100% tevredenheidsgarantie Direct beschikbaar na je betaling Lees online óf als PDF Geen vaste maandelijkse kosten 4,6 TrustPilot
logo-home
Samenvatting

Samenvatting jurisprudentie & literatuur

Beoordeling
-
Verkocht
-
Pagina's
53
Geüpload op
07-10-2025
Geschreven in
2023/2024

Een samenvatting van alle voorgeschreven literatuur en jurisprudentie, ingedeeld per week. Elk arrest heeft de essentie en een duidelijke samenvatting.












Oeps! We kunnen je document nu niet laden. Probeer het nog eens of neem contact op met support.

Documentinformatie

Geüpload op
7 oktober 2025
Aantal pagina's
53
Geschreven in
2023/2024
Type
Samenvatting

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting BPR 2023
Week 1

Literatuur
 Hoofdstuk 1
 Hoofdstuk 2 (nr. 62 t/m 92 + 98)
 Hoofdstuk 3
 Hoofdstuk 4 (nr. 126 + 129)
 Hoofdstuk 9 (nr. 295 t/m 298)
 Hoofdstuk 11 (nr. 343 t/m 349 + 353 t/m 355)
 Aanbevolen: hoofdstuk 2 (nr. 93 t/m 97 + 99 t/m 108)



Hoofdstuk 1
Burgerlijk procesrecht laat zich kenmerken als recht van gemengd publiekrechtelijke en
privaatrechtelijke aard. Ook is het voornamelijk formeel recht (betreft de vorm van rechten en
verplichtingen ipv de inhoud). Kenmerkend is verder een zekere dwangmatigheid, in de zin dat de
ene persoon de ander kan dwingen tot een procedure en tot een uitvoering van de uitspraak daarin.

Een andere term voor dit rechtsgebied is de term ‘burgerlijke rechtsvordering’.

In navolging van anderen zijn drie onderscheiden te maken:

1. Het subjectieve recht, dwz de materiele aanspraak van de schuldeiser;
2. Het vorderingsrecht (of actierecht en ius agendi), dwz het recht om zo nodig in rechte
aanspraak te maken op het subjectieve recht;
3. De rechtsvordering (of actie en actio), dwz de processuele handeling zelf.

Een verkoper heeft het subjectieve recht om de koopprijs te ontvangen en het vorderingsrecht om
dit eventueel in rechte af te dwingen mbv een rechtsvordering.

Let op!: De termen ‘rechtsvordering’ en ‘vorderingsrecht’ hebben een andere betekenis in het
huidige BW dan in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Faillissementswet. In het BW
houdt ‘rechtsvordering’ in wat hier het vorderingsrecht is, en is ‘vorderingsrecht’ wat hier het
subjectieve recht is.

Het burgerlijk procesrecht is voornamelijk geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
(Rv) en de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). Maar in toenemende mate worden dingen buiten
deze wetten geregeld, en dan vooral in primair materieelrechtelijke wetgeving.

De missie van KEI om het burgerlijk procesrecht te digitaliseren is grotendeels mislukt, maar niet
helemaal. Zo kan sinds COVID-19 bijvoorbeeld een proces via videobellen worden gedaan.

Hoofdzakelijk kent Nederland twee soorten civiele procedures: de
dagvaardings-/vorderingsprocedure en de verzoek(schrift)procedure (ook wel rekestprocedure). Een
dagvaarding wordt namens de eisende partij door een deurwaarder aan de wederpartij uitgebracht
en is ook aan de wederpartij gericht. Een verzoekschrift wordt door de verzoeker ter griffie

,ingediend en is aan de rechter gericht. De dagvaarding kent meer formaliteiten en is meer gericht op
de schriftelijke vorm dan het verzoekschrift.

Art. 78 en 261 Rv geven aan wanneer de dagvaardings- dan wel verzoekschriftprocedure moet
worden gevolgd. In beginsel geldt dat dagvaarding de regel is (art. 78 Rv), maar dat er een
verzoekschriftprocedure moet worden gevolgd als de wet dit voorschrijft (art. 261 Rv). Verder
betreft de dagvaardingsprocedure alleen vorderingen en de verzoekschriftprocedure alleen
verzoeken. Verzoeken zijn inhoudelijk vaak ook vorderingen.

KEI zou hebben voorzien in een uniforme procesinleiding die de dagvaardingsprocedure en
verzoekschriftprocedure zou hebben vervangen. Dit is er niet van gekomen. Wel heeft KEI de
cassatie veranderd. Hierdoor is de terminologie in de war geraakt. Het is momenteel als volgt:

 De rechtbank wijst vonnissen in dagvaardingszaken en geeft beschikkingen in
verzoekschriftzaken;
 Het (gerechts)hof wijst arresten in dagvaardingszaken en beschikkingen in
verzoekschriftzaken;
 De Hoge Raad wijst arresten in vorderingszaken en beschikkingen in verzoekzaken.

