- H1 t/m 7 & 8.1 boek De bestuurlijke kaart van Nederland 8e druk | 2023 | Gerard
Breeman, Carola van Eijk
- Readers
- Podcasts ter ondersteuning
H1 De bestuurlijke kaart van Nederland 2
H2 De Nederlandse staat 3
H3 De politiek-bestuurlijke instituties 6
H4 De organisatie van de rechtspraak 11
H5 Nationaal bestuur: het Rijk 14
H6 Middenbestuur: provincie en waterschap 19
H7 Lokaal bestuur: de gemeente 22
H8 Samenwerkend bestuur 25
H1 De bestuurlijke kaart van Nederland
kaartkennis = kennis van de loop van straten en de belangrijkste locaties die van belang is
om de weg in de omgeving te kennen
● Het openbaar bestuur leidt weleens tot definitieproblemen → wat onder openbaar bestuur
valt hangt af van de invalshoek
● Juridische criteria van wat het is:
1. alle organisaties met publiekrechtelijke grondslag
→ oftewel; bestaan van organisatie is wettelijk vastgelegd
2. financiering uit algemene middelen
→ belastingen, premies, overheidssubsidies
3. gericht op het algemeen belang
● Kortom: openbaar bestuur = publieke organisatie
● Naast de overheid verricht een breed veld van maatschappelijke instellingen publieke
taken
→ soms gefinancierd uit belastingopbrengsten → maatschappelijk middenveld
● Kenmerken van het Nederlandse openbaar bestuur:
- constitutionele monarchie → koning als staatshooft, maar gebonden aan grondwet
- rechtsstaat / legaliteitsbeginsel → overheid mag alleen handelen o.b.v. grondrechten
van burgers en wettelijke bevoegdheden
- scheiding der machten → wetgevend, uitvoerend, rechtsprekend zijn onafhankelijk
van elkaar
- parlementair stelsel → bevolking kiest hoogste besluitvormende orgaan → indirecte
democratie
→ kenmerken:
1. ministeriële verantwoordelijkheid
2. vertrouwensregel → ministers treden af bij verliezen van vertrouwen
, 3. dualistisch → volksvertegenwoordiging is onafhankelijk van de
regering
- Nederlandse bevolking kiest geen bestuurders
- stelsel van evenredige vertegenwoordiging → aantal zetels voor partij in
overeenstemming met aanhang van partij onder bevolking → geen kiesdrempel
- gedecentraliseerde eenheidsstaat:
- rijksoverheid kan zaken aan lagere overheden opleggen
- taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden overgedragen aan lagere
overheden
- samenwerking tussen bestuurslagen via samenwerkingsverbanden
- geen constitutioneel hof → geen onafhankelijke rechterlijke instantie die wetten toetst
aan Grondwet
- geen juryrechtspraak → alleen rechters
- functioneel bestuur → bestuursorganen die een beperkt, wettelijk vastgelegd
takenpakket hebben
- onderdeel van Europese Unie
● Deze kenmerken zijn voor een deel het resultaat van wetgeving
● Nederlandse openbaar bestuur is inclusief
○ door alle formele & informele spelregels worden politieke besluiten pas
genomen als er brede steun is onder de btrokken politieke actoren
→ nadruk op draagkracht in besluitvorming
● Bestuursstijl kent 6 co’s:
1. coalitie 4. consensus
2. collegialiteit 5. coöptatie
3. compromis 6. coöperatie
● Door de draagkracht is er een gebrek aan daadkracht
H2 De Nederlandse staat
● Een staat heeft 4 kenmerken:
1. Sprake van een specifiek grondgebied (territorium)
2. Er is een bevolking
3. Er is een wettelijke ordening en een bestuurlijke organisatie die gezaghebbend de
wet- en regelgeving handhaven:
- grondwet + aansluitende wet- en regelgeving
- complex van politieke bestuurlijke instanties → geweldsmonopolie van de
staat → alleen de staat mag geweld gebruiken om openbare orde te
handhaven
4. Staat is erkend door andere staten
- lidmaatschap van Verenigde Naties
- soevereine staat = onafhankelijke staat die in het internationale recht gelijk is
aan alle andere staten
● Niet erkende staten komen samen in de Unrepresented Nations and Peoples
Organisation
○ Doel: mensenrechten, culturele rechten en het leefmilieu van de leden te
beschermen en geweldloze oplossingen vinden voor hun conflicten
, ● Staat der Nederlanden = juridische term Nederlandse overheid
○ staat is bevoegd rechtshandelingen te verrichten → bijv. koopovereenkomst
met burger aangaan
● Staat hoeft niet uit een aaneengesloten territorium te bestaan → Koninkrijk der
Nederlanden bestaat uit Nederland, Aruba, Curaçao en Sint-Maarten
→ Koning is staatshoofd van gehele koninkrijk, maar wordt door een gouverneur
vertegenwoordigd in de laatste 3
● Regering van een koninkrijk bestaat uit:
- De koning
- Raad van Ministers = benoemd door de koning ministers en drie gevolmachtigde
ministers → regelingen van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten benoemen er ieder één
● Raad behandeld zaken die de 4 landen raken → sprake van wetgevende macht
● Één bewindspersoon verbonden aan Ministerie van Binnenlandse Zaken houdt zich bezig
met koninkrijksrelaties
● Nederlandse Antillen zijn problematisch door koloniale verleden en grote verschillen in
bestuurscultuur → Rijksministerraad heeft aanwijzing gegeven vanwege financiële
problemen
● Inwoners van eilanden verwijt Nederlandse regering van bemoeizucht en koloniale
praktijken
● Nederland is sinds 1815 een constitutionele monarchie = een staat waarin het
koningschap verankerd is in een constitutie → koning ondergeschikt aan wet
Constitutie = geheel van elementaire geschreven en ongeschreven regels - (grond)wetten
en conventies - met betrekking tot de organisatie van een staat
● Uitgangspunten voor staatsorganisatie in Grondwet aan de hand van:
○ parlementair stelsel = staatsorganisatie waarin de hoogste bestuursmacht
berus bij een gekozen volksvertegenwoordiging (een parlement)
○ rechtsstaat = staat waarin het overheidshandelen is onderworpen aan de
regels van het recht
○ gedecentraliseerde eenheidsstaat = staatsorganisatie met verschillende
bestuurslagen, waarbij de relatie tussen de bestuurslagen berust op de
samenhang van autonomie, medebewind en toezicht
● Het parlementaire stelsel kent 2 principes:
1. De koning is onschendbaar en de ministers zijn verantwoordelijk = regel van
ministeriële verantwoordelijkheid
→ Ministers zijn verantwoordelijk voor de handelingen en uitingen van
de leden van het Koninklijke Huis en voor het functioneren
van het onder hen vallende ambtelijke apparaat
Bestuursmacht ligt bij ministers, wordt gecontroleerd door het parlement
2. Kabinet moet het vertrouwen van een meerderheid in de Tweede Kamer
hebben
- Vertrouwen wordt ondersteld tot tegendeel blijkt
→ vertrouwensregel = ministers worden geacht af te treden
zodra zij het vertrouwen van de volksvertegenwoordiging
verloren hebben