H6.1
Wat is het langetermijngeheugen?
Langetermijngeheugen (LTM): het systeem dat informatie opslaat voor
lange perioden. Het LTM heeft betrekking op herinneringen vanaf 30
seconden geleden tot de allereerste herinneringen.
Recente herinneringen zijn het meest gedetailleerd, deze details
vervagen als de tijd vordert en vaak verdwijnen de specifieke
herinneringen uiteindelijk helemaal.
Net als het werkgeheugen is het LTM een dynamisch systeem. Het
LTM biedt een archief dat we als referentie kunnen gebruiken als we
ons verleden herinneringen willen ophalen.
Het biedt achtergrondinformatie die we constant gebruiken als we
ons werkgeheugen gebruiken om te bepalen wat er precies gebeurt
op een moment. Dit komt voort uit interactie tussen het
STM/Werkgeheugen en het LTM.
Serial position-methode: De grenzen tussen het STM en LTM werden in
1962 onderzocht door B.B. Murdoch. Hierbij werd een lijst van woorden
rustig opgenoemd en aan het einde moest de proefpersoon alle woorden
opschrijven die hij zich nog kon herinneren.
Hierbij ontdekte hij een functie, de serial position curve: dit
toonde aan dat het geheugen de woorden aan het begin en aan het
einde van de lijst beter vasthoudt dan woorden die verder in de lijst
stonden.
Primacy-effect: het feit dat stimuli die aan het begin wordt
getoond beter wordt onthouden dan latere stimuli.
Een verklaring voor het primacy-effect is dat participanten de
woorden die aan het begin gehoord worden kunnen herhalen in hun
hoofd en ze zo in het LTM kunnen plaatsen. Hoe meer woorden
gehoord worden, hoe meer de aandacht moet worden verspreid en
hoe moeilijker het dus wordt om ze te onthouden.
Recency-effect: een beter geheugen voor stimuli die aan het einde
worden getoond.
Een mogelijke uitleg hiervoor is dat de laatste woorden in het rijtje
worden beter onthouden omdat er deze nog vers in het STM liggen.
Dit is op de volgende manier getest: de participanten mochten
deze keer pas na 30 seconden na het horen van het rijtje met
woorden de onthouden woorden opnoemen. Deze keer was er geen
sprake van het recency-effect.
Hoe verloopt de verwerking naar het langetermijngeheugen?
Informatie wordt in het LTM op een andere manier gecodeerd dan in het
STM.
Visuele codering gebeurt hier als je iemand herkent aan zijn
uiterlijk.
Auditieve codering gebeurt bijvoorbeeld als je een zanger herkent
aan zijn stem.
Semantische codering gebeurt wanneer je de context begrijpt van
iets dat gebeurd is in het verleden.
, Semantische codering is belangrijk in het LTM, wat geïllustreerd kan
worden aan de hand van fouten die mensen maken bij LTM-taken.
Een woord als ‘pantalon’ verkeerd herinneren als
‘broek’ bewijst dat vooral de betekenis van het woord is
onthouden in plaats van zijn visuele of auditieve
eigenschappen.
Waar is de locatie van het langetermijngeheugen?
Hippocampus aan beide kanten verwijderd: werkend STM, maar
absent LTM.
Het gevolg was anterograde en retrograde amnesie.
Hippocampus draagt bij aan STM, vooral bij nieuwe stimuli
(hersenactiviteit).
Beschadiging mediale temporaalkwab (hippocampus en amygdala):
Werkend STM, maar absent LTM.
Hij was niet meer in staat om nieuwe informatie op te slaan, hij
kon maar 1 of 2 minuten lang informatie vasthouden.
Schade aan parietaalkwab: digit span verlaagd, maar LTM intact.
Dubbele dissociatie: ze laten exact tegenovergestelde problemen
zien.
Recent onderzoek met neuroimaging-technieken laat zien dat de
hippocampus en mediale temporaalkwab inderdaad betrokken zijn bij LTM-
processen, maar ook voor een deel betrokken zijn bij het STM. Hoewel er
sterk bewijs is voor het onderscheid tussen STM en LTM, is er dus ook
bewijs dat ze niet zo sterk apart van elkaar staan als voorheen werd
verondersteld.
