuele variabiliteit
1. Risicofactoren: verlies ouders, mishandeling, onveilige thuissituatie
2. Protectieve factoren: temperament, ouder-kindrelatie, ondersteunende
systemen
3. Veerkracht: kracht/competentie ondanks aanwezigheid risicofactoren
Diathese-stress model
Beschrijft de interactie tussen risicofactoren en protectieve factoren
1. Kwetsbaarheid voor psychische stoornissen (diathese-genetische opbouw)
2. Ervaringen van stressvolle gebeurtenissen
2 typen individuen: kwetsbare en veerkrachtige
Iedereen heeft aanleg/kwetsbaarheid voor een diathese, maar uiting hangt
af van omgevingsbronnen en stressfactoren. Wanneer de drempelwaarde
overschreden wordt ontwikkeld het kind een stoornis.
Gen-omgeving correlatie model
,Beschrijft dat de ontwikkeling is gebaseerd op een biologische basis (genen, genotype)
en de omgeving (ervaringen) --> genen sturen ervaringen, maar de kansen in de
omgeving zijn nodig voor de ontwikkeling van de persoon.
- Passieve correlatie: ouders zorgen voor verrijkende omgeving gecorreleerd aan genotype
ouder/kind (intellect)
- Evocatieve correlatie: genotype zorgt voor respons in omgeving (huilende baby meer
aandacht)
- Actieve correlatie: mensen zoeken stimulerende omgeving in relatie tot hun genotype
(introvert/extravert)
Wetenschap en evidence-based werken
5 principes wetenschappelijk denken
1. Falsificeerbaarheid: hypothesen zijn toetsbaar
2. Kritische denken: je moet altijd sceptisch blijven en zoeken naar mogelijke alternatieven
3. Parsimonie (spaarzaamheid): je moet zoeken naar meest simpele/spaarzame verklaring
4. Precisie: nauwkeurig en voorzichtig zijn in de manier waarop conclusies worden getrokken
5. Reproduceerbaarheid: het gebruiken van dezelfde methode moet leiden tot dezelfde conclusie
Evidence-based practice
In de psychologie gaat het om integratie van het (1) best beschikbare onderzoek
met (2) klinische expertise in (3) de context van de karakteristieken, cultuur en
voorkeuren van de cliënt.
1. Wetenschappelijk onderzoek (literatuur)
2. Klinische expertise (professionele ervaringen en expertise)
3. Patiënt karakteristieken (hoe kunnen patiënt karakteristieken/omgeving de hulpverlener
beïnvloeden)
5 niveaus van evidence-based behandelingen
1. Twijfelachtige effectiviteit (inferieur aan geen behandeling)
2. Experimentele behandeling (min. 1 studie, met methodologische limitaties laat effect zien)
3. Mogelijke effectieve behandeling (min. 1 studie, goed uitgevoerd, effect beter dan geen
behandeling)
4. Waarschijnlijk effectieve behandeling (min. 2 studies, goed uitgevoerd, effect beter dan
geen behandeling)
5. Goed vastgestelde behandeling (min. 2 studies, goed uitgevoerd door onafhankelijke
onderzoekers, effect beter dan placebo)
,