Hoofdstuk 5: stereotypes
(hoorcollege 7: 15/11/2024)
1. Wat zijn stereotypes?
- ontleding woord
o stereos: sterk stevig, vast
o tupos: beeld
- mentale beelden van een groep mensen waarin een aantal eigenschappen
vervat zit die we als typisch ervaren
- in het geheugen opgeslagen, georganiseerde en vereenvoudigde
verzameling kennis over een groep personen
o generaliseren obv deze beperkte kenmerken
- inhoud kan overlappen of verschillen tussen individuen
- vooral over opvallende groepen
o van belang, is interessant
o minderheid
o waarneembare kenmerken
- ook over groepen waar we zelf toe behoren = zelfstereotypering
o kan gevaarlijk zijn als je weet dat bij je eigen groep negatieve
kenmerken horen
- componenten
o declaratieve component
▪ alle kennis beschikbaar over stereotype
▪ centrale tendens: doorsnee van de groep = typische beeld vd
groep waar de rest mee vergeleken wordt
▪ variabiliteit: individuele verschillen zijn er nog steeds binnen
zo’n groep = te weinig oog voor, ied over dezelfde kam
geschoren
o affectieve component
▪ gevoelsmatig, meestal negatief
▪ positieve stereotypen ook niet als compliment ervaren
➢ blijft een stereotype, iedereen op dezelfde hoop, geen
oog voor individuele verschillen
➢ verwachtingen van mede mens, innerlijke druk stijgt
▪ verhulde negatieve stereotypen
- weerbarstig: niet makkelijk om stereotypes te doen verdwijnen of
veranderen -> sterk vasthouden aan verouderde stereotypes
- exp ‘schrijf een verhaal over de arbeider’
o pp kregen verhaal te horen over een arbeider
▪ conditie 1: woord intelligentie gebruikt (past niet in plaatje
van een arbeider)
▪ conditie 2: woord intelligentie niet gebruikt
o taak: verhaal neerschrijven over arbeider die ze net hebben leren
kennen via verhaal
o C1: doen er alles aan om woord intelligentie niet te gebruiken, ze
gebruiken hoogstens ‘gezond verstand’ maar blijven absoluut
vasthouden aan hun verouderd stereotype
, - verwachtingen & gedragstendens (intentie om ons te gedragen tov
gestereotypeerde)
- mens heeft oogklappen op, gaan ervan uit dat mensen uit
gestereotypeerde groep zich ook volgens dat stereotype moeten gedragen
(= normatief)
- moeilijk om stereotypes te kraken
- kunnen ook nuttig zijn
o bv: eerste indruk vormen
2. Hoe zijn stereotypes te meten?
- covert gedrag -> moeilijk meetbaar
- niet langer expliciet met zelfbeschrijvingen, maar impliciet (subtieler en
voorzichtiger)
- impliciete associatie test: reactietijdtaak -> hoe snel reageren we op
sterkte associaties tussen begrippen
o bv: woord oorlog, sterkere associatie met ‘slecht’ dan met ‘goed’
o bv: stereotype over mensen met fysieke beperking
▪ woorden/afbeeldingen in categorie slepen, berekenen hoeveel
tijd nodig per antwoord
▪ taak 1: prent in categorie ‘fysiek capabel’ of ‘fysiek incapabel’
▪ taak 2: woorden in categorie ‘goed’ of ‘slecht’
▪ taak 3: categorieën samengenomen -> ‘slecht en fysiek
incapabel’ of ‘goed en fysiek capabel’
▪ taak 4: omgekeerde verbindingen tussen categorieën ->
‘goed en fysiek incapabel’ of ‘slecht en fysiek capabel’
▪ vgl tussen taak 3 & 4 -> bij taak 4 meer tijd nodig: associatie
zit minder goed in ons geheugen = impliciete bias
3. Waar komen stereotypes vandaan?
3.1 categorisering als eigenschap van informatieverwerking
- adhv aan- of afwezigheid van kenmerken maken mensen overzichtelijke
categorieën
o evolutiepsychologie: mens evolutie overleefd omdat ze als groep
leefden = groot voordeel -> wisten goed wie deel was van hun
groep en wie niet (evt gevaar)
o in hersenen: fusi formu gyrus -> plooi in hersenen waarmee wij
andere mensen/gezichten kunnen registreren en herkennen
- ontstaan wij- en zij-groep
- sociale categorisering = oorsprong stereotypes
- automatisch proces: indelen in 3 categorieën -> afkomst/geslacht/leeftijd
- gevaar nu: sociale categorisering gebeurt obv té triviale kenmerken
o gewicht/haarkleur/…
- wij-groep: verschillen binnen categorie minimaliseren (variabiliteit
onderschatten)
- wij- vs zij-groep: verschillen tussen categorieën uitvergroten
(hoorcollege 7: 15/11/2024)
