Werkcollege 3 - CGT 1 : Hfst 1
Leerdoelen
- De theoretische grondslag van cognitieve gedragstheorie uit te leggen
- Weten wat de fases van CGT zijn en deze kort kunnen toelichten
- Kunnen uitleggen wat een holistische theorie is en waarvoor deze gebruikt wordt
- Kunnen uitleggen wat een functie en betekenisanalyse zijn en waarvoor deze worden
gebruikt
- Een holistische theorie kunnen opstellen aan de hand van een casus
- Een functie en betekenisanalyse kunnen opstellen aan de hand van een casus
CS = geconditioneerde stimulus → stimulus zonder intrinsieke valentie (bv. bel) :
de gebeurtenis
US/UR representatie: : ongeconditioneerde stimulus: kennis over/herinnering aan
emotioneel betekenisvolle gebeurtenis
Kerngebeurtenis: traumatische herinnering of feitelijke gebeurtenis als gevolg van de
stimulus, dit kan één specifiek beeld/herinnering zijn, of meer algemeen (altijd bij sequentiële
of causale associatie).
Kernthema: meer abstracte, betekenisvolle cognitieve representaties, deze kunnen
gebonden zijn aan meerdere kerngebeurtenissen, als het gaat om slechts een paar kern
gebeurtenissen is het beter om specifiek daarnaar te kijken, als het gaat over veel
gebeurtenissen en er is geen specifieke herinnering die opgeroepen wordt, is het eerder een
kernthema (doorgaans referentieel). CR: niet bij de oorspronkelijke situatie passende
emotionele reactie.
Delictanalyse: best bruikbaar bij zedendelicten, en drugsdelicten.
Hoofdstuk 1 : Cognitieve gedragstherapie: achtergrond, uitgangspunten en therapeutisch
proces
Momenteel de meest dominante behandeling voor symptoomstoornissen, maar ook
persoonlijkheidsstoornissen.
- Zo is van dialectische gedragstherapie (DGT) aangetoond dat het effectief is in het
reduceren van suïcidaliteit en zelfdestructief gedrag van patiënten met een BPS.
- Schematherapie (variant CGT), effectief te zijn bij behandeling BPS.
- Personalized medicine: het toespitsen van algemene protocollen op de individuele
patiënt.Om tegemoet te kunnen komen aan individuele verscheidenheid van
patiënten, ook wanneer die tot eenzelfde diagnostische categorie behoren, moet je
een individuele casusconceptualisatie maken.
- Casusconceptualisatie: klachten en problemen waarvoor patiënt hulp zoekt
gerelateerd aan mechanismen en omstandigheden, die voor het ontstaan, maar
vooral voortbestaan van deze klachten zorgen.
,Binnen de CGT verschillende modellen om tot een individuele casusconceptualisatie te
komen:
- Cognitieve casusconceptualisatie (CCC, cognitieve kant) :
- Holistische theorie (gedragsmatige kant)
- Functieanalyse (gedragsmatige kant)
- Betekenisanalyse (gedragsmatige kant)
Algemene uitgangspunten en kenmerken CGT
- CGT: psychopathologie manifesteert zich in disfunctioneel problematisch gedrag
en/of disfunctionele problematische opvattingen en interpretaties. Deze interfereren
met soepel functioneren in het persoonlijk, sociaal en maatschappelijk leven. Er
ontstaat meer ruimte voor een beter persoonlijk functioneren door problematische
opvattingen, interpretaties en gedragingen te corrigeren.
- Als eerst gericht op het identificeren van de effecten van zulke negatieve
leerervaringen en de mechanismen die deze effecten in stand houden.De CGT
therapeut tracht vervolgens een context te creëren waarin de patiënt positieve,
corrigerende ervaringen kan opdoen. In de therapiekamer veelal verbale cognitieve
interventies zoals gedachteschema, COMET en US/UR herevaluatietechnieken.
Daarbuiten ligt de nadruk sterker op therapeutische experimenten zoals
gedragsexperimenten bijv. exposure.
- CGT is doelgericht. Geregeld tussenevaluaties. Behandeling wordt afgesloten als
behandeldoelen zijn gerealiseerd of het niet mogelijk is dichter bij de doelen te
komen.
- Actieve en directieve werkwijze, therapeut geeft expliciet concrete adviezen.
- Er zijn 3 verschillende niveaus en fasen:
- therapeutisch aangrijpingspunt : gaat over de vraag welke aspecten in het
doen, laten en denken moeten worden gewijzigd (wat) en welke methoden
moeten worden ingezet (hoe).
- therapeutische context: de wijze waarop en de kaders waarbinnen de
therapie wordt uitgevoerd; welke interactionele stijl is het meest kansrijk, is
het tijd intensief of juist extensief, groepsbehandeling/individueel. etc . meest
belangrijke contextuele factor is therapeutische relatie.
- therapeutisch systeem : betrekking op de personen en evt instanties die in
het therapieproces kunnen worden ingeschakeld om de gewenste
verandering zo goed mogelijk te kunnen implementeren.
Het CGT-proces
Eerste behandelfase: taxatie (diagnostiek/assessment) meest belangrijke aspect.
→ er wordt informatie vastgesteld die nodig is om een behandelplan te kunnen
formuleren. vaak ½ sessies. De klachten en de daaruit voortkomende hulpvraag
van de patiënt vormen het vertrekpunt van CGT taxatie.Belangrijkste klachten
worden geïdentificeerd, geïnventariseerd en gekwantificeerd. Simultaan met
informatieverzameling voor de DSM onderzoekt de therapeut de mechanismen
achter de klachten en problemen die het ontstaan en voortduren ervan kunnen
verklaren. Daarvoor bestaan verschillende zoekschema’s (zoals eerder
benoemd).
Functieanalyse in vogelvlucht:
, - Functieanalyse: gebaseerd op operante conditionering.
- Operante conditionering is een leermethode waarbij gedrag wordt beïnvloed
door de gevolgen die erop volgen; gedrag wordt versterkt door beloningen
(positieve bekrachtiging) of vermeden door straffen (negatieve bekrachtiging),
waardoor de kans op herhaling van dat gedrag respectievelijk toeneemt of
afneemt
- Mensen doen bepaalde dingen omdat zij menen dat zulk gedrag (R) tot relatief
gunstige consequenties (Sr-pos) zal leiden. 3 verschillende soorten gunstige
gedragsconsequenties:
- +S+ = als gevolg van gedrag ontstaat / versterkt een plezierige situatie
- -S- = als gevolg van gedrag kan een onplezierige situatie
verminderen/verdwijnen
- ~S- : gedrag zorgt ervoor dat een onplezierige situatie wegblijft die er zonder
dat gedrag wel zou zijn geweest.
- Zulke verwachtingen over positieve gedragsconsequenties zorgen dat het
betreffende gedrag wordt uitgevoerd.
- Gedrag kan ook tot ongunstige consequenties leiden (Sr-neg).
- +S- : een onplezierige situatie kan door gevolg ontstaan of toenemen
- -S+ : een plezierige situatie kan er door verminderen / verdwijnen
- ~S+ : een plezierige situatie die er zonder dat gedrag wel zou zijn geweest,
blijft weg.
- Of men dergelijk gedrag ook daadwerkelijk zal uitvoeren hangt af van wat men in die
context (Sd) zwaarder laat wegen: de verwachte positieve of de verwachte negatieve
consequenties.
- Niet uitvoeren van gedrag = ook gedrag. niet naar buiten gaan omdat je bang bent
dat je een paniekaanval krijgt (intentioneel vermijden).
- De positieve gedragsconsequenties kunnen vermeende (niet sterven bij
binnenblijven) of daadwerkelijke consequenties zijn.
- De meeste beslissingen om een bepaald gedrag al dan niet uit te voeren worden
impliciet genomen.
- Naast de VERMEENDE positieve gedragsconsequenties worden in de FA ook de
feitelijke negatieve consequenties van gedrag vermeld. Negatieve consequenties zijn
vaak de problematische kant van het probleemgedrag en daarmee de reden van
aanmelding.
- Door te vermijden ontneemt men zichzelf de mogelijkheid te ervaren dat de
gevreesde consequenties niet/nauwelijks voorkomen. Oog van patiënt ligt vaak op
vermeende positieve consequenties en niet op feitelijker negatieve consequenties.
Een FA kent 4 elementen:
- het problematische gedrag zelf dat verklaring behoeft
- de vermeende positieve consequenties van dat gedrag waarin die verklaring wordt
gezocht
- de feitelijke negatieve consequenties ervan
- en de context waarbinnen de associaties van dat gedrag met (vooral) de vermeende
positieve consequenties geldig zijn.
Basisschema FA: SD : R → Sr-pos
→ Sr-neg