zaterdag 28 september 2024
20:08
1.1 Sociologie is relatief recente wetenschap
Ja er is een logica, men stelde vroeger geen sociologische vragen. Dit begon pas in de 19 de eeuw. De
wetenschap die het verste van ons staan kwamen eerst aan bod. Het is moeilijk om kritisch te zijn
voor onszelf, hoe dichter het dus bij ons kwam of over ons ging hoe later in de tijd we ons situeren.
Het is gemakkelijker om verafgelegen zaken wetenschappelijk te benaderen, dan zaken dicht bij ons.
‘The American Journal of Sociology’
1.2 Sociologische verbeelding ontstaat in crisistijden
‘The American Journal of Sociology’:
"moderne mensen zijn er zich meer dan de vorige generaties van bewust dat hun lot afhangt van het
bestaan van andere mensen.
=> met dat inzicht begon 'het tijdperk van de sociologie'
=> hoe komt het dat dit besef zo lang op zich liet wachten?
Natuurlijke distantie ontbreekt:
De samenleving zit in ons, en mensen maken zichzelf niet gemakkelijk tot object van de
wetenschap. Dus de maatschappij bestuderen, die we zelf maken en ons maken, is moeilijk. Er
is een natuurlijke afstand tussen de mens en de wereld buiten ons, dit maakt dat we het gaan
bestuderen.
Sociologie ontluistert en wekt weerstand op:
Mensen zijn geneigd zich beter voor te doen dan ze zijn. De sociologische waarheid is zo
krachtig dat ze kwetst en mensen lijden eronder. Sociologie ontmaskert en is subversief:
sociologie is zo krachtig (spiegel) dat het kan kwetsen.
Montesquieu: gaat over 2 persen die in de samenleving rondkeken en daarover schreven, hierdoor
kwamen ze erachter dat de samenleving toch raar is. Hij leerde ons denken voorbij het alledaagse, in
de ogen van anderen kunnen onze gewoontes vreemd zijn.
Het sociologisch bewustzijn wordt geprikkeld door crisis:
Er waren grote maatschappelijke veranderingen, er waren crisistijden, hierbij zijn er sociologen
als ontdekkingsreizigers die gaan rondkijken wat er gebeurt.
=> Begin van het sociologisch bewustzijn
<Verschillende soorten maatschappijtypes>
Er zijn qua maatschappij (economie, recht, politiek, …) al veel grote stappen genomen
Vb. van stam naar staat
De sociologische verbeelding begint met het besef dat de maatschappij bestaat en
verandert!
1.3 de twee 'revoluties'
Van landbouw naar industrie: de opkomst van de industriële maatschappij
<Verschillende soorten maatschappijtypes>
Er zijn qua maatschappij (economie, recht, politiek, …) al veel grote stappen genomen
Vb. van stam naar staat
De overgang naar landbouw = grote gevolgen, daarom neolithische revolutie:
o Rondtrekkende jagers en verzamelaars vestigden zich, hechtten zich aan
grondgebied => ontstaan eigendom
, o Bebouwen akkers en telen kleinvee = 1 plek blijven => ontstaan dorpen en steden
=> vraagt nieuwe organisatie (bestuur, rechtsregels, …)
o Stammen werden staten door de politieke veranderingen die door landbouw werden
veroorzaakt.
o Oude levenswijze werden opgegeven, dit ging samen met overgangscrisis
Franse Revolutie
De ene revolutionaire vernieuwing na de andere
o Vorming grondwetgevende vergadering, verklaring van de rechten van de mens en
de burger, afschaffing van de feodaliteit, onteigening van kerkelijke eigendommen,
doodstraf voor de koning, terreurbewind olv Robespierre
=> allemaal gebeurtenissen die tot een verbeelding spraken.
Het volk kwam toen aan de macht
Het staat symbool voor politieke modernisering en democratisering in het algemeen.
