Arresten straf- en strafprocesrecht
Week 1:
Inbeslaggenomen heroïne – arrest
Casus
De verdachte werd verdacht van het voorbereiden en bevorderen van een
grootschalige handel in heroïne in augustus 1996 in Nederland, door onder andere:
Contacten te leggen met leveranciers;
Financiële middelen beschikbaar te stellen;
Pogingen te doen om anderen te bewegen bij de handel te helpen.
Het Gerechtshof Arnhem had de verdachte vrijgesproken van deze tenlastelegging
(feit 3), omdat er volgens het Hof geen bewijs was dat de verdachte handelingen had
verricht vóór de inbeslagname van de heroïne.
De Procureur-Generaal ging hiertegen in cassatie omdat het Hof volgens hem een te
beperkte interpretatie had gehanteerd van artikel 10a van de Opiumwet, dat
bepaalde voorbereidings- en bevorderingshandelingen als zelfstandig strafbaar stelt,
ook als het concrete misdrijf door omstandigheden niet meer kan worden voltooid.
Rechtsregel
Artikel 10a Opiumwet stelt de voorbereiding of bevordering van een misdrijf
(zoals handel in heroïne) als zelfstandig strafbaar delict.
Het is niet vereist dat het voorbereidingsmiddel leidt tot een concreet misdrijf
of dat het misdrijf daadwerkelijk kan worden voltooid.
Het Hof had de grondslag van de tenlastelegging verlaten door te oordelen dat
er geen bewijs was voor concreet handelen vóór de inbeslagname; dit was
onjuist.
Gevolg: de Hoge Raad vernietigt de vrijspraak voor dit feit en verwijst de zaak terug
naar het Hof voor hernieuwde beoordeling.
___________________________________________________________________
Poging hennepteelt – arrest
Casus
De verdachte en een medeverdachte hadden in hun woning een ruimte ingericht
voor de teelt van hennep (met onder andere kweekbakken, afzuiging en lampen).
Het Openbaar Ministerie stelde dat dit een strafbare poging tot hennepteelt vormde:
,het begin van uitvoering van het telen, bereiden, bewerken, verwerken of aanwezig
hebben van hennep.
Het Gerechtshof Arnhem oordeelde echter dat de enkele aanwezigheid van zo’n
kweekruimte zonder daadwerkelijke activiteit (bijvoorbeeld planten of andere
materialen) niet voldoende is voor een strafbare poging. Er was geen bewijs dat
de gedragingen van de verdachte concreet waren gericht op voltooiing van het
misdrijf. Daarom sprak het Hof de verdachte vrij.
Het OM ging in cassatie, maar de Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof.
Rechtsregel
Voor een strafbare poging tot hennepteelt is vereist dat er een begin van
uitvoering is dat concreet is gericht op het telen, bereiden, bewerken,
verwerken of aanwezig hebben van hennep.
Enkel het hebben van een ingerichte kweekruimte zonder verdere
activiteit is onvoldoende om van een strafbare poging te spreken.
Het Hof heeft dus geen onjuiste rechtsopvatting toegepast door de verdachte
vrij te spreken.
___________________________________________________________________
Bestemd tot – arrest
Casus
Bij een verdachte worden in zijn woning/kelder diverse goederen aangetroffen
(assimilatielampen, transformatoren, koolstoffilters, plantenpotten met aarde, enz.)
die eerder waren gebruikt voor een hennepkwekerij. De verdachte verklaart dat hij na
het oprollen van die kwekerij (2013) de spullen simpelweg niet heeft opgeruimd en
geen nieuwe plantage wilde beginnen. Het hof veroordeelt hem toch onder art. 11a
Opiumwet, omdat hij wist dat de goederen bestemd waren voor hennepteelt.
Rechtsregel
Voor een bewezenverklaring op grond van art. 11a Opiumwet (“bestemd zijn tot”) is
vereist dat de handelingen of goederen daadwerkelijk strekken tot de
voorbereiding of vergemakkelijking van (beroeps- of bedrijfsmatige)
hennepteelt.
Het gaat dus om het uiteindelijke doel waarvoor de handelingen of goederen
worden gebruikt.