H6.2
Wat zijn het episodische en semantische geheugen en hoe
verschillen deze van elkaar?
Het expliciete geheugen: Dit geheugen is expliciet omdat de inhoud
ervan beschreven of gerapporteerd kan worden. Ook wel het bewuste
geheugen of declaratieve geheugen genoemd.
Bestaat uit het episodisch geheugen (persoonlijke
gebeurtenissen) en het semantisch geheugen (kennis en feiten).
Het episodisch geheugen heeft te maken met mentaal tijdreizen,
wat de ervaring is van in het hoofd terugreizen in de tijd en zo een
herinnering aan een ervaring ophalen.
Het semantisch geheugen zorgt voor de toegang tot kennis van
de wereld die niet gelinkt hoeft te zijn met persoonlijke ervaringen of
gebeurtenissen. Deze kennis refereert naar dingen die we weten en
waar we bekend mee zijn.
Er zijn patiënten waarbij het episodisch geheugen
aangetast is en het semantische intact is, wat bewijst
dat het twee losstaande systemen zijn (dubbele
dissociatie). Bewijs: brain imaging
, Semantisatie van oude herinneringen: Soms worden
semantische herinneringen gecreëerd door ervaring waarbij later de
episodische herinnering verdwijnt.
Bijv. alleen de feiten van het afstuderen herinneren na een aantal
jaar.
Het impliciete geheugen bestaat uit herinneringen die gebruikt worden
zonder dat we ons er bewust van zijn. De inhoud hiervan is onbewust dus
kan niet beschreven of gerapporteerd worden. Ook wel het onbewuste
geheugen of non-declaratieve geheugen genoemd.
Een voorbeeld van impliciet geheugen is ‘priming’.
Wat is het effect van ouder worden op het geheugen?
Het semantische geheugen verbetert tot ongeveer het 60e - 65e
levensjaar.
Het impliciete geheugen laat daarentegen weinig verandering zien
van de vroege volwassenheid tot de late volwassenheid.
Voornamelijk het episodische geheugen verslechtert snel op late
leeftijd. Longitudinale data ondersteunen deze bevindingen.
Hoe interacteren het episodisch geheugen en het semantische
geheugen met elkaar?
Onze kennis (het semantisch geheugen) leidt onze ervaringen en
beïnvloeden de episodische herinneringen die volgen uit die
ervaring.
Autobiografisch geheugen: Het geheugen voor specifieke ervaringen
uit ons leven. Deze kunnen zowel episodische componenten als
semantische componenten omvatten.
Interactie episodische en semantische geheugen is hier belangrijk voor.
Persoonlijke semantische herinneringen: Feiten die
geassocieerd worden met persoonlijke ervaringen.
Vertrouwdheid (familiarity): wordt geassocieerd met het
semantische geheugen, omdat het niet geassocieerd is met de
omstandigheden waar binnen de kennis is verkregen.
Herinnering (recollection): wordt geassocieerd met het
episodische geheugen omdat het details omvat over wat er
gebeurde toen de kennis werd verkregen.
Wat is 'priming'?
Priming: een verandering in respons als gevolg van onbewuste
beïnvloeding door voorafgaande blootstelling aan eenzelfde of gelijke
stimulus.
Positieve priming: wat zorgt voor een snellere/meer accurate
respons.
Repetition priming: treedt op als de teststimulus hetzelfde is of
lijkt op de geprimede stimulus. Het woord dat eerder is getoond
wordt sneller herkend dan een nieuw woord.
, Conceptuele priming: treedt op als de geprimede stimulus
gebaseerd is op dezelfde betekenis als de teststimulus. Het zien van
het woord ‘roofdier’ zorgt ervoor dat woorden die later getoond
worden die gerelateerd zijn aan roofdier (leeuw) sneller worden
herkend dan woorden die hier niet aan gerelateerd zijn (ijsblok).
Propaganda-effect: houdt in dat mensen statements die ze eerder
gelezen of gehoord hebben eerder als waar bestempelen, puur omdat ze
deze eerder hebben gezien.
Een soortgelijk effect treedt op wanneer mensen advertenties moeten
beoordelen en ze deze de week ervoor onbewust hebben gezien De
advertenties die zij de week ervoor hebben gezien worden positiever
beoordeeld, ook al kunnen zij zich niet herinneren de advertentie gezien te
hebben.
Procedureel geheugen of vaardigheidsgeheugen: een andere vorm
van impliciet geheugen, het geheugen voor dingen doen.
De vaardigheid om blind te typen is hier een voorbeeld van. Mensen
kunnen heel veel dingen doen zonder er bewust over na te denken.
Sommige dingen worden zelfs moeilijker als men er weer over na
moet denken.
Klassiek conditioneren: ook een vorm van impliciet geheugen, omdat er
onbewust verbindingen worden gelegd tussen twee neutrale stimuli.
De reden dat dit bij impliciet geheugen hoort is omdat deze respons
kan blijven optreden zelfs als er geen bewuste link meer is tussen
twee stimuli.
Op deze manier kunnen ook fobieën ontstaan.
Een interessant resultaat van onderzoek van Duval:
Zowel het episodische geheugen systeem als het semantisch
geheugen systeem moet functioneren om ons in staat te stellen na
te denken over onze persoonlijke toekomst.
Addis (2007) suggereert dat het hoofddoel van het episodisch
geheugen systeem wellicht niet het herinneren van het verleden is,
maar om mensen in staat te stellen om zich mogelijke toekomstige
scenario's voor te stellen en daarop te anticiperen.
H7.1
Hoe krijgen we informatie in het langetermijngeheugen?
Encoderen: het vergaren en opslaan van informatie in het LTM.
1. Creëer rijke representaties van wat je wilt onthouden.
- Uitgebreid oefenen.
- Diepe verwerking.
- Vorm beelden.
2. Wees actief bezig met wat je wilt onthouden.
- Genereer
- Oefen retrieval
Wat is het langetermijngeheugen?
Langetermijngeheugen (LTM): het systeem dat informatie opslaat voor
lange perioden. Het LTM heeft betrekking op herinneringen vanaf 30
seconden geleden tot de allereerste herinneringen.
Recente herinneringen zijn het meest gedetailleerd, deze details
vervagen als de tijd vordert en vaak verdwijnen de specifieke
herinneringen uiteindelijk helemaal.
Net als het werkgeheugen is het LTM een dynamisch systeem. Het
LTM biedt een archief dat we als referentie kunnen gebruiken als we
ons verleden herinneringen willen ophalen.
Het biedt achtergrondinformatie die we constant gebruiken als we
ons werkgeheugen gebruiken om te bepalen wat er precies gebeurt
op een moment. Dit komt voort uit interactie tussen het
STM/Werkgeheugen en het LTM.
Serial position-methode: De grenzen tussen het STM en LTM werden in
1962 onderzocht door B.B. Murdoch. Hierbij werd een lijst van woorden
rustig opgenoemd en aan het einde moest de proefpersoon alle woorden
opschrijven die hij zich nog kon herinneren.
Hierbij ontdekte hij een functie, de serial position curve: dit
toonde aan dat het geheugen de woorden aan het begin en aan het
einde van de lijst beter vasthoudt dan woorden die verder in de lijst
stonden.
Primacy-effect: het feit dat stimuli die aan het begin wordt
getoond beter wordt onthouden dan latere stimuli.
Een verklaring voor het primacy-effect is dat participanten de
woorden die aan het begin gehoord worden kunnen herhalen in hun
hoofd en ze zo in het LTM kunnen plaatsen. Hoe meer woorden
gehoord worden, hoe meer de aandacht moet worden verspreid en
hoe moeilijker het dus wordt om ze te onthouden.
Recency-effect: een beter geheugen voor stimuli die aan het einde
worden getoond.
Een mogelijke uitleg hiervoor is dat de laatste woorden in het rijtje
worden beter onthouden omdat er deze nog vers in het STM liggen.