Het burgerlijk procesrecht maakt een onderscheid tussen contentieuze (eigenlijke) en voluntaire
(oneigenlijke of extrajudiciële) jurisdictie. Contentieuze jurisdictie ziet op uitspraken in geschillen
tussen partijen, bijvoorbeeld over een koopcontract, een onrechtmatige daad of een nalatenschap.
Voluntaire jurisdictie ziet niet op geschillen, maar bijvoorbeeld op benoeming van een voogd.
Voluntaire jurisdictie vindt plaats op basis van verzoekschriftprocedures, contentieuze jurisdictie
maakt gebruik van beide.

Het burgerlijk procesrecht kent minstens vijf functies: rechtsverschaffing; bedreiging die uitgaat van
mogelijke toepassing; de politionele functie (voorkoming van eigenrichting); rechtsontwikkeling; en
rechtseenheid.

De rechtsverschaffingsfunctie ziet op de handhaving van het objectieve recht (het geheel van
rechtsregels en rechtsbeginselen) alsook op de beïnvloeding, waaronder handhaving, van
subjectieve rechten (rechten van rechtssubjecten). Het gaat om het vaststellen, totstandbrengen,
wijzigen, beëindigen en effectueren van privaatrechtelijke rechten en verplichtingen.

Vaststelling leidt tot een declaratoire uitspraak, denk bijvoorbeeld aan het vaststellen of A of B
eigenaar van een auto is.

Totstandbrenging leidt tot een constitutieve uitspraak, denk bijvoorbeeld aan het totstandbrengen
van voogdij over een minderjarige.

Wijzigen leidt tot een constitutieve aanspraak, denk aan het wijzigen van de privaatrechtelijke
verhoudingen tussen partijen.

Beëindigen leidt tot een constitutieve uitspraak, denk aan het beëindigen van privaatrechtelijke
rechten en verplichtingen.

Effectueren leidt tot een condemnatoire uitspraak, denk bijvoorbeeld aan een vordering tot
nakoming van het betalen van een koopprijs.

Een uitspraak is constitutief als hij naast declaratoire ook constitutieve elementen bevat.

,De bedreigingsfunctie is van groot preventief belang. Mensen zijn eerder geneigd aan hun
verplichtingen te voldoen als er een civiel proces dreigt. De functie heeft ook een negatieve kant:
men kan de dreiging gebruiken om meer te krijgen dan waar hij recht op heeft.

De politionele functie ziet op het voorkomen dat mensen zelf, tegen de wil van belanghebbenden en
buiten het recht om, de rechten van anderen gaan beïnvloeden.

De rechtsontwikkelingsfunctie ziet op het invullen van open normen en het verhelderen van
onduidelijkheden in de wet (intra legem), maar ook op het oplossen van problemen die niet wettelijk
geregeld zijn (praeter legem). Ook gaat het om het actueel maken van verouderde wetteksten, soms
zelfs door contrair aan de wettekst te beslissen (contra legem). Met name de Hoge Raad vervult deze
functie.

De rechtseenheidsfunctie valt ook met name toe aan de Hoge Raad. Verschillen in inzicht worden
gecorrigeerd zodat gelijke gevallen gelijk behandeld worden. De rechtseenheid bevordert ook de
rechtszekerheid in de zin van voorspelbaarheid van toekomstige rechterlijke uitspraken. Voor vele
typen zaken hebben rechters onderling richtlijnen ontwikkeld (CRR’s). Deze zijn niet bindend, maar
bieden wel houvast.

Kenbronnen van het burgerlijk procesrecht zijn het internationaal verdragsrecht, de Grondwet, de
overige wetgeving, de jurisprudentie, de literatuur (doctrine) en de gewoonte. CRR’s kunnen hier
ook aan worden toegevoegd.

Met name art. 6 EVRM (+ protocollen) en art. 14 IVBPR zijn van belang voor het burgerlijk
procesrecht. Verder zijn belangrijk art. 47 Handvest van de grondrechten van de EU, de Europese
Jurisdictie- en executieverordening (EEX-Vo II), de Europese betekeningsverordening, de Europese
Verordening voor een Europees betalingsbevel voor onbetwiste vorderingen, de Europese
Bewijsverordening (Bewijs-Vo) en de Verordening voor een Europese Executoriale Titel (EET-Vo).

Van de Grondwet zijn vooral artt. 1 (gelijkheid), 17 (recht op rechter), 18 (rechtsbijstand) en 112-122
(rechtspraak) relevant.

De Wet op de rechterlijke organisatie (RO) is afgezien van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering de belangrijkste nationale regeling van (burgerlijk) procesrecht. De wet is vooral
belangrijk voor de afbakening van de verschillende taken van de verschillende (burgerlijke)
gerechten. Het maakt een onderscheid tussen rechtbanken, gerechtshoven en de Hoge Raad. Het
behandelt de absolute competentie (welke soort rechter is bevoegd?).

