Hoofdstuk 7: Vetten
Wat zijn vetten?
Onoplosbaar in water = gemeenschappelijk kenmerk
Voorbeelden:
Vetzuur
Triacylglycerol
Glycerolfosfolipide
Polyketides
Sphingolipide
Sterol lipide
Prenol lipide
Saccharolipide
Functies:
Opslagbron energie
Structurele elementen in biologische membranen (fosfolipiden, glycolipiden, spingholipiden,
sterolen)
Hormonen vb. testosteron
Elektronen carriers vb. ubiquinone
Intracellulaire messengers vb. diacylglycerol
Licht absorberende pigmenten vb. beta-caroteen
Structuur vetzuur: koolwaterstofketen 4C tot 36C , soms methylgroep als vertakking, koolstofringen
en hydroxylgroepen
Verzadigde vetten: geen dubbele binding
Onverzadigde vetten: dubbele binding cis of trans
Naamgeving vetzuur: omega-naamgeving -> terugtellen vb. 18:1 Δ9 18 vetzuren met 1 dubbele
binding op plaats 9
Transvet: heel ongezond -> cardiovasculaire aandoeningen
Triglyceriden zijn hoog geconcentreerde energiebronnen
Eigenschappen triglyceriden:
Neutrale vetten
geen lading
apolair/hydrofoob -> trekt geen water aan -> energie-inhoud van 1 gram
vet is 6-7 keer groter dan van 1 gram glycogeen want glycogeen 2 gram
water per gram aantrekken
sterk gereduceerd -> oxidatie van vetzuren levert 38kJ/g ivm 17kJ/g voor
eiwitten of koolhydraten
geen belangrijke functie
, zeer efficiënte vorm van energieopslag -> voorzien energie voor maanden tegenover glucose
en glycogeen maar voor 24u
chemisch inert -> reageren niet met andere moleculen
Opslag: vet opgeslagen als triglyceriden in vetcellen
witte vetcel: 1 grote vetdruppel -> meer isolerende functie
bruine vetcel: meerdere vetdruppels -> meer energetische functie -> thermoregulatie door
mitochondriën
Transport van vetten in ons lichaam
Maag darm
Vetten in voeding: triglyceriden, fosfolipiden, cholesterol en cholesterolesters -> vormen
macroscopische vetdruppels (emulsies) in de maag -> moet verkleind worden tot micellen
Maag: emulsie van vetten, gedeeltelijke afbraak door lipasen = 1 e ruwe afbraak
Darm: afbraak door lipasen en co-lipasen afkomstig van pancreas.
Vetten opnemen door darmepitheelcellen -> omringen met galzouten -> micellen: oplosbaar in water
door galzouten -> opname door epitheelcel (enterocyt) -> verestering -> chylomicron =
lipoproteïnepartikel -> via lymfesysteem transporteren naar bloedbaan tot perifere weefsels =
exogene pathway -> chylomicron bevat Apo-C = co-factor lipoproteïne lipase LPL -> triglyceriden uit
chylomicron hydrolyseren naar vrije vetzuren en glycerol -> opname door perifere weefsels ->
chylomicron-remnant blijft over -> opname door lever -> overmaat vetzuren en cholesterol wordt
omgevormd naar VLDL partikels in lever -> VLDL kan niet binden op LDL receptor dus geeft geen VLDL
af. Apoproteïnen ondergaan conformatieverandering waardoor ze wel herkent worden door
receptor
hydrofiele moleculen: rechtstreeks naar lever
hydrofobe moleculen: vormen micellen, gestabiliseerd door galzouten
Entero-hepatische cyclus: galzouten gevormd in lever -> via galblaas secreteren in lumen van darm -
> galzouten emulgeren vetten uit dieet, stabiliseren micellen, helpen absorptie vet-oplosbare
vitamines -> opname galzouten in enterocyt en terug transporteren naar lever via leverpoortader
Transport in lymfe/bloed via lipoproteïnepartikels (= sferische complexen met hydrofobe vetten in
het centrum en hydrofiele zijketens van aminozuren aan de buitenkant): zie hierboven
, Apoliproteïne = eiwitten in lipoproteïne partikels -> zeer veel polymorfismen: elk mens verschillend
in vetmetabolisme
3 functies:
structurele functie in opbouw lipoproteïnepartikels
co-factoren voor enzymen
liganden voor receptoren
6 klassen: A, B, C, D, E en H met diverse subklassen
