SAMENVATTING HOOFDSTUK 1
De term persoonlijkheid heeft betrekking op de min of meer stabiele psychologische individuele
verschillen tussen mensen. De persoonlijkheidspsychologie houdt zich bezig met het bestuderen van
deze psychologische individuele verschillen.
Algemene definitie van persoonlijkheid → persoonlijkheid heeft betrekking op de kenmerkende
individuele verschillen tussen mensen in de manier waarop ze zich gedragen, hoe ze zich voelen en hoe
ze denken. Deze individuele verschillen zijn vrij stabiel, deels genetisch bepaald en openbaren zich in
verschillende situaties.
Tegenwoordig wordt de term temperament in de psychologie vooral gebruikt om te verwijzen naar basale
persoonlijkheidseigenschappen die al in de kinderjaren aanwezig zijn en die observeerbaar zijn.
TEMPERAMENTPATRONEN ONDER BABY’S
Het moeilijke kind
• 10% van de kinderen
• Eet- en slaapproblemen, trekt snel terug bij prikkels, tijd nodig zich aan te passen
Het gemakkelijke kind
• 40% van de kinderen
• Regelmatig levensritme, past zich gemakkelijk aan, geïnteresseerd in nieuwe prikkels
De langzame starter
• 15% van de kinderen
• Vertoont gedrag dat mengvorm is van het moeilijke en het makkelijke kind
• Past niet zo snel aan en zal vaak op nieuwe prikkels slecht reageren, levensritme is veel
regelmatiger
STABILITEIT VAN PERSOONLIJKHEID
Een belangrijk kenmerk van de persoonlijkheid is dat de persoonlijkheid redelijk stabiel is.
Men kan twee belangrijke vormen van stabiliteit onderscheiden:
1. Rangordestabiliteit: verwijst naar de relatieve positie die iemand in een groep inneemt in de
loop van de tijd
a. Onderzoek volgt mensen gedurende een bepaalde tijd
b. Op verschillende momenten worden tests afgenomen die bepaalde
persoonlijkheidseigenschappen meten en kijken vervolgens hoeverre de scores van
deze meetmomenten met elkaar samenhangen
c. De samenhang wordt uitgedrukt in correlaties
2. Mean-levelstabiliteit: heeft betrekking op de mate waarin scores van groepen personen
naarmate ze ouder worden hetzelfde blijven
a. Zijn kinderen van 15 jaar minder of meer recalcitrant dan kinderen van 10 jaar
b. Op hetzelfde moment worden mensen van verschillende leeftijden op
persoonlijkheidseigenschappen gemeten, vervolgens worden gemiddelde scores voor
de leeftijdsgroepen gemeten en vergeleken
SAMENVATTEND:
• Persoonlijkheid is vanaf jonge leeftijd vrij stabiel. Deze stabiliteit neemt toe naarmate mensen
ouder worden, met een piek rond de leeftijd van 50-60
De term persoonlijkheid heeft betrekking op de min of meer stabiele psychologische individuele
verschillen tussen mensen. De persoonlijkheidspsychologie houdt zich bezig met het bestuderen van
deze psychologische individuele verschillen.
Algemene definitie van persoonlijkheid → persoonlijkheid heeft betrekking op de kenmerkende
individuele verschillen tussen mensen in de manier waarop ze zich gedragen, hoe ze zich voelen en hoe
ze denken. Deze individuele verschillen zijn vrij stabiel, deels genetisch bepaald en openbaren zich in
verschillende situaties.
Tegenwoordig wordt de term temperament in de psychologie vooral gebruikt om te verwijzen naar basale
persoonlijkheidseigenschappen die al in de kinderjaren aanwezig zijn en die observeerbaar zijn.
TEMPERAMENTPATRONEN ONDER BABY’S
Het moeilijke kind
• 10% van de kinderen
• Eet- en slaapproblemen, trekt snel terug bij prikkels, tijd nodig zich aan te passen
Het gemakkelijke kind
• 40% van de kinderen
• Regelmatig levensritme, past zich gemakkelijk aan, geïnteresseerd in nieuwe prikkels
De langzame starter
• 15% van de kinderen
• Vertoont gedrag dat mengvorm is van het moeilijke en het makkelijke kind
• Past niet zo snel aan en zal vaak op nieuwe prikkels slecht reageren, levensritme is veel
regelmatiger
STABILITEIT VAN PERSOONLIJKHEID
Een belangrijk kenmerk van de persoonlijkheid is dat de persoonlijkheid redelijk stabiel is.
Men kan twee belangrijke vormen van stabiliteit onderscheiden:
1. Rangordestabiliteit: verwijst naar de relatieve positie die iemand in een groep inneemt in de
loop van de tijd
a. Onderzoek volgt mensen gedurende een bepaalde tijd
b. Op verschillende momenten worden tests afgenomen die bepaalde
persoonlijkheidseigenschappen meten en kijken vervolgens hoeverre de scores van
deze meetmomenten met elkaar samenhangen
c. De samenhang wordt uitgedrukt in correlaties
2. Mean-levelstabiliteit: heeft betrekking op de mate waarin scores van groepen personen
naarmate ze ouder worden hetzelfde blijven
a. Zijn kinderen van 15 jaar minder of meer recalcitrant dan kinderen van 10 jaar
b. Op hetzelfde moment worden mensen van verschillende leeftijden op
persoonlijkheidseigenschappen gemeten, vervolgens worden gemiddelde scores voor
de leeftijdsgroepen gemeten en vergeleken
SAMENVATTEND:
• Persoonlijkheid is vanaf jonge leeftijd vrij stabiel. Deze stabiliteit neemt toe naarmate mensen
ouder worden, met een piek rond de leeftijd van 50-60