Het Wetboek van Rv behandelt de relatieve competentie (geografische bevoegdheid) en de
competentie van bijzondere rechters binnen een rechtbank. De hoofdindeling bestaat uit vier
boeken, gevolgd door de zogenoemde Algemene Slotbepaling:

1. Procederen in het algemeen
2. Tenuitvoerlegging (executie)
3. Diverse rechtspleging
4. Arbitrage (particuliere rechtspraak)

Boek 1 vraagt de meeste aandacht. Men moet zich bij de actieradius steeds afvragen of het gaat om
procederen in eerste/tweede/derde aanleg en of het gaat om procederen obv een vordering of een
verzoek. Dit levert tezamen zes soorten procedures op. Op deze procedures ziet Titel 1 toe. Voor een
schema met titels en procedures, zie p. 26. De procedures verschillen niet heel veel van elkaar.

, Uitzonderingen zijn te vinden in boek II (titels 6 en 7) en in boek III, maar ook buiten het Wetboek
van Rv (zie bijv. art. 3:305a e.v. BW).

Gewoonte bevat niet alleen de ‘usus’ (gebruik), maar ook de ‘opinio necessitatis’ (de algemene
mening dat eenieder zich ook overeenkomstig het gebruik dient te gedragen).

Inmiddels kennen we ook de collectieve rechtersregelingen (CRR’s). Deze regelgeving komt vanuit de
rechterlijke macht zelf en dient te worden ingevuld zonder inbreuk op de wetgeving of de
rechtsvormende rechtspraak van de Hoge Raad.

Ons burgerlijk procesrecht moet voldoen aan een aantal fundamentele eisen. Deze zijn af te leiden
uit de eerder genoemde functies. In het algemeen voldoet ons recht aan deze eisen. Dit is terug te
zien in de hoofdbeginselen in de zin van fundamentele kenmerken van ons burgerlijk procesrecht.

Traditioneel kennen we de volgende hoofdbeginselen: openbaarheid, lijdelijkheid vd rechter, horen
van beide partijen, onderzoek in twee feitelijke instanties, toezicht op de rechtspraak dmv cassatie,
verplichte procesvertegenwoordiging van partijen, en niet-kosteloosheid van de rechtspraak.
Inmiddels moet dit een beetje worden aangepast, vooral na de inwerkingtreding van het EVRM.

Het algemeen zorgvuldigheidsbeginsel is een beginsel van behoorlijk gedrag. Het kent geen echte
wettelijke of internationale grondslag. Het geldt zowel voor personen die professioneel bij het
burgerlijk proces optreden, als voor andere deelnemers aan het proces. Denk aan onrechtmatige
rechtspraak of omkoping; een onrechtmatige daad.

De ministerieplicht houdt in dat het rechters en andere professionele deelnemers in het proces die
(nagenoeg) een monopoliepositie innemen, verboden is om collectief rechtspraak en rechtshulp te
weigeren.

Het beginsel van hoor en wederhoor houdt in dat de rechter alle partijen adequaat dient te horen.
Het is neergelegd in art. 19 lid 1 Rv, maar komt ook naar voren in art. 11 en 24 RO. Het is ook van
toepassing indien er geen wederpartij is.

Het recht op mondelinge hoor en wederhoor houdt in dat partijen recht hebben op een mondelinge
behandeling van hun proces.

Er zijn uitzonderingen op en grenzen aan het recht op hoor en wederhoor. Zo kan het achterwege
blijven als het belang van de partij in wezen niet wordt geschaad of als het belang van de wederpartij
bij niet-horen prevaleert. Een uitzondering is bijvoorbeeld als een partij niet (goed) ingaat op de
oproep van de rechter, of als een van de partijen afstand doet van het recht.

Het beginsel van onafhankelijkheid ziet toe op de onafhankelijkheid van de rechter jegens partijen
en derden. Het is neergelegd in art. 6 EVRM en art. 117 Gw, en uitgewerkt in artt. 36-41 Rv. Het gaat
ook om onafhankelijkheid jegens andere staatsmachten en de staat. Het EHRM onderscheidt
objectieve (feiten en omstandigheden die erop wijzen dat de rechter partijdig was) en subjectieve
(persoonlijke instelling vd rechter tav de zaak) onpartijdigheid. Ook moet de rechter onafhankelijk
zijn tov andere rechters.

Het beginsel van interne toegankelijkheid gaat om het minimaliseren van de barrières binnen een
procedure om deze zo goed en economisch mogelijk te laten verlopen. Het beginsel van externe
toegankelijkheid gaat om de bereikbaarheid van het proces voor justitiabelen en wordt later
besproken. De interne toegankelijkheid gaat om enige gedragsregels voor rechters (niet onnodig
compliceren), maar ook deformalisering. Dit geldt natuurlijk ook voor andere procespartijen.
€10,99
Krijg toegang tot het volledige document:

100% tevredenheidsgarantie
Direct beschikbaar na je betaling
Lees online óf als PDF
Geen vaste maandelijkse kosten

Maak kennis met de verkoper
Seller avatar
jamsspam140

Maak kennis met de verkoper

Seller avatar
jamsspam140 Universiteit Leiden
Bekijk profiel
Volgen Je moet ingelogd zijn om studenten of vakken te kunnen volgen
Verkocht
0
Lid sinds
3 maanden
Aantal volgers
0
Documenten
26
Laatst verkocht
-

0,0

0 beoordelingen

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recent door jou bekeken

Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Veelgestelde vragen