Bewijs van criminele intentie is nodig: enkel het aanwezig zijn van goederen
die ooit gebruikt zijn, zonder dat ze nog een concrete bestemming hebben, is
onvoldoende.
,Gevolg
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de veroordeling onvoldoende heeft gemotiveerd:
het hof baseerde zich op het enkele feit dat de spullen er nog lagen en ooit gebruikt
waren. Omdat dit geen bewijs oplevert dat de verdachte ze bestemd had voor
nieuwe hennepteelt, vernietigt de HR de uitspraak gedeeltelijk (t.a.v. dit feit en de
strafoplegging) en wijst de zaak terug naar het hof.
___________________________________________________________________
Poging invoer cocaïne – arrest
Casus
Verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie die zich bezighield met
grootschalige drugshandel. Het hof ’s-Hertogenbosch veroordeelde hem o.a. voor
medeplegen invoer cocaïne en poging invoer cocaïne.
Bij verdachte thuis op Bonaire waren met OVC-apparatuur (heimelijke
opname) gesprekken opgenomen. De verdediging voerde aan dat dit
onrechtmatig was, omdat vereiste machtigingen (advies CTC, toestemming
College PG, machtiging RC) niet in het dossier zaten.
Daarnaast ging het om een onderschepte vrachtwagen in de Dominicaanse
Republiek met ± 419 kg cocaïne, die nog onderweg was naar de haven om in
een container te worden verstopt en daarna naar Antwerpen/Nederland te
worden verscheept. Het hof vond dat dit al een strafbare poging tot invoer in
Nederland opleverde.
Rechtsregel
1. Bewijsuitsluiting (art. 359a Sv):
o HR herhaalt de lijn uit HR 2020:1889.
o Ook bij mogelijke schending van art. 8 EVRM (privacy, woning,
vertrouwelijke communicatie) hoeft dit niet automatisch te leiden tot
bewijsuitsluiting.
o Alleen bij schending van art. 6 EVRM (eerlijk proces) of een zeer
ernstige schending van een ander strafvorderlijk voorschrift kan
bewijsuitsluiting noodzakelijk zijn.
2. Poging (art. 45 Sr):
o Er moet sprake zijn van een begin van uitvoering: gedragingen die
naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet gericht zijn op voltooiing
van het misdrijf.
o Het hof vond dat het vervoer van cocaïne per vrachtwagen naar de
haven al zo’n begin was.
, o HR zegt: dat oordeel is niet begrijpelijk, want de gedragingen waren
nog te ver verwijderd van de daadwerkelijke invoer in Nederland → te
weinig concreet en te ver weg in tijd/plaats.
Gevolg
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep t.a.v. de bewijsuitsluiting (de
OVC-gesprekken mochten blijven).
Maar de HR vernietigt het arrest voor zover het gaat om de poging tot
invoer cocaïne en de strafoplegging.
De zaak wordt teruggewezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor een
nieuwe beoordeling.
Voor het overige blijft de veroordeling in stand.
___________________________________________________________________
CIE-info – arrest
Casus
De politie kreeg CIE-informatie dat verdachte in het bezit was van een vuurwapen
dat hij bij zijn moeder in Bilthoven zou bewaren, en dat hij van plan was hier
binnenkort iets mee te doen.
Op basis hiervan werd een machtiging tot binnentreden afgegeven en werd
de woning doorzocht.
Daarbij trof men een geluiddemper, een vlindermes, munitie en cocaïne aan.
Ook de auto van de moeder, die bij de woning stond, werd doorzocht.
De verdediging stelde: de CIE-informatie was onvoldoende concreet → de
doorzoeking was onrechtmatig → bewijs moet worden uitgesloten (art. 359a
Sv).
Rechtsregel
CIE-informatie kan voldoende grondslag vormen voor het ontstaan van
een redelijk vermoeden (art. 49 WWM), ook al is die anoniem, mits de
informatie voldoende concreet en specifiek is.
Bij urgentie (dreigend gebruik van wapen) hoeft niet altijd eerst uitgebreid te
worden geverifieerd.
Voor een auto bij de woning is een aparte machtiging niet vereist → art. 51
WWM geeft de bevoegdheid tot doorzoeking van voertuigen.
