Wat moet je kennen voor het tentamen?
- 4 Symbolen
- Geef een SV van de stories of change en stories of power. Welke varianten zie je langskomen?
- Wat is de probleemdefinitie (verhaal wat verteld wordt) + welke kenmerken komen terug in het
verhaal?
Wat is een symbool?
Iets wat voor iets anders staat/representeert. Het geeft betekenis aan iets. Het is in staat om te beïnvloeden
hoe mensen denken en voelen over onderwerpen
Symbolen zijn onder te verdelen in verschillende categorieen, namelijk:
1. Stories
2. Synecdoche
3. Metafoor.
Type story’s
Hierbij zijn er twee type verhaallijnen, namelijk story of change en story of power.
Type 1 = story of change:
- Decline: alles wordt slechter, eindigt in crisis. Berichtgeving altijd negatief, de assumptie dat het ooit
beter was, maakt het negatief
- Rising: alles wordt beter, vergeleken met slechte situatie vroeger
- Stymied progress: er was veel vooruitgang, maar deze wordt nu belemmerd.
- Change is only an illusion: je dacht dat het beter of slechter ging, maar dat is helemaal niet zo. Ik heb
bijvoorbeeld de cijfers die het tegendeel bewijzen
Type 2 = Storyline of power: je dacht dat er iets gebeurde waarover je geen controle had, maar iemand heeft
wel controle
- Helplessness: situatie al slecht, acceptatie tot geen mogelijkheden hebben, dat was het lot
- Control: mate van controle, geen sprake van lot, er is een partij met macht en controle
- Conspiracy: wat jij denkt dat toeval is, is helemaal geen toeval. Doelgerichte actie van bepaalde
groep, en heeft dit verborgen gehouden.
- Blame the victim: slachtoffer is zelf verantwoordelijk voor iets wat er gebeurt is. Dus ook
ombuigen naar controle, controle ligt bij slachtoffer.
Synecdoche
Synecdoche: een geval uitgelicht en representatief gemaakt voor het geheel. je beschrijft een deel van een
probleem, waardoor de probleemdefinitie vergeten wordt, waardoor ze het grotere probleem vergeten. Kan
kritisch denken in slaap sussen. Klein deel van een veel complexer vraagstuk wordt uitgelicht.
Voorbeeld: Stel dat een beleidsmaker spreekt over immigratiebeleid en een specifiek incident met een
criminele immigrant naar voren brengt als representatief voor alle immigranten. Hier wordt één geval van
criminaliteit door een immigrant (het deel) gebruikt om het hele immigratievraagstuk (het geheel) in een
bepaald licht te zetten. Dit creëert een beeld dat immigranten als geheel problematisch zijn, ook al is dat
incident slechts een klein deel van een veel complexer vraagstuk.
Bijvoorbeeld het verhaal rondom de vrouw in de bijstand die boodschappen kreeg en vervolgens de bijstand
moest terug betalen. Hiermee een geval representatief gemaakt voor het geheel van het probleem van het
stelsel rondom bijstand
, Dit verhaal kan worden omgebogen tot een horrorscenario of doemverhaal
Metaforen:
Het ene beleidsprobleem is gelinkt aan een ander beleidsprobleem. Metaforen worden gebruikt om een
probleem te kaderen op een manier die bepaalde interpretaties, emoties of oplossingen oproept. meest
gebruikte metaforen in de politiek zijn organismes, ziekten, natuurlijke wetten, machines, containers en
oorlogen.
Voorbeeld van een metafoor: Een veelgebruikte metafoor in gezondheidszorgbeleid is het idee van de
"zorgmarkt." Door gezondheidszorg te beschrijven als een markt, wordt gesuggereerd dat de logica van vraag
en aanbod de beste manier is om zorg te organiseren. Het roept beelden op van competitie, efficiëntie, en
klantgerichtheid, waarbij patiënten worden gezien als consumenten en ziekenhuizen als bedrijven. Deze
metafoor zet beleidsmakers ertoe aan om beleid te maken dat past bij markten, zoals het bevorderen van
keuzevrijheid of het stimuleren van competitie, ook al heeft gezondheidszorg veel meer complexiteiten dan
een typische markt.
Metaforen trekken in de basis de vergelijking tussen twee verschillende situaties
- ……maar onder de oppervlakte brengen ze een grotere narratieve implicatie met zich mee (‘als A
nu zoals B is, is A áltijd zoals B’) en dat daarmee ook bepaalde oplossingen/acties voor te schrijven
zijn
- Vele variaties:
- Living organism (‘De organisatie heeft een eigen wil, het is meer dan een opsomming van
onderdelen’)
- Machines and mechanical devices (‘De organisatie loopt als een geoliede machine’)
- Slippery slope (‘Als we nu wiet legaliseren, verkopen de supermarkten binnen 10 jaar heroïne’)
Ambiguiteit:
Bovenstaande symbolen kunnen ambigu zijn. Dit wil zeggen: Symbool kan meerdere betekenissen tegelijk
hebben, symbolen zijn op zichzelf dus ambigu/dubbelzinnig. Iets kan iets anders betekenen voor verschillende
mensen.
7 strategische functies van ambiguïteit in beleid:
Waarom toegepast in de politiek?