Synthese in darmepitheel en lever onder sterk hormonale controle van o.a. oestrogeen, insuline en
glucagon
Endogene vetten worden in lever verpakt in VLDL
partikels
Endogene pathway vertrekt vanuit lever: VLDL
wordt gesecreteerd in bloedbaan -> vetten afgeven
aan spier- en vetweefsel -> dichtheid partikel
verandert: VLDL -> IDL -> LDL
Endogene vetten:
overmaat aan dieetlipiden/cholesterol die
via chylomicron-remnant partikels terecht
komen in lever
teveel aan koolhydraten wordt omgezet
naar vetzuren in lever
vetzuren ontstaan door novo synthese in
lever
VLDL circuleren -> druppels worden kleiner tot LDL -
> cholesterol afgeven aan cellen met LDL receptor ->
feedback mechanisme: geen verdere LDL partikels
worden opgenomen -> terug naar lever: recyclage + herverpakking LDL naar HDL -> HDL circuleren
om overtollig cholesterol te capteren en recycleren terug naar lever
Na afgifte aan perifere weefsels blijft er nog cholesterol over in LDL -> cholesterol transporteren naar
niet-hepatische weefsels met specifiek plasmamembraan receptor voor ApoB -> ApoB aanwezig in
VLDL, IDL en LDL maar receptor-bindend domein enkel beschikbaar voor binding aan receptor in LDL
-> zal via receptor-gemedieerde endocytose worden opgenomen in niet-hepatische weefsels
Receptor gemedieerde endocytose
Endocytose LDL -> vorming endosoom -> endosoom
fusioneert met lysosoom -> proteasen activeren:
cholesterolesters kapot maken -> omzetten in
aminozuren en vetzuren -> cholesterol komt vrij in
cytosol -> naar membraan gebracht of terug veresterd
en gestockeerd in cytosolische vetdruppels -> LDL-
receptor terug naar plasmamembraan
Wat zijn vetten?
Onoplosbaar in water = gemeenschappelijk kenmerk
Voorbeelden:
Vetzuur
Triacylglycerol
Glycerolfosfolipide
Polyketides
Sphingolipide
Sterol lipide
Prenol lipide
Saccharolipide
Functies:
Opslagbron energie
Structurele elementen in biologische membranen (fosfolipiden, glycolipiden, spingholipiden,
sterolen)
Hormonen vb. testosteron
Elektronen carriers vb. ubiquinone
Intracellulaire messengers vb. diacylglycerol
Licht absorberende pigmenten vb. beta-caroteen
Structuur vetzuur: koolwaterstofketen 4C tot 36C , soms methylgroep als vertakking, koolstofringen
en hydroxylgroepen
Verzadigde vetten: geen dubbele binding
Onverzadigde vetten: dubbele binding cis of trans
Naamgeving vetzuur: omega-naamgeving -> terugtellen vb. 18:1 Δ9 18 vetzuren met 1 dubbele
binding op plaats 9
Transvet: heel ongezond -> cardiovasculaire aandoeningen
Triglyceriden zijn hoog geconcentreerde energiebronnen
Eigenschappen triglyceriden:
Neutrale vetten
geen lading
apolair/hydrofoob -> trekt geen water aan -> energie-inhoud van 1 gram
vet is 6-7 keer groter dan van 1 gram glycogeen want glycogeen 2 gram
water per gram aantrekken
sterk gereduceerd -> oxidatie van vetzuren levert 38kJ/g ivm 17kJ/g voor
eiwitten of koolhydraten
geen belangrijke functie
, zeer efficiënte vorm van energieopslag -> voorzien energie voor maanden tegenover glucose
en glycogeen maar voor 24u
chemisch inert -> reageren niet met andere moleculen
Opslag: vet opgeslagen als triglyceriden in vetcellen
witte vetcel: 1 grote vetdruppel -> meer isolerende functie
bruine vetcel: meerdere vetdruppels -> meer energetische functie -> thermoregulatie door
mitochondriën
Transport van vetten in ons lichaam
Maag darm
Vetten in voeding: triglyceriden, fosfolipiden, cholesterol en cholesterolesters -> vormen
macroscopische vetdruppels (emulsies) in de maag -> moet verkleind worden tot micellen
Maag: emulsie van vetten, gedeeltelijke afbraak door lipasen = 1 e ruwe afbraak
Darm: afbraak door lipasen en co-lipasen afkomstig van pancreas.
