Hoofdstuk 2: ontwikkelingspsychologie
2.1 Relatie met autobiografie
Iedereen heeft een eigen levensverhaal dat bestaat uit gebeurtenissen, keuzes en ontmoetingen.
Sommige gebeurtenissen zijn opvallend en worden vaak verteld, andere blijven meer op de
achtergrond. Als (toekomstige) leerkracht heb je ook zo’n verhaal, opgebouwd uit ervaringen als
leerling, student of stagiair.
Ervaringen krijgen pas betekenis wanneer je erover nadenkt en ze verbindt aan je rol als leerkracht.
Dit proces heet werken met narratieven: ervaringen worden in verhalen en beelden omgezet,
waardoor ze meer betekenis krijgen. Zo vorm je je ideeën over leerlingen, onderwijs en je eigen rol
als leerkracht.
Een belangrijk onderdeel hierbij is pedagogisch inlevingsvermogen: kunnen meeleven met
kinderen en bewust zijn van je eigen invloed. Daarnaast speelt autobiografische reflectie een rol:
bewust terugkijken op je eigen verleden en ervaringen, om te begrijpen hoe die je huidige handelen
beïnvloeden. Door dit te doen (en soms ook te delen met anderen) ontwikkel je inzicht in je eigen
overtuigingen, emoties en beroepshouding.
Het doel hiervan is dat je jezelf beter leert kennen en bewust richting geeft aan je professionele
ontwikkeling.
2.2 Hoe leer je kinderen kennen
2.2.1 Observatie
Observatie is één van de belangrijkste instrumenten voor een leerkracht om kinderen goed te leren
kennen. Het geeft informatie over wat er met of in een groep gebeurt en maakt gedragingen en
situaties inzichtelijk.
Kenmerken van observatie:
● Het is doelgericht en onderscheidt zich van gewoon kijken of opletten.
● Je legt de focus bewust op een bepaald aspect van gedrag.
● Observatie moet zo objectief mogelijk gebeuren: je beschrijft wat je ziet, zonder
interpretaties.
Definitie van observatie = het doelgericht en systematisch waarnemen van gedragingen en uitingen
van één of meerdere personen of gebeurtenissen, met als doel dit samen te vatten.
Observatiemethoden:
1. Longitudinale observatie – een kind of groep langere tijd volgen.
2. Cross-sectionele observatie – verschillende kinderen in dezelfde periode op hetzelfde
aspect observeren, waardoor een ontwikkelingslijn zichtbaar wordt in verschillende
leeftijdsfasen.
, 3. Transversale observatie – verschillende kinderen van dezelfde leeftijd of hetzelfde aspect
observeren, om overeenkomsten en verschillen te zien.
Relatie leraar-leerling:
De klas en school zijn goede plekken om sociale vaardigheden te leren. Belangrijk hierbij is de
relatie tussen leerkracht en kind; kinderen moeten zich veilig en prettig voelen om zich
sociaal-emotioneel te kunnen ontwikkelen.
Een voorbeeld van een observatietechniek is Interactieanalyse. Hierbij worden gebeurtenissen
tijdens de les geobserveerd en systematisch vast worden gelegd.
Bekend systeem: VICS (Verbaal Interactie Categorieën Systeem).
○ Elke 2 seconden wordt genoteerd wat er gebeurt.
○ Zo kun je patronen, interacties en consequenties in het onderwijs analyseren.
○ Dit kan gericht zijn op de hele klas of een specifieke leerling.
2.2.2 Het sociogram
Een sociogram wordt gebruikt om de onderlinge relaties en verhoudingen in een klas zichtbaar
te maken. Het laat zien wie met wie bevriend is, wie populair is, wie weinig gekozen wordt en hoe
groepjes gevormd worden.
Werkwijze
● Kinderen krijgen vragen zoals:
“Wie is je beste vriend(in)?”, “Naast wie wil je in de bus zitten?”, “Met wie wil je
samenwerken?”
● Antwoorden zijn geheim, zodat kinderen eerlijk kunnen zijn.
● De keuzes (eerste en tweede keuze) worden verzameld in een tabel (sociomatrix) en daarna
grafisch weergegeven in een sociogram.
● Dit kan op papier of digitaal.
Soorten sociogrammen
1. Vriendschapssociogram – relaties op basis van vriendschap (bijv. naast wie wil je zitten?).
2. Werksociogram – relaties op basis van samenwerking (bijv. met wie wil je een taak doen?).
De gebruikswaarde.
Een sociogram is altijd een momentopname. Het geeft pas een goed beeld als je:
● Het combineert met observatie en gesprekken.
● De methode meerdere keren toepast (bijv. begin, midden en eind schooljaar).
● Verschillende vraagstellingen gebruikt.
● De gegevens analyseert om patronen te zien (bijv. wie vaak gekozen wordt of juist weinig).
● De uitkomsten bewust inzet: bijv. een minder populair kind koppelen aan een groep, of
patronen in samenwerking versterken of doorbreken.
● Controleert of je ingrepen ook echt effect hebben.