1. Helpt bij het creeren van alliantie tussen politieke partijen
2. Helpt bij het creeren van allianties tussen sociale bewegingen en belangengroepen.
3. Verenigt groepen die allebei voordelen zouden kunnen ondervinden.
4. Stelt beleidsmakers in staat om buiten het zicht van het publiek te
onderhandelen
5. Stelt beleidsmakers in staat om beide partijen in een conflict iets te geven
6. Stelt politieke leiders in staat zichzelf als “succesvol” te presenteren aan kiezers.
7. Vergemakkelijkt collectieve actie.
Samenvatting Rochefort en Cobb (1994), ‘Problem definition, an emerging perspective‘
Gaat over negen categorieën van probleemdefinitie claims: CEFNONPIE
Causality (causaliteit)
Een eerste element van de probleemdefinitie is de omschrijving van de causaliteit van het probleem. Een
probleem komt namelijk ergens vandaan, maar wat de precieze oorzaak van het probleem is, kan voor
interpretatie vatbaar zijn. Hier kan dus ook sprake zijn van ‘vinger wijzen’ of kunnen actoren proberen de
schuld bij iemand anders in de schoenen te schuiven. Het maken van verwijten kan dan ook vaak een
strategische keuze zijn in het doorvoeren van beleid
, Severity (ernst van de zaak)
In de categorie ‘severity’ gaat het om het feit hoe groot het probleem eigenlijk is en hoe serieus het probleem
en de consequenties daarvan genomen moeten worden (Rochefort & Cobb, p. 17). In welke mate een
probleem het label krijgt van ernstig is een cruciale zaak, omdat dit bepalend is of het probleem de aandacht
krijgt van de media en beleidsmakers.
Crisis is volgens Rochefort en Cobb (1994, pp. 21-22) een apart kenmerk van de probleemdefinitie. Crisis kan
echter gezien worden als de ergste vorm van severity.
Incidence (frequentie):
In de categorie ‘incidence’ gaat het om het feit hoe uitzonderlijk het is dat iets gebeurt (Rochefort & Cobb,
1994, p. 20). Het gaat om de frequentie en invloed van bepaald gevaar en of het een potentiële trigger is voor
een sociaal probleem. Hoe vaak komt een probleem voor? Hoe vaker een probleem voor komt hoe
erger/groter het is. Door aan te tonen dat iets erg is komt het vaak op een agenda. Echter werkt het nog beter
om het op de agenda te krijgen wanneer je kan aantonen dat het erger wordt.
Incidence is het volgende kenmerk wat Rochefort en Cobb (1994, p. 20) in hun artikel aanhalen. Dit kenmerk
gaat over hoe vaak en hoe wijdverspreid een probleem voorkomt in de samenleving. Dit is relevant omdat de
kans groter is dat mensen een probleem als een sociaal probleem beschouwen als het vaak voorkomt of snel in
omvang toeneemt.
Novelty (nieuwigheid)
In deze categorie gaat het erom of het probleem een nieuw probleem is (Rochefort & Cobb, 1994, p. 21). Indien
een probleem als nieuw en baanbrekend wordt gepresenteerd, kan dit diverse effecten hebben. Het eerste
effect is dat het de aandacht wekt, waarbij deze aandacht wel na verloop van tijd weer kan verdwijnen. Het
tweede effect dat kan optreden is dat het zo nieuw is, dat niemand zo goed weet wat je er mee moet en welke
oplossingen er mogelijk zijn. Er zal spanning optreden op het moment dat het publiek wel verwacht dat er snel
een oplossing wordt gevonden.
Nieuwigheid; is het een nieuw of een oud probleem? Nieuwe problemen zijn onbekend (dus maken mensen
banger). Doordat mensen bang hiervoor zijn komen er sneller maatregelen / oplossingen. Dit heeft ook ermee
te maken dat voor oude problemen vaak al gezocht is voor oplossingen, dus als nieuwe beleidsmaker ga je dan
ook minder snel opzoek naar een oplossing (kans op falen).
Het kenmerk novelty gaat over hoe nieuw een probleem is in de samenleving. Op het moment dat een
probleem als nieuw of uniek wordt aangekaart trekt het veel aandacht. Naarmate de tijd verstrijkt, kan die
interesse echter afnemen en verschuift de aandacht van het publiek en de media naar een ander probleem
(Rochefort & Cobb, 1994, p. 21).
Proximity (nabijheid)
In deze categorie gaat het om nabijheid (Rochefort & Cobb, 1994, p. 21). Hierbij gaat het erom dat je niet direct
geraakt wordt door bepaald gevaar, maar je vindt het wel belangrijk wat er in je nabijheid speelt. Om deze
reden zoeken voorstanders van een bepaalde kwestie vaak naar relaties met de persoonlijke relevantie.
Het volgende kenmerk betreft proximity. Hierbij gaat het over de nabijheid van het probleem. Op het moment
dat de kwestie dicht bij huis komt of het iemand in de nabije omgeving raakt, zorgt dat ervoor dat het
probleem als relevanter wordt gezien (Rochefort & Cobb, 1994, p. 21).
Problem populations (probleempopulatie)
Met de probleempopulatie wordt bedoeld welke groep mensen er door het probleem geraakt worden
(Rochefort & Cobb, 1994, pp. 22-23). De politieke wil om deze probleempopulatie te helpen is volgens de
auteurs afhankelijk van de sociale perceptie over deze groep. Daarnaast benoemen de auteurs dat deze
percepties, positief of negatief, de balans bepalen tussen dwang en hulp bij het ontwerpen van beleid. Het
artikel noemt een aantal van deze percepties: