1. Inleiding
Hoe regelen we de manier waarop we onszelf besturen? Het begrip 'regelen' impliceert een
'regel', wat een norm veronderstelt: recht → publiekrecht = recht, politiek en filosofie
Wereldwijd is er een gemeenschappelijke basis in de manier waarop staten worden
bestuurd, namelijk de legitimiteit waarmee de overheid het gezag over burgers uitoefent. Dit
model is niet uniform; elke staat evolueert op een andere manier qua ideologie en juridisch
systeem. Sommige denkers beschouwen de natuurstaat als chaos en stellen dat macht
gecentraliseerd moet worden in de handen van één persoon of instelling om veiligheid te
garanderen. Tegenwoordig hebben de meeste staten een representatief regime waarin de
bevolking zich kan laten vertegenwoordigen.
Een essentiële problematiek in het publiekrecht is hoe wij onszelf zodanig besturen dat we
vrij blijven → spanningsveld: hoe kan democratie in constitutionele zin worden gedacht en
hoe kunnen rechten worden behouden zonder dat een democratische meerderheid de
rechten en belangen van minderheden miskent = intellectuele achtergrond van de
ontwikkeling van de liberale staat.
2. De idee van de staat
Het begrip 'staat' betekent letterlijk 'status' of 'toestand'. Historisch gezien ontstond de staat
als reactie op chaos en geweld. Om orde en rust te creëren, moest macht worden
geconcentreerd in de handen van een persoon of instelling; entiteit maakt wetten die op
iedereen van toepassing zijn en bezit het geweldsmonopolie → afhankelijk van tijdperk
● Moderne/Hedendaagse geschiedenis: vanaf de Atlantische revoluties (1776-1789)
● Vroegmoderne/Nieuwe geschiedenis: vanaf de val van Constantinopel (1453) of
de landing van Columbus (1492)
● Middeleeuwen
2.1 Moderne/Hedendaagse geschiedenis
De moderne staat wordt begrepen als een liberale staat met verkozen bestuurders
(rechtstreeks of onrechtstreeks), machtenscheiding (wetgevende, uitvoerende en rechterlijke
macht) en een overheid die gebonden is aan het recht. De bescherming van
onvervreemdbare grondrechten van burgers wordt gewaarborgd via grondwetten en
instellingen zoals de pers als 'waakhond'.
2.2 Vroegmoderne/Nieuwe geschiedenis
Sommigen beschouwen de liberale staten als opvolgers van de vroegmoderne staten.
Tijdens de vroegmoderne periode ontwikkelde zich het idee van soevereiniteit van de
wetgever. In de Middeleeuwen consolideerde de vorst de macht in een centrale staat, maar
in de 16e-17e eeuw ontstonden religieuze spanningen (Katholieke Kerk versus protestanten
= hugenoten). Dit leidde tot de loskoppeling van religie en publiekrecht +
1
,machtsverschuiving van vorst naar volksvertegenwoordigers. In 17de eeuw komt het idee op
van “état souverain”
- staat die geen andere macht boven zich heeft
- men spreekt soms ook over ‘de republiek’
○ tot de FR en Amerikaanse Revolutie: res publica, het algemeen belang, de
politieke zaak, de staat
○ vandaag andere betekenis: staat zonder koning met een president als
staatshoofd
- woord ‘natie’ zal vanaf 17de eeuw ook met ‘de staat’ vereenzelvigd worden - krijgt
pas een juridische betekenis met FR
2.3 Middeleeuwen
Volgens middeleeuwse denkers is de moderne staat opvolger van middeleeuwse
standenvertegenwoordiging en het leenrecht. De samenleving was opgebouwd uit drie
standen: de adel (zij die strijden), de clerus (zij die bidden) en de derde stand (zij die
werken), vertegenwoordigers hiervan vormen de natie. De vorst regeerde bij de gratie Gods
volgens een contract met de drie standen. Als de vorst tiranniek regeerde, had men recht op
verzet → contractuele opvattingen = gestoeld op het leenrecht
- idee van relatie tussen leenheer en leenman
○ vorst stelt leen (grond, kasteel, huis) ter beschikking aan vazal zodat die in
zijn levensonderhoud kan voorzien
○ in ruil staat vazal de vorst bij (in de vorm van raad en hulp)
○ oorspronkelijk een persoonlijke relatie (privaatrecht), economisch en militair
ingegeven, maar wordt publiekrechtelijk gegeven
○ stuurt machtsrelaties aan
○ leidt tot de versnippering van territorium (vazal kan stukken grond in leen
geven aan achterleenmannen)
3. De notie ‘soevereiniteit’
Een staat heeft drie kenmerken:
● Grondgebied
● Bevolking
● Overheidsinstellingen die erkend worden door de bevolking en andere staten
● Dit komt neer op externe en interne soevereiniteit.
3.1 Het begrip ‘soevereiniteit’
Soevereiniteit betekent de hoogste macht over een territorium of gemeenschap. Het
garandeert continuïteit en cohesie van de samenleving. Dit houdt in:
● De staat kan zichzelf organiseren
● De wil van de staat heeft voorrang op individuen
● De staat heeft een monopolie op wetgeving en (legitiem) geweld
● De staat heeft controle over de bevolking
2
,3.2 Externe soevereiniteit
= erkenning van de staat door andere staten en het feit dat de staat niet onderworpen is aan
een andere staat = internationaal recht.