Het waren andere opstanden dan vroeger. (hier kwam men in opstand tegen de adel, men
wou de bestaande sociale orde verwerpen en streven naar nieuwe idealen) -> vrijheid,
gelijkheid en broederlijkheid.
Industriële revolutie
Toepassing op grote schaal van technische innovaties in allerlei sectoren.
Doorbraak met spin- en weefmachine mbv de stoommachine (textiel)
Het traditionele leven werd omgegooid:
o Transport- en communicatiemiddelen werden beter
o Handel kreeg sterke stimulans
o Steden groeide
o Neerzetting fabrieken
o Kanalen gegraven
o Spoorwegen + havens aangelegd
Er kwamen verhoudingen tussen fabriekseigenaars en arbeiders die in penibele
omstandigheden werkten tegen een schamel loon en in beluiken woonden.
=> leidde tot 'het sociale vraagstuk': hoe konden sociale klassen samenleven in vrede en
welvaart?
=> verschillende ideologieën hadden hier antwoord op (liberalisme, conservatisme en
socialisme)
De Franse (Frankrijk) en Industriële revolutie (Groot-Brittannië) liepen parallel, de sociale
veranderingen kunnen onder de noemer gebracht worden van industrialisering en democratisering.
Vroegere mens heeft beschaving te danken aan invoering van landbouw, moderne mens heeft
hoogontwikkelde beschaving te danken aan invoering van industrie en democratie.
Elk maatschappelijk domein veranderde, het belangrijkste was de organisatie. Vroeger beheerste de
mens hun leven maar in beperkte mate, stonden hulpeloos tegenover de natuur. Geplande
vernieuwing kwam dus weinig voor en de handelingen verliepen volgens traditie. Nu moet de mens
doelbewust de inrichting van de maatschappij bepalen. De maatschappij was niet meer
vanzelfsprekend en mensen moesten moeite doen op hun maatschappij te begrijpen en organiseren.
=> wat is een maatschappij? -> deze interesse riep sociologie in ons leven
1.4 intermezzo: beleefde verandering
1.5 Sociaal probleem als bron van de sociologische verbeelding
, Voorbeelden van sociale problemen:
Er is een sociaal probleem en dat is het begin van de sociologische verbeelding
druggebruik zien we als sociaal probleem, autorijden niet. Maar eigenlijk sterven er meer
mensen aan auto-ongelukken dan aan drugs. Dus waarom definiëren we druggebruik als
probleem in onze samenleving?
=> wanneer spreekt men dus van een sociaal probleem?
o Een sociaal probleem begint met een verwondering (vragen stellen)
Een aantal aspecten maken een sociaal probleem een sociaal probleem:
Objectief aspect: vrouw als ondergeschikt
Subjectief aspect: feit is nog geen probleem
Collectief aspect: we moeten met veel zijn om het als een probleem te zien
Oplosbaarheid: het moet opgelost kunnen worden
Positionaliteit: positie van de socioloog zelf speelt ook een rol
In het begin was sociale media positief, we zagen er veel voordelen in. Nu zien we steeds
meer dat onderzoeken zich vragen gaan stellen en gaan nadelen zoeken.
‘Mannelijkheid’ wordt steeds meer onderzocht en gezien als sociaal probleem, mannelijkheid
was vroeger geen probleem, maar nu denken we daar steeds meer over na. Ook over gender
worden er veel onderzoeken gedaan terwijl daar vroeger geen sprake over was.
Klimaat als sociaal probleem, we beseffen nu dat klimaat heel belangrijk is nu we te maken
hebben met de klimaatopwarming.
Migratie als sociaal probleem, politieke partijen hebben hier nu heel straffe/verschillende
meningen over
1.6 C.W. Mills over sociologische verbeelding
Hoe maakt men dat men van een persoonlijke klacht het als een sociaal probleem gaan zien? ->
hangt samen met welvaart van persoon, hoe armer hoe minder tandhygiëne.
Hij omschrijft sociologische verbeelding als het vermogen om verbanden te zien tussen individuele
klachten en sociale omstandigheden.
