Programmeervaardigheden
Week 1
Matrices
Bijvoorbeeld 2x3 matrix, dus 2 rijen en 3 kolommen
A = [2,5,8; 11,14,17];
Resultaat: A = 2 5 8
11 14 17
Met indexen kunnen cijfers uit de matrix verandert worden
A(1,3) = 9;
Resultaat: A = 2 5 9
11 14 17
Als we als index A(:,2) gebruiken, krijgen we als resultaat een kolomvector met alle
rijen uit de 2e kolom.
A(:,2)
Resultaat: 5
14
Als we een matrix hebben als:
y = 10 20 30 40
50 60 70 80
90 100 110 120
130 140 150 160
En we typen de index y(1,2:3) krijgen we uit rij 1 de waarden van kolom 2 tot en met
3.
Resultaat: 20 30
Wanneer we de index y(2:end, 3) krijgen we uit rij 2 tot en met de laatste rij alle
getallen uit de 3e kolom.
Resultaat: 70
110
150
Een matrix met alleen maar nullen/enen kan gemaakt worden met het commando:
A = zeros(3,3); / A = ones(3,3);
Wanneer we een rijvector hebben kunnen we waarden bij die rij optellen/aftrekken:
C = [1,2,3,4,5];
C(2:4) = C(2:4) + 2;
Resultaat: C = 1 4 5 6 5
Ook kunnen we iets optellen bij bijvoorbeeld alle oneven indexnummers:
C = [1,2,3,4,5];
C(1:2:end) = C(1:2:end) + 4;
Resultaat: C = 5 2 7 4 9
(1:2:end) is een index die aangeeft dat je bij het eerste getal van de rij begint en bij
het einde stopt en dat met stapjes van 2 doet, zodat alleen bij de oneven
indexnummers een waarde van 4 wordt opgeteld.
, Functies
Elke functie heeft een standaard opbouw:
function [output] = FunctieNaam (input)
%FunctieNaam: uitleg over wat de functie doet
Als in het hoofdscript FunctieNaam (input) gebruikt wordt, leest MatLab de inhoud
van de input en gebruikt dit bij het toepassen van het andere script dat in de
functie staat. De variabelen die als output gegeven zijn worden vervolgens
meegenomen naar het hoofdscript.
Voorbeeld:
Ingebouwede functies in Matlab
disp() = om dingen te laten zien.
Bijvoorbeeld: disp(‘sierkonijn’)
Resultaat: sierkonijn
num2string() = om een getal om te zetten naar een string (woorden). We kunnen
namelijk geen getallen en woorden in 1 zin displayen.
Bijvoorbeeld:
BMI = 22;
ProefpersoonNummer = 2;
disp( [‘Proefpersoon’ num2string(proefpersoonNummer) ‘heeft een BMI van:’
num2string(BMI)])
Resultaat: Proefpersoon 2 heeft een BMI van 22
mean(y) = om het gemiddelde te berekenen van een vector/matrix.
Bijvoorbeeld:
y = 1:10;
mean(y) = 5.5
In het geval van een matrix komt er een vector uit als gemiddelde, de volgorde die de
functie aanhoudt is: eerst het gemiddelde over hele kolommen en als die er niet zijn
dan over de hele rij. Wanneer mean(x,2) wordt getypt krijg je het gemiddelde van de
rijen, ipv de kolommen in een matrix.
Bijvoorbeeld:
x = [10 20 30; 40 50 60; 70 80 90];
mean(x) = 40 50 60
Week 1
Matrices
Bijvoorbeeld 2x3 matrix, dus 2 rijen en 3 kolommen
A = [2,5,8; 11,14,17];
Resultaat: A = 2 5 8
11 14 17
Met indexen kunnen cijfers uit de matrix verandert worden
A(1,3) = 9;
Resultaat: A = 2 5 9
11 14 17
Als we als index A(:,2) gebruiken, krijgen we als resultaat een kolomvector met alle
rijen uit de 2e kolom.
A(:,2)
Resultaat: 5
14
Als we een matrix hebben als:
y = 10 20 30 40
50 60 70 80
90 100 110 120
130 140 150 160
En we typen de index y(1,2:3) krijgen we uit rij 1 de waarden van kolom 2 tot en met
3.
Resultaat: 20 30
Wanneer we de index y(2:end, 3) krijgen we uit rij 2 tot en met de laatste rij alle
getallen uit de 3e kolom.
Resultaat: 70
110
150
Een matrix met alleen maar nullen/enen kan gemaakt worden met het commando:
A = zeros(3,3); / A = ones(3,3);
Wanneer we een rijvector hebben kunnen we waarden bij die rij optellen/aftrekken:
C = [1,2,3,4,5];
C(2:4) = C(2:4) + 2;
Resultaat: C = 1 4 5 6 5
Ook kunnen we iets optellen bij bijvoorbeeld alle oneven indexnummers:
C = [1,2,3,4,5];
C(1:2:end) = C(1:2:end) + 4;
Resultaat: C = 5 2 7 4 9
(1:2:end) is een index die aangeeft dat je bij het eerste getal van de rij begint en bij
het einde stopt en dat met stapjes van 2 doet, zodat alleen bij de oneven
indexnummers een waarde van 4 wordt opgeteld.
, Functies
Elke functie heeft een standaard opbouw:
function [output] = FunctieNaam (input)
%FunctieNaam: uitleg over wat de functie doet
Als in het hoofdscript FunctieNaam (input) gebruikt wordt, leest MatLab de inhoud
van de input en gebruikt dit bij het toepassen van het andere script dat in de
functie staat. De variabelen die als output gegeven zijn worden vervolgens
meegenomen naar het hoofdscript.
Voorbeeld:
Ingebouwede functies in Matlab
disp() = om dingen te laten zien.
Bijvoorbeeld: disp(‘sierkonijn’)
Resultaat: sierkonijn
num2string() = om een getal om te zetten naar een string (woorden). We kunnen
namelijk geen getallen en woorden in 1 zin displayen.
Bijvoorbeeld:
BMI = 22;
ProefpersoonNummer = 2;
disp( [‘Proefpersoon’ num2string(proefpersoonNummer) ‘heeft een BMI van:’
num2string(BMI)])
Resultaat: Proefpersoon 2 heeft een BMI van 22
mean(y) = om het gemiddelde te berekenen van een vector/matrix.
Bijvoorbeeld:
y = 1:10;
mean(y) = 5.5
In het geval van een matrix komt er een vector uit als gemiddelde, de volgorde die de
functie aanhoudt is: eerst het gemiddelde over hele kolommen en als die er niet zijn
dan over de hele rij. Wanneer mean(x,2) wordt getypt krijg je het gemiddelde van de
rijen, ipv de kolommen in een matrix.
Bijvoorbeeld:
x = [10 20 30; 40 50 60; 70 80 90];
mean(x) = 40 50 60