3.3 Interne soevereiniteit
= hoogste macht om een territorium of gemeenschap te beheersen om de
continuïteit/cohesie van de samenleving te garanderen
Om legitiem te blijven, heeft de staat verplichtingen zoals handhaving van de openbare orde,
rechtspraak, nationale defensie en economisch beheer.
Soevereiniteit = centraal idee in het politieke denken, maar ook in het publiek recht →
gaandeweg de democratisering van de staat theoretiseren:
● internationaal recht:
○ garanties voor niet-inmenging van ene staat in andere staat
○ doorgaans geregeld via internationale verdragen
● nationaal:
○ regeling die bepaalt hoe soevereiniteit wordt uitgeoefend, welke instellingen
macht hebben en hoe ze worden gecontroleerd
○ doorgaans geregeld via de grondwet
Interne en externe soevereiniteit = moeilijk van elkaar los te zien
4. De democratisering van de staat
Democratisering en secularisering van staatsmacht:
● historisch: idee van soevereiniteit komt er vanwege de behoefte aan stabiliteit:
○ religieuze oorlogen 16de-17de eeuw burger beschermen
● opvattingen van politieke denkers:
○ niet noodzakelijk gericht op secularisering of democratisering van het
staatsgezag, maar door hun theorie gaat dit wel dit effect hebben
○ bv. Hobbes
4.1 Jean Bodin en absolute soevereiniteit - Les six livres de la République 1576
theoretiseerde de uitoefening van macht in Les six livres de la République (1576) → theorie
kwam voort uit de religieuze oorlogen in Frankrijk tussen katholieken en protestanten
(hugenoten), die leidden tot de desintegratie van de maatschappij en de verzwakking van
het vorstelijk gezag door inmenging van adellijke families en buitenlandse machten. Bodin
stelde dat absolute macht in handen van de vorst moest liggen, waarbij de autoriteit van God
kwam en via de koning werd uitgeoefend. Soevereiniteit werd door Bodin omschreven als
een absolute en eeuwige macht, die geen enkele superieure macht boven zich duldt en niet
vernietigd kan worden; met als doel bescherming in situaties van oorlog en individuele
onzekerheid.
3
, Een belangrijk nieuw aspect in Bodins theorie was dat de wet een instrument van
suprematie werd en dat soevereiniteit als een eeuwige functie werd beschouwd: publieke
macht werd gezien als een ambt (officium), maar niet als een persoonlijke heerschappij.
Toch was macht van vorst in praktijk niet absoluut. De Franse vorst was gebonden aan de
lois fondamentales, die door de parlementen werden getoetst. Zo bepaalde het Parlement
de Paris dat niemand afstand kon doen van de troon, delen van het kroondomein kon
verkopen of opgevolgd kon worden door een vrouw. Daarnaast ontwikkelde dit parlement
rechtsbeginselen zoals het recht om niet afgetrokken te worden van de natuurlijke rechter
als bescherming tegen uitzonderingsrechtbanken van de vorst. Ook had het parlement het
recht om remonstranties in te dienen tegen koninklijke wetgeving, hoewel dit recht tijdelijk
werd ingetrokken door Lodewijk XIV. Bovendien verkeerde de Franse staat regelmatig in een
staat van bankroet, waardoor de vorst niet zomaar zijn wil kon opleggen.
4.2 Thomas Hobbes en de secularisering van soevereiniteit
Werkte theorie over soevereiniteit verder uit in Leviathan (1651). Hobbes leefde tijdens de
burgeroorlog tussen royalisten en aanhangers van het Parlement (1642-1651) en
legitimeerde staatsmacht niet op basis van de koning of God, maar door individuen zelf. Hij
maakte een onderscheid tussen private en publieke macht en was de eerste sociaal
contract-denker die het begrip soevereiniteit seculariseerde. Volgens Hobbes was de
soeverein een entiteit waaraan de gemeenschap via een sociaal contract al haar rechten
had afgestaan om uit de natuurtoestand te komen; contract was geen historische
gebeurtenis, maar een hypothetisch concept. De soeverein had absolute en ondeelbare
macht, wat een onliberaal aspect inhield, maar volgens Hobbes noodzakelijk was om
anarchie en desintegratie van de samenleving te voorkomen.
4.3 John Locke en de verwerping van absolute soevereiniteit
Verwierp absolute soevereiniteit en zocht manier om individuele vrijheid te vrijwaren binnen
een politiek lichaam dat steunde op instemming van individuen. In zijn Two Treatises of
Government (1689) richtte hij zich tegen de Britse vorst Jacobus II en zijn absolutistische
visie. Locke sloot zich aan bij de liberale Whigs en pleitte voor een constitutionele
monarchie; hypothese was dat overheid altijd gebaseerd moest zijn op politieke vrijheid en
instemming van het volk. In tegenstelling tot Hobbes had Locke een optimistisch mensbeeld
en geloofde hij in de inherente goedheid en rationaliteit van de mens.
In zijn theorie gaf de gemeenschap de macht niet voor eeuwig af; de macht bleef bij het volk,
ook na het afsluiten van het sociaal contract.
Ook vertegenwoordigende bestuursinstellingen waren noodzakelijk om algemeen welzijn te
garanderen. Hij stelde dat een rechtsorde niet op absolutisme moest steunen, maar op
essentiële natuurrechtelijke principes zoals gelijkheid, onafhankelijkheid en individuele
vrijheid. De staat had de plicht deze vrijheden te respecteren en bestuurders moesten
onderworpen blijven aan wetten. Als de overheid zich niet hield aan haar taken, had het volk
het recht om zich te verzetten en de overheid te vervangen.
4