Het is belangrijk om het individuele in verband te brengen met het collectieve of omgekeerd
Durkheim deed onderzoek naar zelfdoding in frankrijk, we gingen zelfdoding niet gaan bekijken als
iets persoonlijk maar wel als een sociaal probleem. ‘Hoe speelt sociale klasse een rol bij zelfdoding?’
(hij ging het dus bekijken als collectief probleem)
Horace: schrijft over een ritueel, ‘tanden poetsen’
1.7 twee voorbeelden van sociologische verbeelding: Comte en Spencer
Ze hebben elks 3 basisvragen:
1. hoe baken je sociologie als wetenschap af?
2. hoe verklaar je sociale verandering?
3. hoe verklaar je sociale orde?
Auguste Comte = grondlegger positivisme, Franse Revolutie
1. sociologie als wetenschap
Afgebakend van andere wetenschappen, zelfstandige wetenschap met eigen methoden en
domeinen.
, Was beïnvloedt door de filosofie van de verlichting, daarin staat de rationeel denkende mens
centraal. Compte stelt dat de mens 3 stadia doormaakt in zijn ontwikkeling:
o Theologisch stadium: de mens ging zich steeds meer baseren op de feiten
de mens zoekt in alles een eigen wil, alles is bezield en ze geloven in geesten en magie
o Metafysische stadium: we hebben elkaar nodig
de mens zoekt hier naar het 'wezen' der dingen
o Positieve stadium: de mens streeft naar steeds meer orde
de mens overwint zijn bijgeloof en fantasie, hij houdt enkel nog rekening met het
'positieve' dwz het objectieve en de feiten. De mens onderzoekt de werkelijkheid zoals ze
is.
De mens moet niet alleen positief denken, maar ook nagaan hoe hij positief leert denken. Dit
is de taak van de sociologie, daarom overkoepelt het alle andere wetenschappen die
gebaseerd zijn op de feiten (fysica, wiskunde, …)
Hij geloofde dat sociologie de 'vader' was van alle andere wetenschappen, want het staat het
dichts bij de mens en het heeft de meeste reden/verstand nodig om het te kunnen
bestuderen
Hij gelooft dus is de grootsheid van de sociologie
2. sociale verandering
Sociologie houdt zich vooral bezig met de ontwikkeling van de maatschappij. De oorzaken
van veranderingen verklaren is een opdracht voor de sociologie.
De oorzaken van alle veranderingen in de Franse Revolutie zag Compte tijdens de doorbraak
van de rede.
3 stadia in de ontwikkeling van het staatsbestuur:
o Theocratie: gericht op regels die van goddelijke oorsprong zijn.
o Abstracte idealen: men had grote idealen, maar er miste realiteit om het land te
besturen.
o Positief denken: maatschappij wordt perfect redelijk bestuurd.
3. sociale orde
Gemeenschappelijk belang dat mensen gingen inzien dat ze elkaar nodig hadden en een
rede/verstand hebben = universele consensus die gebaseerd is op eerst religie, dan
metafysica, dan positieve wetenschap
Sociale orde kan stuk gaan (ontdekt tijdens FR): regels en gewoonten kunnen na een lange
tijd verdwijnen.
o Na FR moesten ze terug op zoek naar die sociale orde, citoyens wisten niet meer
welke kleren ze moesten dragen.
Het is de taak van de socioloog om te ontdekken welke mechanismen de sociale orde
berustte.
Sociale orde vloeit voort uit een universele consensus: er moet een overeenkomst zijn over
waarden, normen en gewoonten
o Hoe komt deze consensus tot stand?
De consensus komt in ieder stadium op een verschillende manier tot stand
Theologisch: gebaseerd op overlevingskansen en spontane
gewoontes
Metafysisch: gebaseerd op grote, abstracte ideëen en idealen.
Positieve denken: gebaseerd op het redelijke inzicht dat de mensen
elkaar nodig hebben
Herbert Spencer = evolutiedenker, industriële revolutie
1. sociologie als wetenschap