100% tevredenheidsgarantie Direct beschikbaar na je betaling Lees online óf als PDF Geen vaste maandelijkse kosten 4.2 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting toelatingstoets Natuur & techniek PABO

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
32
Geüpload op
08-10-2025
Geschreven in
2023/2024

Door een langere samenvatting te maken voor de toelating toets Natuur en techniek, en samen te pakken met de verkorte versie ervan. Heb ik de toets in een keer behaald












Oeps! We kunnen je document nu niet laden. Probeer het nog eens of neem contact op met support.

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
8 oktober 2025
Aantal pagina's
32
Geschreven in
2023/2024
Type
Samenvatting

Voorbeeld van de inhoud

Hoofdstuk 1, waar gaat het over bij aardrijkskunde:
Op aarde, en delen daarvan, zijn allerlei verschijnselen te zien die met het landschap en de
mensen die erin leven te maken hebben, en staan vaak in verband met elkaar. Bij
beschrijven gaan we na over welk deel van de aarde we het hebben. Fysische geografie
gaat over de natuurlijke verschijnselen in het landschap, het gedeelte dat vooral over
mensen gaat noemen we sociale geografie.

Hoofdstuk 2, de aarde:
2.1 De aarde in het zonnestelsel
In ons zonnestelsel draaien negen planeten. de aardbaan wordt in bijna 1 jaar voltooid, de
aarde heeft namelijk naast de 365 dagen nog 6 uur extra nodig om het rondje af te maken,
om te voorkomen dat onze kalender zou verschuiven is er daarom eens in de 4 jaar een
extra dag ( 6 uur x 4 jaar = 24 = 1 dag) een schrikkeljaar. Een derde van de aarde is land,
twee derde water. We hebben 7 continenten: Europa, Azië, Afrika, Noord en zuid Amerika,
Australië/ Oceanië en Antarctica. Elke oceaan bestaat uit zout water, heeft een reliëfrijke
bodem en is kilometers diep. Een zee is zout water, heeft meestal een vrij vlakke bodem en
is meestal maar enkele honderden meters diep. Op de continenten ligt water in de vorm van
sneeuw en (land) ijs, in meren, rivieren en in grondwater, dit bevat in vergelijking met het
oceaan en zeewater nauwelijks zout daarom wordt het zoet water genoemd.
2.2 Geografische coördinaten en tijdzones
Om precies te kunnen zeggen waar een bepaald punt zich op de aarde bevindt, gebruiken
we geografische coördinaten.De evenaar verdeelt de aarde in een noordelijk en zuidelijk
halfrond. Lijn die gelijk aan de evenaar lopen heten breedtecirkels of parallellen. Als een
plek dicht bij de evenaar ligt, spreek je van een lage breedte, dichtbij de pool is het een hoge
breedte. Lijnen die van pool tot pool lopen heten meridianen, er zijn in totaal 360 meridianen.
De nulmeridiaan ligt vlakbij Londen en verdeelt de aarde in een westelijk en oostelijk
halfrond. Ga je naar het oosten is dat een oosterlengte. De aarde draait in 24 uur ( een
etmaal) tegen de klok in rond haar as. De aardrotatie ( draaien van de aarde om haar eigen
as) veroorzaakt dag en nacht. Door de draaiing van de aarde komt de zon op in het oosten
en gaat onder in het westen. Om goede afspraken over tijd te maken, is de aarde verdeeld
in 24 tijdzones(1 tijdzone=15 lengtegraden).
2.3 De seizoenen: zomer, herfst, winter en lente
Wanneer de aardas recht zou staan, zouden er geen seizoenen op aarde zijn. De aarde
staat dus een beetje schuin, omdat wij wel seizoenen hebben. In juni is het zomer op het
noordelijk halfrond ( aarde naar de zon gekeerd). In december is het andersom, dan is het
winter en staat het noordelijk halfrond van de zon afgekeerd. Op het zuidelijk halfrond zijn de
seizoenen andersom dan op het noordelijk halfrond.
2.4 De getijden: vloed en eb
De aarde heeft een maan, die in ruim 27 dagen om de aarde draait waarbij dezelfde kant
van de maan naar de aarde toegekeerd staat. Het oceaan en zeewater staat onder invloed
van de aantrekkingskracht van de maan, de zon en een kracht die ontstaat door de draaiing
van de aarde. Vloed is de hoogste waterstand, eb is de laagste waterstand. De vloed en eb
gebieden blijven op dezelfde plek ten opzichte van de maan. Maar de draaiing van de aarde
om haar as is sneller daardoor krijg je eb en vloed op dezelfde plaats. In 24 uur is het 2x
vloed en 2x eb, een getij duurt ongeveer 6 uur. Tussen vloed en eb vloed zit ongeveer 6 uur.

,2.5 Endogene krachten (plaatjes in het boeken erbij leren!!)
Krachten die van binnenuit op de aardkorst inwerken noemen we endogene krachten, ze
veroorzaken verschijnselen op aarde die voor een belangrijk deel bepalen hoe de aarde
eruitziet.
2.5.1 Continent Bewegingen
Het verschil in aardkorst verschilt sterk, bij continenten het gemiddeld 25-30 km dik, bij de
oceaanbodem vaak tussen de 5-10 km. Onder de aardkorst is de mantel, die bestaat
voornamelijk uit magma→ vloeibaar gesteente met temperatuur meer dan 1200 graden. In
het midden van de aarde is een vaste kern. De aardkorst drijft als het ware op magma,
stroming van magma in de mantel veroorzaakt aard plaattektoniek (bewegen van de
aardplaten). Er zijn zes grote aardkorstplaten, die op verschillende manieren bewegen bij
breuklijnen: ze bewegen uit elkaar, naar elkaar toe of juist langs elkaar. Zie figuur 2.6. Op de
bodem van de Atlantische Oceaan, bewegen de platen van elkaar af en komt magma naar
boven door stroming, daardoor liggen over de hele oceaanbodem vulkanen in de vorm van
langgerekte rug, oceanische rug. Waar aardplaten naar elkaar toe bewegen verdwijnt er
weer aardkorst. Er zijn drie manieren waarop aardplaten naar elkaar toe bewegen, bij elke
manier kan er ook gebergtevorming optreden.
1. Subductie→ oceaanplaat en continentale plaat naar elkaar toe, de dunne
oceaankorst schuift door de zijwaartse druk onder de dikkere continentale korst. Er
ontstaat aan de rand van het continent een grote diepte, een trog. Als de
oceaankorst steeds dieper onder de continu korst komt, smelt deze door hoge
temperatuur en druk. Er ontstaat magma, dat zich langzaam omhoog werkt in de
aardkorst. Via vulkanen komt de magma deels weer aan het oppervlakte, dit is een
manier waarop gebergte gevormd wordt→ Andesgebergte.
2. Ontplooiing Gebergte ontstaat door het plooien en vervormen van horizontale
gesteentelagen, bijv. doordat aardplaten tegen elkaar drukken. Bijvoorbeeld het
Himalayagebergte in India, dat was 60 miljoen jaar geleden ontstaan.
3. Waar twee oceaanplaten naar elkaar toe bewegen, de ene oceaanbodem schuift
onder de ander door, daarbij ontstaat een subductiezone met verderop een
vulkanisch gebergte.
Waar aardplaten langs elkaar heen bewegen, komen vooral aardbevingen en vulkanische
verschijnselen voor, of vulkanen ontstaan.
2.5.2 Aardbevingen, vulkanen en vulkanische verschijnselen
De beweging van aardplaten gaat niet geleidelijk maar schoksgewijs, zo’n schok is een
aardbeving. Aardbevingen komen langs de gehele breuklijn voor, waar aardplaten langs
elkaar heen en naar elkaar toe bewegen daar zijn aardbevingen heviger. Er zijn elke dag
gemiddeld 25.000 aardbevingen op aarde, de meeste rond de Grote Oceaan, ook wel de
Ring of Fire. Aardbevingen in de zee heten zeebevingen, als er een brede golf ontstaat die
bijv een halve meter hoog is. Als deze lage brede golf aan land komt wordt de horizontale
energie omgezet in verticale energie en ontstaat in de ondiepe kuststreken een metershoge
vloedgolf, een tsunami.
Er zijn globaal gezien 2 soorten vulkanen:
1. Kegelvulkanen zijn vulkanen die magma krijgen dat in de aardkorst zit opgesloten, ze
zien er ook als kegel uit, wanneer het magma aan het aardoppervlakte komt heet het
lava. De lava die uit de krater (opening vulkaan) stroomt is erg stroperig. Het
gestolde gesteente wordt stollingsgesteente genoemd.
2. Er zijn vulkanen die magma rechtstreeks uit de mantel krijgen, dit is vaak in de
oceaan waar de aardkorst dunner is. De lave uit de krater is erg vloeibaar, bij

, uitbarsting vloeit de lava razendsnel alle kanten op om af te koelen en te stollen.
Daardoor zijn er brede en platte vulkanen, ook wel schildvulkanen genoemd. Bij
schildvulkanen op Hawaii komt de magma altijd vanuit de mantel op dezelfde plek
naar boven, op de oceaanbodem schuift dit telkens een beetje op door de oceaan
plaatbewegingen. Een dergelijke plek in de mantel wordt hotspot genoemd. Zie figuur
2.14.
Vulkanische verschijnselen treden op daar waar het grondwater op breuklijnen en bij
vulkanen met de hete ondergrond in aanraking komt, het water wordt dan verward. Aan het
oppervlak ontstaan verschijnselen als warmwaterbronnen, zwaveldamp, geiser enz.
2.5.3 Horsten en slenken
Door rek en druk op de aardkorst kunnen ook op de aardplaten zelf breuklijnen ontstaan. Bij
rek kunnen delen van de aardkorst langzaam wegzakken, zo’n wegzakkend gebied tussen
twee breuklijnen noemen we een slenk. Delen die blijven staan of naar boven bewegen
noemen we een horst.
2.6 Exogene krachten
Ook krachten van buitenaf, exogene krachten, vormen het landschap zoals het eruitziet.
Twee krachten spelen daarbij een belangrijke rol: verwering en erosie. Na verwering en
erosie ontstaan afzettingsgesteenten die op den duur weer kunnen worden omgevormd.
2.6.1 Verwering
Gesteente op de aardkorst kan verbrokkelen en zelf oplossen, dat proces heet verwering.
Het verbrokkelen komt vooral door de invloed van het weer, de temperatuurverschillen warm
groter, kouder krimpt. Wanneer dat vaker gebeurt kan het scheuren, uiteindelijk scheurt een
deel los en brokkelt het af, dat heet mechanische verwering.Via een chemisch proces
reageren de zuren met het gesteente, dat zo zelf grotendeels kan oplossen dat heet
chemische verwering. Door chemische verwering kan in de natuur een grot ontstaan in
kalkgesteente.
2.6.2 Erosie
Na mechanische verwering van gesteente kan er erosie van de aardkorst plaatsvinden,
erosie = uitschuring. Erosie kan op 4 manieren:
1. Zwaartekracht → Door zwaartekracht vallen loszittende keien naar beneden, die
slaan tijdens de val tegen de zijwand van de rosten en schuren zo weer een stukje
rots weg.
2. Gletsjer→ Een gletsjer is een ijstong die per dag ongeveer 10-15 cm beweegt.
Stenen die onder de gletsjer liggen, schuren over de bodem door de enorme druk
van tientallen meters dikke ijs, door het schuren worden door duizende jaren een
heel dal uitgesleten. Een fjord is een dal die na het verdwijnen van ijs zijn gevuld met
zeewater.
3. WAter van beken en rivieren→ Een rivier neemt sediment (keien, grind, zand en klei)
mee vanuit het gebied waar deze vandaan komt en doorheen stroomt. In de
bovenloop zijn de grote keien te vinden, die zijn door verwering van het vaste steente
afgebrokkeld en via zwaartekracht/gletsjerijs in de bedding terechtkomt. In de
bovenloop van beken en rivieren stroomt het water zo hard, dat zelf keien kunnen
worden meegenomen, die slijpen weer gesteente af zo wordt een rivier steeds
dieper. In de middenloop zijn er minder keien dat komt doordat ze kleiner zijn
geworden, verder neemt de stroming neemt af. In de benedenloop van rivieren, is het
grind nog kleiner hier is alleen zand en klei te vinden. Waar het water rustig is kan
het sediment bezinken. Door duizende jaren is zand en klei als sedimentgesteente in
de benedenloop van rivieren ontstaan.

, 4. Wind→ De wind is heel krachtig, maar kan alleen zandkorrels en droge kleideeltjes
meenemen. Als zand met wind langs rotsen waait heeft dit een schurend effect.Als
zandkorrels op de grond blijven liggen ontstaat een afzettingslaag
(sedimentatiegesteente).
2.6.3 De gesteentekringloop
De aardkorst bestaat uit gesteente, een vaste stof die weer is opgebouwd uit mineralen, die
elk weer een vaste scheikundige formule en eigen kristalvorm heeft. Gesteent op aarde
hebben 3 hoofdsoorten: Stollingsgesteenten, sedimentgesteenten en metamorfe
gesteenten. Door endogene en exogene processen kunnen die gesteentevormen door
langdurige processen in elkaar overgaan en een gesteentekringloop vormen. Zie figuur 2.23.
De oorspronkelijke aardkorst was stollingsgesteente zoals graniet en basalt. Alle
gesteentesoorten aan het aardoppervlak kunnen verweren en daarna worden meegevoerd
en afgezet door de zwaartekracht, gletsjerijs, wind of door een rivier. Zo ontstaan afzettings
of sedimentgesteenten. Ook resten van planten, dieren, kalk, veen en olie zijn
sedimentgesteenten. Als sediment of stollingsgesteenten door exogene krachten als
sedimentatie diep in de ondergrond terechtkomen, kunnen ze na miljoenen jaren door hoge
druk en temperatuur die van binnenuit de aarde heerst een metamorfose (omvorming)
ondergaan, zo ontstaat metamorf gesteente. Wannneer gesteenten door endogenen
processen weer aan het aardoppervlak komen, kunnen ze uiteindelijk weer veranderen in
sedimentgesteenten en is de kringloop rond.

Hoofdstuk 3, Weer, klimaat en landschappen op aarde:
3.1 Het weer
Om de aarde zich een luchtlaag van 70 km dik, de atmosfeer of de dampkring. Het weer
speelt zond af in de onderste 15 km van de dampkring. De temperatuur en neerslag worden
sterk beïnvloed door de windsystemen op aarde.
3.1.1 De temperatuur op aarde
5 factoren die het weer bepalen zijn:
1. Breedteligging→ Hoe dichterbij de poolgebieden hoe kouder. Dat komt doordat de
zonnestralen naar de polen toe schuiner invallen, hoe schuiner de inval hoe meer
aardoppervlak er verwarmd moet worden door een gelijke hoeveelheid zonnestralen.
2. Ligging ten opzichte van de zee of oceaan→ Land wordt door de zon snel
opgewarmd. Het water van de zee heeft een veel grotere opwarmtijd, omdat het
zeewater stroomt, wordt de warmte die door de zon wordt toegevoegd gemengd en
moet een veel grotere massa worden verwarmd om tot een merkbare
temperatuurstijging te komen. In de lente en zomer is de zee kouder dan het land. In
het najaar en winter is de zee naar verhouding nog warm en het land dan koud. Zie
figuur 3.2. Hoe dichterbij bij zee, hoe kouder in de zomen en hoe warmer in de
winter, verder van zee is het andersom.
3. Hoogteligging→ Hoe verder je een gebergte ingaat daalt de temperatuur. Dat komt
door de invallende zonnestralen die het aardoppervlak verwarmen, dat op haar beurt
weer de lucht verwarmt. Hoe verder van het aardoppervlak af hoe lager de
temperatuur. In de bergen wordt koude lucht vanuit de omgeving door de wind
aangevoerd, daardoor is het bovenin de bergen kouder dan in de dalen. Figuur 3.3.
Gemiddeld daalt de temperatuur met 0,8 per 100 meter omhoog. Het is ook te zien
aan de plantengroei. In de dalen zijn er loofbomen, op grotere hoogte groeien alleen
nog naaldbomen die goed tegen de kou kunnen. Waar de naaldbomen ophouden ligt
de boomgrens, daarboven is het te koud voor bomen→ alleen nog gras en struiken.
€7,66
Krijg toegang tot het volledige document:

100% tevredenheidsgarantie
Direct beschikbaar na je betaling
Lees online óf als PDF
Geen vaste maandelijkse kosten

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
sannevangaal

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
sannevangaal Fontys Hogeschool
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
1
Lid sinds
3 maanden
Aantal volgers
0
Documenten
3
Laatst verkocht
2 maanden geleden

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Veelgestelde vragen