Week 1:
Inbeslaggenomen heroïne – arrest
Casus
De verdachte werd verdacht van het voorbereiden en bevorderen van een
grootschalige handel in heroïne in augustus 1996 in Nederland, door onder andere:
Contacten te leggen met leveranciers;
Financiële middelen beschikbaar te stellen;
Pogingen te doen om anderen te bewegen bij de handel te helpen.
Het Gerechtshof Arnhem had de verdachte vrijgesproken van deze tenlastelegging
(feit 3), omdat er volgens het Hof geen bewijs was dat de verdachte handelingen had
verricht vóór de inbeslagname van de heroïne.
De Procureur-Generaal ging hiertegen in cassatie omdat het Hof volgens hem een te
beperkte interpretatie had gehanteerd van artikel 10a van de Opiumwet, dat
bepaalde voorbereidings- en bevorderingshandelingen als zelfstandig strafbaar stelt,
ook als het concrete misdrijf door omstandigheden niet meer kan worden voltooid.
Rechtsregel
Artikel 10a Opiumwet stelt de voorbereiding of bevordering van een misdrijf
(zoals handel in heroïne) als zelfstandig strafbaar delict.
Het is niet vereist dat het voorbereidingsmiddel leidt tot een concreet misdrijf
of dat het misdrijf daadwerkelijk kan worden voltooid.
Het Hof had de grondslag van de tenlastelegging verlaten door te oordelen dat
er geen bewijs was voor concreet handelen vóór de inbeslagname; dit was
onjuist.
Gevolg: de Hoge Raad vernietigt de vrijspraak voor dit feit en verwijst de zaak terug
naar het Hof voor hernieuwde beoordeling.
___________________________________________________________________
Poging hennepteelt – arrest
Casus
De verdachte en een medeverdachte hadden in hun woning een ruimte ingericht
voor de teelt van hennep (met onder andere kweekbakken, afzuiging en lampen).
Het Openbaar Ministerie stelde dat dit een strafbare poging tot hennepteelt vormde:
,het begin van uitvoering van het telen, bereiden, bewerken, verwerken of aanwezig
hebben van hennep.
Het Gerechtshof Arnhem oordeelde echter dat de enkele aanwezigheid van zo’n
kweekruimte zonder daadwerkelijke activiteit (bijvoorbeeld planten of andere
materialen) niet voldoende is voor een strafbare poging. Er was geen bewijs dat
de gedragingen van de verdachte concreet waren gericht op voltooiing van het
misdrijf. Daarom sprak het Hof de verdachte vrij.
Het OM ging in cassatie, maar de Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof.
Rechtsregel
Voor een strafbare poging tot hennepteelt is vereist dat er een begin van
uitvoering is dat concreet is gericht op het telen, bereiden, bewerken,
verwerken of aanwezig hebben van hennep.
Enkel het hebben van een ingerichte kweekruimte zonder verdere
activiteit is onvoldoende om van een strafbare poging te spreken.
Het Hof heeft dus geen onjuiste rechtsopvatting toegepast door de verdachte
vrij te spreken.
___________________________________________________________________
Bestemd tot – arrest
Casus
Bij een verdachte worden in zijn woning/kelder diverse goederen aangetroffen
(assimilatielampen, transformatoren, koolstoffilters, plantenpotten met aarde, enz.)
die eerder waren gebruikt voor een hennepkwekerij. De verdachte verklaart dat hij na
het oprollen van die kwekerij (2013) de spullen simpelweg niet heeft opgeruimd en
geen nieuwe plantage wilde beginnen. Het hof veroordeelt hem toch onder art. 11a
Opiumwet, omdat hij wist dat de goederen bestemd waren voor hennepteelt.
Rechtsregel
Voor een bewezenverklaring op grond van art. 11a Opiumwet (“bestemd zijn tot”) is
vereist dat de handelingen of goederen daadwerkelijk strekken tot de
voorbereiding of vergemakkelijking van (beroeps- of bedrijfsmatige)
hennepteelt.
Het gaat dus om het uiteindelijke doel waarvoor de handelingen of goederen
worden gebruikt.
Bewijs van criminele intentie is nodig: enkel het aanwezig zijn van goederen
die ooit gebruikt zijn, zonder dat ze nog een concrete bestemming hebben, is
onvoldoende.
,Gevolg
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de veroordeling onvoldoende heeft gemotiveerd:
het hof baseerde zich op het enkele feit dat de spullen er nog lagen en ooit gebruikt
waren. Omdat dit geen bewijs oplevert dat de verdachte ze bestemd had voor
nieuwe hennepteelt, vernietigt de HR de uitspraak gedeeltelijk (t.a.v. dit feit en de
strafoplegging) en wijst de zaak terug naar het hof.
___________________________________________________________________
Poging invoer cocaïne – arrest
Casus
Verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie die zich bezighield met
grootschalige drugshandel. Het hof ’s-Hertogenbosch veroordeelde hem o.a. voor
medeplegen invoer cocaïne en poging invoer cocaïne.
Bij verdachte thuis op Bonaire waren met OVC-apparatuur (heimelijke
opname) gesprekken opgenomen. De verdediging voerde aan dat dit
onrechtmatig was, omdat vereiste machtigingen (advies CTC, toestemming
College PG, machtiging RC) niet in het dossier zaten.
Daarnaast ging het om een onderschepte vrachtwagen in de Dominicaanse
Republiek met ± 419 kg cocaïne, die nog onderweg was naar de haven om in
een container te worden verstopt en daarna naar Antwerpen/Nederland te
worden verscheept. Het hof vond dat dit al een strafbare poging tot invoer in
Nederland opleverde.
Rechtsregel
1. Bewijsuitsluiting (art. 359a Sv):
o HR herhaalt de lijn uit HR 2020:1889.
o Ook bij mogelijke schending van art. 8 EVRM (privacy, woning,
vertrouwelijke communicatie) hoeft dit niet automatisch te leiden tot
bewijsuitsluiting.
o Alleen bij schending van art. 6 EVRM (eerlijk proces) of een zeer
ernstige schending van een ander strafvorderlijk voorschrift kan
bewijsuitsluiting noodzakelijk zijn.
2. Poging (art. 45 Sr):
o Er moet sprake zijn van een begin van uitvoering: gedragingen die
naar hun uiterlijke verschijningsvorm concreet gericht zijn op voltooiing
van het misdrijf.
o Het hof vond dat het vervoer van cocaïne per vrachtwagen naar de
haven al zo’n begin was.
, o HR zegt: dat oordeel is niet begrijpelijk, want de gedragingen waren
nog te ver verwijderd van de daadwerkelijke invoer in Nederland → te
weinig concreet en te ver weg in tijd/plaats.
Gevolg
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep t.a.v. de bewijsuitsluiting (de
OVC-gesprekken mochten blijven).
Maar de HR vernietigt het arrest voor zover het gaat om de poging tot
invoer cocaïne en de strafoplegging.
De zaak wordt teruggewezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor een
nieuwe beoordeling.
Voor het overige blijft de veroordeling in stand.
___________________________________________________________________
CIE-info – arrest
Casus
De politie kreeg CIE-informatie dat verdachte in het bezit was van een vuurwapen
dat hij bij zijn moeder in Bilthoven zou bewaren, en dat hij van plan was hier
binnenkort iets mee te doen.
Op basis hiervan werd een machtiging tot binnentreden afgegeven en werd
de woning doorzocht.
Daarbij trof men een geluiddemper, een vlindermes, munitie en cocaïne aan.
Ook de auto van de moeder, die bij de woning stond, werd doorzocht.
De verdediging stelde: de CIE-informatie was onvoldoende concreet → de
doorzoeking was onrechtmatig → bewijs moet worden uitgesloten (art. 359a
Sv).
Rechtsregel
CIE-informatie kan voldoende grondslag vormen voor het ontstaan van
een redelijk vermoeden (art. 49 WWM), ook al is die anoniem, mits de
informatie voldoende concreet en specifiek is.
Bij urgentie (dreigend gebruik van wapen) hoeft niet altijd eerst uitgebreid te
worden geverifieerd.
Voor een auto bij de woning is een aparte machtiging niet vereist → art. 51
WWM geeft de bevoegdheid tot doorzoeking van voertuigen.