1
Jeugddelinquentie Aantekeningen
Minor Kinderrechten en Forensische Jeugdzorg
Leerdoelen
Kennis en inzicht:
1. de student heeft kennis van en inzichten in wetenschappelijke theorieën en
onderzoeken over de etiologie van jeugddelinquentie (eindterm bachelor PW DD1a).
2. de student heeft kennis van en inzichten in overwegingen die een rol spelen bij het
indiceren van interventies om jeugddelinquentie te voorkomen of tegen te gaan
(eindterm bachelor PW DD1d).
3. de student heeft kennis van en inzichten in ethische vraagstukken die een rol spelen
bij de inzet van preventieve en curatieve interventies voor jeugddelinquentie
(eindterm bachelor PW DD1f).
4. 4. de student heeft kennis van en inzichten in de wisselwerking tussen de disciplines
psychologie, recht en pedagogische wetenschappen (eindterm bachelor PW DD1g).
Toepassen van kennis en inzicht:
5. de student is in staat om relevante wetenschappelijke theorie en praktijkinformatie te
gebruiken om vraagstukken met betrekking tot jeugddelinquentie te formuleren en te
analyseren (eindterm bachelor PW DD2a).
Oordeelsvorming:
6. de student is in staat om op basis van relevante praktijkinformatie en
sociaalwetenschappelijk onderzoek een oordeel te vormen over specifieke problemen
uit de pedagogische beroepspraktijk m.b.t. jeugddelinquentie (eindterm bachelor PW
DD3c).
Inhoud
1. Wat is jeugddelinquentie?
2. Welke contexten zijn relevant voor jeugddelinquentie?
3. Welke verschillende vormen van jeugddelinquentie zijn er?
4. Wat zijn de juridische kaders voor justitiële interventies?
5. Welke systemische interventies zijn er?
6. Welke individuele interventies zijn er?
7. Stoppen of doorgaan met jeugdcriminaliteit?
Boeken
“Jeugdcriminologie: Achtergronden van jeugdcriminaliteit”
“Justitiële interventies voor jeugdige daders en risicojongeren”
, 2
College 1 Jeugddelinquentie: Etiologie en Interventies 5 september
Boek jeugdcriminologie H1/2/3/9
Wat is jeugddelinquentie: alle handelingen die volgens het wetboek van strafrecht strafbaar
gesteld zijn, icm met alle vormen van regeloverschrijdend gedrag. Regeloverschrijdend
gedrag is veranderlijk over de tijd.
Verschil werkelijke omvang en registraties:
Drie bronnen: politiecijfers, zelfrapportages en slachtoffer enquetes.
Toename of afname of iets van alle tijden: het is beter om te praten over fluctuaties.
, 3
JC H3: Ontwikkelingen in jeugddelinquentie: Wat zien we in omvang, aard en afdoening?
Age-crime curve: piek tussen 15-20 jaar. Tijdelijk vs persistent delinquent gedrag: vanaf 12
tot einde adolescentie vs vanaf 5 tot hele leven.
Soorten delicten: traditioneel, geweld, vermogen, vandalisme, wapenbezit, drugsverkoop,
cyber- en gedigitaliseerd, cyberdelicten, gedigitaliseerd.
Trends:
Verklaringen voor afnemende trends:
- Succesvol beleid van gemeente en politie
- Maatschappelijke factoren (meer politie, beter inkomen, meer beveiliging)
- Afname risicofactoren (middelengebruik, delinquente vrienden) en toename
beschermingsfactoren (emotionele steun, betrokkenheid, monitoring)
- Digitalisering van de samenleving (meer activiteiten online, minder tijd voor
delinquente activiteiten)
- Verplaatsing van offline delinquent gedrag naar online delinquent gedrag
, 4
JC H5: Wetenschappelijke perspectieven op jeugddelinquentie
Theorien: aanleg, nurture, rationele keuze, zelfcontrole, biologie, ontwikkelingsperspectief en
stoppen met criminaliteit.