1. Wat zijn stereotypes?
- ontleding woord
o stereos: sterk stevig, vast
o tupos: beeld
- mentale beelden van een groep mensen waarin een aantal eigenschappen
vervat zit die we als typisch ervaren
- in het geheugen opgeslagen, georganiseerde en vereenvoudigde
verzameling kennis over een groep personen
o generaliseren obv deze beperkte kenmerken
- inhoud kan overlappen of verschillen tussen individuen
- vooral over opvallende groepen
o van belang, is interessant
o minderheid
o waarneembare kenmerken
- ook over groepen waar we zelf toe behoren = zelfstereotypering
o kan gevaarlijk zijn als je weet dat bij je eigen groep negatieve
kenmerken horen
- componenten
o declaratieve component
▪ alle kennis beschikbaar over stereotype
▪ centrale tendens: doorsnee van de groep = typische beeld vd
groep waar de rest mee vergeleken wordt
▪ variabiliteit: individuele verschillen zijn er nog steeds binnen
zo’n groep = te weinig oog voor, ied over dezelfde kam
geschoren
o affectieve component
▪ gevoelsmatig, meestal negatief
▪ positieve stereotypen ook niet als compliment ervaren
➢ blijft een stereotype, iedereen op dezelfde hoop, geen
oog voor individuele verschillen
➢ verwachtingen van mede mens, innerlijke druk stijgt
▪ verhulde negatieve stereotypen
- weerbarstig: niet makkelijk om stereotypes te doen verdwijnen of
veranderen -> sterk vasthouden aan verouderde stereotypes
- exp ‘schrijf een verhaal over de arbeider’
o pp kregen verhaal te horen over een arbeider
▪ conditie 1: woord intelligentie gebruikt (past niet in plaatje
van een arbeider)
▪ conditie 2: woord intelligentie niet gebruikt
o taak: verhaal neerschrijven over arbeider die ze net hebben leren
kennen via verhaal
o C1: doen er alles aan om woord intelligentie niet te gebruiken, ze
gebruiken hoogstens ‘gezond verstand’ maar blijven absoluut
vasthouden aan hun verouderd stereotype
, - verwachtingen & gedragstendens (intentie om ons te gedragen tov
gestereotypeerde)
- mens heeft oogklappen op, gaan ervan uit dat mensen uit
gestereotypeerde groep zich ook volgens dat stereotype moeten gedragen
(= normatief)
- moeilijk om stereotypes te kraken
- kunnen ook nuttig zijn
o bv: eerste indruk vormen
2. Hoe zijn stereotypes te meten?
- covert gedrag -> moeilijk meetbaar
- niet langer expliciet met zelfbeschrijvingen, maar impliciet (subtieler en
voorzichtiger)
- impliciete associatie test: reactietijdtaak -> hoe snel reageren we op
sterkte associaties tussen begrippen
o bv: woord oorlog, sterkere associatie met ‘slecht’ dan met ‘goed’
o bv: stereotype over mensen met fysieke beperking
▪ woorden/afbeeldingen in categorie slepen, berekenen hoeveel
tijd nodig per antwoord
▪ taak 1: prent in categorie ‘fysiek capabel’ of ‘fysiek incapabel’
▪ taak 2: woorden in categorie ‘goed’ of ‘slecht’
▪ taak 3: categorieën samengenomen -> ‘slecht en fysiek
incapabel’ of ‘goed en fysiek capabel’
▪ taak 4: omgekeerde verbindingen tussen categorieën ->
‘goed en fysiek incapabel’ of ‘slecht en fysiek capabel’
▪ vgl tussen taak 3 & 4 -> bij taak 4 meer tijd nodig: associatie
zit minder goed in ons geheugen = impliciete bias
3. Waar komen stereotypes vandaan?
3.1 categorisering als eigenschap van informatieverwerking
- adhv aan- of afwezigheid van kenmerken maken mensen overzichtelijke
categorieën
o evolutiepsychologie: mens evolutie overleefd omdat ze als groep
leefden = groot voordeel -> wisten goed wie deel was van hun
groep en wie niet (evt gevaar)
o in hersenen: fusi formu gyrus -> plooi in hersenen waarmee wij
andere mensen/gezichten kunnen registreren en herkennen
- ontstaan wij- en zij-groep
- sociale categorisering = oorsprong stereotypes
- automatisch proces: indelen in 3 categorieën -> afkomst/geslacht/leeftijd
- gevaar nu: sociale categorisering gebeurt obv té triviale kenmerken
o gewicht/haarkleur/…
- wij-groep: verschillen binnen categorie minimaliseren (variabiliteit
onderschatten)
- wij- vs zij-groep: verschillen tussen categorieën uitvergroten