Vetten opnemen door darmepitheelcellen -> omringen met galzouten -> micellen: oplosbaar in water
door galzouten -> opname door epitheelcel (enterocyt) -> verestering -> chylomicron =
lipoproteïnepartikel -> via lymfesysteem transporteren naar bloedbaan tot perifere weefsels =
exogene pathway -> chylomicron bevat Apo-C = co-factor lipoproteïne lipase LPL -> triglyceriden uit
chylomicron hydrolyseren naar vrije vetzuren en glycerol -> opname door perifere weefsels ->
chylomicron-remnant blijft over -> opname door lever -> overmaat vetzuren en cholesterol wordt
omgevormd naar VLDL partikels in lever -> VLDL kan niet binden op LDL receptor dus geeft geen VLDL
af. Apoproteïnen ondergaan conformatieverandering waardoor ze wel herkent worden door
receptor
hydrofiele moleculen: rechtstreeks naar lever
hydrofobe moleculen: vormen micellen, gestabiliseerd door galzouten
Entero-hepatische cyclus: galzouten gevormd in lever -> via galblaas secreteren in lumen van darm -
> galzouten emulgeren vetten uit dieet, stabiliseren micellen, helpen absorptie vet-oplosbare
vitamines -> opname galzouten in enterocyt en terug transporteren naar lever via leverpoortader
Transport in lymfe/bloed via lipoproteïnepartikels (= sferische complexen met hydrofobe vetten in
het centrum en hydrofiele zijketens van aminozuren aan de buitenkant): zie hierboven
, Apoliproteïne = eiwitten in lipoproteïne partikels -> zeer veel polymorfismen: elk mens verschillend
in vetmetabolisme
3 functies:
structurele functie in opbouw lipoproteïnepartikels
co-factoren voor enzymen
liganden voor receptoren
6 klassen: A, B, C, D, E en H met diverse subklassen
Synthese in darmepitheel en lever onder sterk hormonale controle van o.a. oestrogeen, insuline en
glucagon
Endogene vetten worden in lever verpakt in VLDL
partikels
Endogene pathway vertrekt vanuit lever: VLDL
wordt gesecreteerd in bloedbaan -> vetten afgeven
aan spier- en vetweefsel -> dichtheid partikel
verandert: VLDL -> IDL -> LDL
Endogene vetten:
overmaat aan dieetlipiden/cholesterol die
via chylomicron-remnant partikels terecht
komen in lever
teveel aan koolhydraten wordt omgezet
naar vetzuren in lever
vetzuren ontstaan door novo synthese in
lever
VLDL circuleren -> druppels worden kleiner tot LDL -
> cholesterol afgeven aan cellen met LDL receptor ->
feedback mechanisme: geen verdere LDL partikels
worden opgenomen -> terug naar lever: recyclage + herverpakking LDL naar HDL -> HDL circuleren
om overtollig cholesterol te capteren en recycleren terug naar lever
Na afgifte aan perifere weefsels blijft er nog cholesterol over in LDL -> cholesterol transporteren naar
niet-hepatische weefsels met specifiek plasmamembraan receptor voor ApoB -> ApoB aanwezig in
VLDL, IDL en LDL maar receptor-bindend domein enkel beschikbaar voor binding aan receptor in LDL
-> zal via receptor-gemedieerde endocytose worden opgenomen in niet-hepatische weefsels
Receptor gemedieerde endocytose
Endocytose LDL -> vorming endosoom -> endosoom
fusioneert met lysosoom -> proteasen activeren:
cholesterolesters kapot maken -> omzetten in
aminozuren en vetzuren -> cholesterol komt vrij in
cytosol -> naar membraan gebracht of terug veresterd
en gestockeerd in cytosolische vetdruppels -> LDL-
receptor terug naar plasmamembraan