Thema’s: nature vs nurture, opvoeding vs omgeving, continuiteit vs verandering
In de criminologie is altijd al discussie geweest tussen nature en nurture. Positieve gevolgen
van deze benadering: het idee dat er typen delinquenten te onderscheiden zijn en het idee dat
delinquenten kenmerken hebben, die al vanaf de geboorte aanwezig zijn (persoonlijkheid).
Sociale omgeving
Sociale desorganisatie
- Opgroeien in een (arme) buurt
Differentiële associatie
- Kiezen voor een conventionele of criminele maatschappelijke oriëntatie
Spanning (straintheorie)
- Spanning ervaren omdat bepaalde middelen of doelen onbereikbaar lijken
Labelling
- Omgeving benadert individu als (potentiële) delinquent; individu neemt delinquente
identiteit aan
Gelegenheid en keuze
- Een situatie kan uitnodigen tot delinquent gedrag
Opvoeding
Binding
- Criminaliteit is een gevolg van een gebrek aan sociale bindingen; deze weerhouden
jongeren er van delinquent gedrag te vertonen
Zelfcontrole
- Jongeren met een zwakke zelfcontrole lopen een groter risico op delinquent gedrag
Ouder-kind interactie
- Niet kenmerken van de ouder of kenmerken van het kind zijn bepalend, maar de
reactie van beiden op elkaar (gebrekkige relatie)
Aanleg en onzichtbare lichamelijke kenmerken
Psychofysiologie: verminderde activiteit van het autonome zenuwstelsel
- Lage activiteit van het autonome zenuwstelsel (bijv. verlaagde hartslag, verlaagde
productie cortisol) hangt samen met fearlessness en hogere behoefte aan
sensation-seeking → arousel
Endocrinologie: hormonen
- Niveau van testosteron hangt samen met neiging tot dominantie
Neurologie: hersenen en neurotransmitters
- Hersenen: relatie tussen antisociaal gedrag en verminderde activiteit / kleinere
volumes van hersengebieden (aandacht, impulscontrole, besluitvaardigheid,
emotieverwerking, empathie)
Jeugddelinquentie Aantekeningen
Minor Kinderrechten en Forensische Jeugdzorg
Leerdoelen
Kennis en inzicht:
1. de student heeft kennis van en inzichten in wetenschappelijke theorieën en
onderzoeken over de etiologie van jeugddelinquentie (eindterm bachelor PW DD1a).
2. de student heeft kennis van en inzichten in overwegingen die een rol spelen bij het
indiceren van interventies om jeugddelinquentie te voorkomen of tegen te gaan
(eindterm bachelor PW DD1d).
3. de student heeft kennis van en inzichten in ethische vraagstukken die een rol spelen
bij de inzet van preventieve en curatieve interventies voor jeugddelinquentie
(eindterm bachelor PW DD1f).
4. 4. de student heeft kennis van en inzichten in de wisselwerking tussen de disciplines
psychologie, recht en pedagogische wetenschappen (eindterm bachelor PW DD1g).
Toepassen van kennis en inzicht:
5. de student is in staat om relevante wetenschappelijke theorie en praktijkinformatie te
gebruiken om vraagstukken met betrekking tot jeugddelinquentie te formuleren en te
analyseren (eindterm bachelor PW DD2a).
Oordeelsvorming:
6. de student is in staat om op basis van relevante praktijkinformatie en
sociaalwetenschappelijk onderzoek een oordeel te vormen over specifieke problemen
uit de pedagogische beroepspraktijk m.b.t. jeugddelinquentie (eindterm bachelor PW
DD3c).
Inhoud
1. Wat is jeugddelinquentie?
2. Welke contexten zijn relevant voor jeugddelinquentie?
3. Welke verschillende vormen van jeugddelinquentie zijn er?
4. Wat zijn de juridische kaders voor justitiële interventies?
5. Welke systemische interventies zijn er?
6. Welke individuele interventies zijn er?
7. Stoppen of doorgaan met jeugdcriminaliteit?
Boeken
“Jeugdcriminologie: Achtergronden van jeugdcriminaliteit”
“Justitiële interventies voor jeugdige daders en risicojongeren”
, 2
College 1 Jeugddelinquentie: Etiologie en Interventies 5 september
Boek jeugdcriminologie H1/2/3/9
Wat is jeugddelinquentie: alle handelingen die volgens het wetboek van strafrecht strafbaar
gesteld zijn, icm met alle vormen van regeloverschrijdend gedrag. Regeloverschrijdend
gedrag is veranderlijk over de tijd.