Dit is op de volgende manier getest: de participanten mochten
deze keer pas na 30 seconden na het horen van het rijtje met
woorden de onthouden woorden opnoemen. Deze keer was er geen
sprake van het recency-effect.
Hoe verloopt de verwerking naar het langetermijngeheugen?
Informatie wordt in het LTM op een andere manier gecodeerd dan in het
STM.
Visuele codering gebeurt hier als je iemand herkent aan zijn
uiterlijk.
Auditieve codering gebeurt bijvoorbeeld als je een zanger herkent
aan zijn stem.
Semantische codering gebeurt wanneer je de context begrijpt van
iets dat gebeurd is in het verleden.
, Semantische codering is belangrijk in het LTM, wat geïllustreerd kan
worden aan de hand van fouten die mensen maken bij LTM-taken.
Een woord als ‘pantalon’ verkeerd herinneren als
‘broek’ bewijst dat vooral de betekenis van het woord is
onthouden in plaats van zijn visuele of auditieve
eigenschappen.
Waar is de locatie van het langetermijngeheugen?
Hippocampus aan beide kanten verwijderd: werkend STM, maar
absent LTM.
Het gevolg was anterograde en retrograde amnesie.
Hippocampus draagt bij aan STM, vooral bij nieuwe stimuli
(hersenactiviteit).
Beschadiging mediale temporaalkwab (hippocampus en amygdala):
Werkend STM, maar absent LTM.
Hij was niet meer in staat om nieuwe informatie op te slaan, hij
kon maar 1 of 2 minuten lang informatie vasthouden.
Schade aan parietaalkwab: digit span verlaagd, maar LTM intact.
Dubbele dissociatie: ze laten exact tegenovergestelde problemen
zien.
Recent onderzoek met neuroimaging-technieken laat zien dat de
hippocampus en mediale temporaalkwab inderdaad betrokken zijn bij LTM-
processen, maar ook voor een deel betrokken zijn bij het STM. Hoewel er
sterk bewijs is voor het onderscheid tussen STM en LTM, is er dus ook
bewijs dat ze niet zo sterk apart van elkaar staan als voorheen werd
verondersteld.
H6.2
Wat zijn het episodische en semantische geheugen en hoe
verschillen deze van elkaar?
Het expliciete geheugen: Dit geheugen is expliciet omdat de inhoud
ervan beschreven of gerapporteerd kan worden. Ook wel het bewuste
geheugen of declaratieve geheugen genoemd.
Bestaat uit het episodisch geheugen (persoonlijke
gebeurtenissen) en het semantisch geheugen (kennis en feiten).
Het episodisch geheugen heeft te maken met mentaal tijdreizen,
wat de ervaring is van in het hoofd terugreizen in de tijd en zo een
herinnering aan een ervaring ophalen.
Het semantisch geheugen zorgt voor de toegang tot kennis van
de wereld die niet gelinkt hoeft te zijn met persoonlijke ervaringen of
gebeurtenissen. Deze kennis refereert naar dingen die we weten en
waar we bekend mee zijn.
Er zijn patiënten waarbij het episodisch geheugen
aangetast is en het semantische intact is, wat bewijst
dat het twee losstaande systemen zijn (dubbele
dissociatie). Bewijs: brain imaging
, Semantisatie van oude herinneringen: Soms worden
semantische herinneringen gecreëerd door ervaring waarbij later de
episodische herinnering verdwijnt.
Bijv. alleen de feiten van het afstuderen herinneren na een aantal
jaar.
Het impliciete geheugen bestaat uit herinneringen die gebruikt worden
zonder dat we ons er bewust van zijn. De inhoud hiervan is onbewust dus
kan niet beschreven of gerapporteerd worden. Ook wel het onbewuste
geheugen of non-declaratieve geheugen genoemd.
Een voorbeeld van impliciet geheugen is ‘priming’.
Wat is het effect van ouder worden op het geheugen?
Het semantische geheugen verbetert tot ongeveer het 60e - 65e
levensjaar.
Het impliciete geheugen laat daarentegen weinig verandering zien
van de vroege volwassenheid tot de late volwassenheid.
Voornamelijk het episodische geheugen verslechtert snel op late
leeftijd. Longitudinale data ondersteunen deze bevindingen.
Hoe interacteren het episodisch geheugen en het semantische
geheugen met elkaar?
Onze kennis (het semantisch geheugen) leidt onze ervaringen en
beïnvloeden de episodische herinneringen die volgen uit die
ervaring.
Autobiografisch geheugen: Het geheugen voor specifieke ervaringen
uit ons leven. Deze kunnen zowel episodische componenten als
semantische componenten omvatten.
Interactie episodische en semantische geheugen is hier belangrijk voor.
Persoonlijke semantische herinneringen: Feiten die
geassocieerd worden met persoonlijke ervaringen.
Vertrouwdheid (familiarity): wordt geassocieerd met het
semantische geheugen, omdat het niet geassocieerd is met de
omstandigheden waar binnen de kennis is verkregen.
Herinnering (recollection): wordt geassocieerd met het
episodische geheugen omdat het details omvat over wat er
gebeurde toen de kennis werd verkregen.
Wat is 'priming'?
Priming: een verandering in respons als gevolg van onbewuste
beïnvloeding door voorafgaande blootstelling aan eenzelfde of gelijke
stimulus.
Positieve priming: wat zorgt voor een snellere/meer accurate
respons.
Repetition priming: treedt op als de teststimulus hetzelfde is of
lijkt op de geprimede stimulus. Het woord dat eerder is getoond
wordt sneller herkend dan een nieuw woord.
, Conceptuele priming: treedt op als de geprimede stimulus
gebaseerd is op dezelfde betekenis als de teststimulus. Het zien van
het woord ‘roofdier’ zorgt ervoor dat woorden die later getoond
worden die gerelateerd zijn aan roofdier (leeuw) sneller worden
herkend dan woorden die hier niet aan gerelateerd zijn (ijsblok).
Propaganda-effect: houdt in dat mensen statements die ze eerder
gelezen of gehoord hebben eerder als waar bestempelen, puur omdat ze
deze eerder hebben gezien.
Een soortgelijk effect treedt op wanneer mensen advertenties moeten
beoordelen en ze deze de week ervoor onbewust hebben gezien De
advertenties die zij de week ervoor hebben gezien worden positiever
beoordeeld, ook al kunnen zij zich niet herinneren de advertentie gezien te
hebben.
Procedureel geheugen of vaardigheidsgeheugen: een andere vorm
van impliciet geheugen, het geheugen voor dingen doen.
De vaardigheid om blind te typen is hier een voorbeeld van. Mensen
kunnen heel veel dingen doen zonder er bewust over na te denken.
Sommige dingen worden zelfs moeilijker als men er weer over na
moet denken.
Klassiek conditioneren: ook een vorm van impliciet geheugen, omdat er
onbewust verbindingen worden gelegd tussen twee neutrale stimuli.
De reden dat dit bij impliciet geheugen hoort is omdat deze respons
kan blijven optreden zelfs als er geen bewuste link meer is tussen
twee stimuli.
Op deze manier kunnen ook fobieën ontstaan.
Een interessant resultaat van onderzoek van Duval:
Zowel het episodische geheugen systeem als het semantisch
geheugen systeem moet functioneren om ons in staat te stellen na
te denken over onze persoonlijke toekomst.
Addis (2007) suggereert dat het hoofddoel van het episodisch
geheugen systeem wellicht niet het herinneren van het verleden is,
maar om mensen in staat te stellen om zich mogelijke toekomstige
scenario's voor te stellen en daarop te anticiperen.
H7.1
Hoe krijgen we informatie in het langetermijngeheugen?
Encoderen: het vergaren en opslaan van informatie in het LTM.
1. Creëer rijke representaties van wat je wilt onthouden.
- Uitgebreid oefenen.
- Diepe verwerking.
- Vorm beelden.
2. Wees actief bezig met wat je wilt onthouden.
- Genereer
- Oefen retrieval