Diagnostiek: het gehele proces van informatieverwerving en -verwerking ten behoeve van de
hulpverlening bij gedrags- of leerproblemen.
Om:
* de problemen te begrijpen = onderkennen en verklaren
* een advies te geven mbt verdere begeleiding of behandeling
* of om ontwikkeling te volgen
Orthopedagogische diagnostiek:
• Systeemperspectief:
o Context: ouders en leerkracht
o Wederzijdse beïnvloeding: relatie tussen kind en context
o Transactioneel uitgangspunt
• Ontwikkelingsperspectief: in welke ontwikkelingsfase is het kind? hoe is dit kind tov
andere kinderen in dezelfde leeftijdsfase?
Diagnose: Een gedetailleerd en omvattend beeld met een verklaring voor de problemen van de
cliënt en zijn/haar situatie, uitmondend in een advies.
De diagnostische cyclus
Systematische aanpak → 5 vragen/kapstokken
De diagnostische cyclus is gebaseerd op:
• Empirische cyclus (de Groot, 1961):
o Wetenschappelijk onderzoek
o Hypothese toetsing
o Empirische gegevensverzameling
o Essentie: toetsing van de juistheid van beschrijvingen van de werkelijkheid
• Regulatieve cyclus (van Strien, 1974):
o Praktijk zorgverlening
o Het zorgverleningsproces is systematisch en in fases ingedeeld
o Sommige fases worden herhaald indien nodig
o Essentie: evaluatie van het effect van geboden hulp
o In de praktijk (fases)
1. Aanmelding en intake = het eerste contact
2. Teamoverleg, voorlopige indicatiestelling
3. Gericht onderzoek
4. Integratie: duidelijk beeld of meer info nodig?
5. Behandeling
, 6. Evaluatie
1. Aanmelding: Personalia (wie betreft het? Wie zijn betrokken?)
• Geboortedatum
• Leeftijd
• Schooltype/groep
• Gezinssamenstelling
• Woonomstandigheden
• Culturele achtergrond
• Ouderlijk gezag
• Risicofactoren
• Bijzonderheden
2. Klachtanalyse
• Aanmeldings- en/of verwijzingsredenen
• Screening: eerste informatie m.b.t. de problemen vanuit eerste
vragenlijsten/observaties/dossieronderzoek
• Klachtanalyse o.b.v. hulpvraag en informatie van de cliënt
3. Probleemanalyse
• Probleembeschrijving in vaktermen
• Probleemordening en benoeming
, o Ordenen
o Ernsttaxatie
o Onderkennende diagnose mogelijk?
• Onderkennende hypothese bevat een stelling dat er sprake is van een syndroom of
classificatie
o ‘’De ernst van de rekenproblemen duidt op dyscalculie’’
o ‘’Er is sprake van een angststoornis’’
Toetsingscriterium: van te voren vaststellen wanneer iets bijv. ADHD is. Boven de ‘25’ is het ADHD,
want geeft duidelijkheid, anders ga je achteraf kijken en twijfelen. Dan maak je een normaalverdeling
met normscores.
4. Verklaringsanalyse
• Mogelijke verklaringen van problemen of psychopathologische beelden (vanuit de
onderkennende hypotheses)?
• Biologische factoren, sociale en contextuele omstandigheden, cognitief-
affectieve/psychologische factoren
• Zijn het een of meerdere probleemclusters? Is het uitlokkend of in stand houdend?
• Stappen:
1. Voorlopig denkschema (indicaties en contra-indicaties)
2. Opstellen van verklarende hypothesen
3. Onderzoekshypothesen opstellen met een onderzoeksplan
➔ Aannemen, verwerpen of aanhouden van de hypothesen
➔ Integratief beeld van alle aangenomen onderkennende en verklarende hypotheses
• Model van Morton: wil verklaren op biologisch, cognitief en omgevingsniveau.
5. Indicatie
• Diagnostisch scenario: plan van aanpak/stappenplan
• Hulpvraag van cliënt → diagnostische hulpvraag
• Uitsplitsen
• soort vraagstelling – hypotheses
• soort onderzoek
De Bruyn et al., 2003
HS 4 Aanmelding
Aanmeldingstraject: wie heeft het traject in gang gezet, wie heeft verwezen, wanneer was dat enz.
Hulpverleningstraject: als de opdrachtgever samenvalt met de cliënt. Cliënt is het eens met de
aanmelding. → cliënt heeft beslisruimte
Dienstverleningstraject: opdrachtgever is extern. In dit geval schikt de cliënt zich -al dan niet
verplicht- in het meewerken aan het onderzoek. → cliënt heeft nauwelijks beslisruimte
, 4 criteria om het aanmeldingstraject voort te zetten:
1. de posities van de betrokkenen zijn niet in strijd met wettelijke bepalingen en
beroepsvoorschriften. (=kind en ouders moeten toestemming geven)
2. betrokkenen zijn bereid en in staat om afspraken te maken over hun inbreng
3. diagnostisch onderzoek is nodig.
4. De diagnosticus bezit de competentie om het onderzoek goed uit te voeren.
Begeer et al., 2024
HS 1 De plaats van psychodiagnostiek binnen het hulpverleningsproces
Empirische cyclus:
1. Observatie: het verzamelen van gegevens
2. Inductie: het formuleren van hypothesen op basis van waarnemingen
3. a. Deductie: het afleiden van toetsbaren voorspellingen uit die hypothesen
b. Operationalisatie: de deductie wordt voortgezet door bij iedere voorspelling adequate
onderzoeksmiddelen te kiezen
4. Toetsing
5. Evaluatie
Regulatieve cyclus:
1. Probleemherkenning: wat is er aan de hand?
2. Probleemdefiniëring: wat is de verklaring?
3. Interventiekeuze: welke oplossingen zijn er? Welke kan hier werken en wat is haalbaar?
4. Planning: hoe gaan we het doen?
5. Uitvoering: gaat alles volgens plan?
6. Eindevaluatie: wat was het effect? Wat hebben we geleerd?
HS 2 Theoretische aspecten van de psychodiagnostiek
Medisch model: ziekte identificeren.
Nosologisch/ziektemodel: symptomen en beloop van het ziekteproces herkennen als kenmerkend
voor een bepaalde ziekte.
- Differentiaaldiagnostiek: onderzoeken van verschijnselen die het verschil maken tussen het
ene en het andere beeld.
o Als de verschijnselen niet aan 1 bekend syndroom zijn te koppelen is er sprake van een
deeldiagnose.
Het psychodynamische model:
- Idee: problemen uit de kinderjaren spelen een rol bij latere problematiek.
- Diagnostiek:
o Structurele component: balans van verschillende krachten vanuit het id, ego en superego.
o Dynamische component: nadruk op conflicten tussen bovengenoemde krachten.
- Uitleg: intrapsychische conflicten kunnen leiden tot stagneren (fixatie) of terugvallen
(regressie) van de ontwikkeling. Als dit te groot/langdurig is → ontwikkelingsstoornis.
De gehechtheidstheorie:
- Idee: een duurzame effectieve relatie tussen en kind en zijn opvoeders.
o Sensitiviteit: vermogen van een opvoeder om signalen van het kind waar te nemen.
o Responsiviteit: vermogen van een opvoeder om adequaat op de waargenomen signalen te
reageren.