Verschil werkelijke omvang en registraties:
Drie bronnen: politiecijfers, zelfrapportages en slachtoffer enquetes.
Toename of afname of iets van alle tijden: het is beter om te praten over fluctuaties.
, 3
JC H3: Ontwikkelingen in jeugddelinquentie: Wat zien we in omvang, aard en afdoening?
Age-crime curve: piek tussen 15-20 jaar. Tijdelijk vs persistent delinquent gedrag: vanaf 12
tot einde adolescentie vs vanaf 5 tot hele leven.
Soorten delicten: traditioneel, geweld, vermogen, vandalisme, wapenbezit, drugsverkoop,
cyber- en gedigitaliseerd, cyberdelicten, gedigitaliseerd.
Trends:
Verklaringen voor afnemende trends:
- Succesvol beleid van gemeente en politie
- Maatschappelijke factoren (meer politie, beter inkomen, meer beveiliging)
- Afname risicofactoren (middelengebruik, delinquente vrienden) en toename
beschermingsfactoren (emotionele steun, betrokkenheid, monitoring)
- Digitalisering van de samenleving (meer activiteiten online, minder tijd voor
delinquente activiteiten)
- Verplaatsing van offline delinquent gedrag naar online delinquent gedrag
, 4
JC H5: Wetenschappelijke perspectieven op jeugddelinquentie
Theorien: aanleg, nurture, rationele keuze, zelfcontrole, biologie, ontwikkelingsperspectief en
stoppen met criminaliteit.
Thema’s: nature vs nurture, opvoeding vs omgeving, continuiteit vs verandering
In de criminologie is altijd al discussie geweest tussen nature en nurture. Positieve gevolgen
van deze benadering: het idee dat er typen delinquenten te onderscheiden zijn en het idee dat
delinquenten kenmerken hebben, die al vanaf de geboorte aanwezig zijn (persoonlijkheid).
Sociale omgeving
Sociale desorganisatie
- Opgroeien in een (arme) buurt
Differentiële associatie
- Kiezen voor een conventionele of criminele maatschappelijke oriëntatie
Spanning (straintheorie)
- Spanning ervaren omdat bepaalde middelen of doelen onbereikbaar lijken
Labelling
- Omgeving benadert individu als (potentiële) delinquent; individu neemt delinquente
identiteit aan
Gelegenheid en keuze
- Een situatie kan uitnodigen tot delinquent gedrag
Opvoeding
Binding
- Criminaliteit is een gevolg van een gebrek aan sociale bindingen; deze weerhouden
jongeren er van delinquent gedrag te vertonen
Zelfcontrole
- Jongeren met een zwakke zelfcontrole lopen een groter risico op delinquent gedrag
Ouder-kind interactie
- Niet kenmerken van de ouder of kenmerken van het kind zijn bepalend, maar de
reactie van beiden op elkaar (gebrekkige relatie)
Aanleg en onzichtbare lichamelijke kenmerken
Psychofysiologie: verminderde activiteit van het autonome zenuwstelsel
- Lage activiteit van het autonome zenuwstelsel (bijv. verlaagde hartslag, verlaagde
productie cortisol) hangt samen met fearlessness en hogere behoefte aan
sensation-seeking → arousel
Endocrinologie: hormonen
- Niveau van testosteron hangt samen met neiging tot dominantie
Neurologie: hersenen en neurotransmitters
- Hersenen: relatie tussen antisociaal gedrag en verminderde activiteit / kleinere
volumes van hersengebieden (aandacht, impulscontrole, besluitvaardigheid,
emotieverwerking, empathie)