Samenvatting Focus op jeugdcriminologie H1, H2, H4, H5, H6 en H7
Misdaad of criminaliteit staat voor gedrag dat in strijd is met bepaalde – in wetboeken vastgelegde –
normen en waarop een straf staat. Criminaliteit of misdaad is gebonden aan tijd en plaats.
Criminaliteit komt mede tot stand als gevolg van juridische en politieke besluitvormingsprocessen in
een bepaalde cultuur in een bepaalde tijd.
Criminologie houdt zich bezig met 4 zaken: oorzaken van criminaliteit, de aard en omvang van
crimineel gedrag, de effectiviteit & preventieve werking van straf en het functioneren van
strafrechtelijke instituties.
Binnen de criminologische theorieën zijn er twee stromingen:
Oorzaaktheorieën beantwoorden de vraag waarom mensen de wet overtreden.
Controle- of beheersingstheorieën beantwoorden de vraag waarom mensen de wet gehoorzamen.
Oorzaaktheorieën: hierbinnen zijn twee groepen theorieën te onderscheiden op micro- en op
macroniveau. Op microniveau gaat men opzoek naar factoren die de kans vergroten dat bepaalde
personen zich tot delinquenten ontwikkelen. Deze criminogene factoren worden dan zowel gezocht
in het individu (biologisch, psychisch) zelf als in zijn directe leefomgeving (gezin, buurt, vrienden).
Op macroniveau gaat men er vanuit dat criminaliteit verankerd is in de structuur van de samenleving
en daarom is het streven –binnen dit type theorieën- om aan te geven onder welke maatschappelijke
condities het aantal delinquenten toe- of afneemt.
1. Sociobiologische en biogenetische criminologie: biologische factoren zijn van invloed op
crimineel gedrag.
2. Forensische psychiatrie, psychologische criminologie en psychopathologie: forensische
psychiatrie is de wetenschap die inzicht tracht te verschaffen in psychiatrische achtergronden
van de misdaad van een individuele verdachte, psychologische criminologie is hiermee nauw
verwant. Beide hebben nu nog een ruime toepassing in strafrechtelijke procedures, denk aan
het begrip ontoerekeningsvatbaarheid: als iemand ten gevolge van zijn gebrekkig
ontwikkeling of psychische stoornis niet in staat is geweest om anders te handelen dan hij
deed ten tijde van het ten laste gelegde. Op dit moment is de discussie in hoeverre de
aanwezigheid van psychopathologie een bijdrage levert aan delinquent gedrag. Binnen de
jeugdcriminaliteit is het belangrijk om te weten of gedragsproblemen (conduct disorders) op
jonge leeftijd samenhangen met een grotere kans op latere delinquentie.
3. Ontwikkelingscriminologie: oorzaken voor crimineel gedrag worden gezocht binnen de
bredere ontwikkeling van kinderen tijdens het opgroeien. De individuele ontwikkelingen van
het kind (in de tijd) spelen een belangrijke rol bij het identificeren van gedragsproblemen,
regelovertredend en delinquent gedrag. Het betreft ontwikkelingen op psychologisch,
pedagogisch, didactisch en sociaal terrein. Antisociaal gedrag van kind en jongere spelen
hierbij een grote rol. Criminaliteit is een van de symptomen van de antisociale
persoonlijkheid, maar geen noodzakelijke voorwaarde. De gedragingen van het antisociale
kind of jongere kan veranderen onder invloed van individuele (leeftijd, intelligentie) en
omgevingsfactoren (verhuizing, scheiding). Er zijn 3 ontwikkelingstrajecten bij het ontstaan
van probleemgedrag bij jongens (zie blz. 15 en 16). Hoe vroeger de problemen beginnen, hoe
groter de kans dat een jongen het meest ernstige niveau bereikt.
4. Differentiële associatietheorie (Sutherland): crimineel gedrag wordt gezien als
imitatiegedrag, crimineel gedrag wordt aangeleerd in sociale netwerken die worden bepaald
door personen voor wie wetten geen vanzelfsprekende geldigheid hebben. Iemand wordt
crimineel omdat hij vaak geconfronteerd wordt met criminele gedragspatronen en ook
doordat hij relatief veel wordt afgeschermd van anti-criminele gedragspatronen. Voor
diegene is crimineel gedrag ‘normaal’. Ook wel ‘slechte vriendentheorie’ genoemd.
5. Rationele-keuzebenadering (Clarke en Cornisch): deze stroming ziet wetsovertreders als
reasoning decision makers. Er wordt vanuit gegaan dat mensen niet kiezen voor criminaliteit,
maar dat ze vaak min of meer toevallig in de criminaliteit terechtkomen. Eenmaal actief
, hierin nemen mensen min of meer rationele beslissingen (binnen het ter beschikking staande
referentiekader). De kosten-batenanalyse staat centraal; verhouding tussen opbrengst van
criminaliteit in relatie tot de pakkans. Niet de achtergronden van de dader zijn van belang,
maar de omgeving waarbinnen criminele gebeurtenissen plaatsvinden. “Gelegenheid maakt
de dief”. Dit heeft geleid tot technopreventie (cameratoezicht, elektronische beveiliging) en
domeinpreventie (aanbrengen verlichting op donkere plekken, buurtpreventieprojecten,
plaatsen afvalbakken en bankjes). Deze theorie besteedt expliciet aandacht aan de keuzes
die plegers van delicten maken. Bij de beslissingsmomenten worden de volgende fasen
onderscheiden: fase 1; de bereidheid om misdrijven te plegen. Fase 2; de beslissing om
daadwerkelijk een specifiek misdrijf te plegen. Fase 3; de beslissingen die betrekking hebben
op de evaluatie van de beslissingen om delicten te blijven plegen dan wel om het plegen van
delicten te staken.
6. Straintheorie (Merton): criminaliteit is uiting van spanning en protest. Er ontstaat strain
wanneer gestelde doelen niet bereikt kunnen worden met de in de samenleving bereikbare
(en geaccepteerde) middelen. Merton gaat ervan uit dat er cultureel bepaalde,
maatschappelijke gewaardeerde doelen zijn waar iedere burger in principe naar streeft. Dat
zijn vooral (financieel) gewin en status (presteren en uitblinken). Binnen de samenleving
heeft echter niet iedereen dezelfde hoeveelheid en kwaliteit van middelen ter beschikkking
die nodig zijn om de gestelde doelen te bereiken. Een deel stelt dan zijn doelen bij, maar een
ander deel zoekt andere, illegale oplossingen om alsnog zijn doelen te bereiken; criminaliteit.
7. Radicale of kritische criminologie: iedere vorm van criminaliteit wordt gezien als een vorm
van maatschappijkritiek. Criminaliteit is het product van het kapitalistische productiesysteem
dat zich tegen de zwakste groepen van de samenleving keert. Criminaliteit ontstaat aan de
‘onderkant’ van de samenleving als een latente vorm van verzet tegen de
machtsongelijkheid. De ‘bovenkant’ heeft de macht in handen om criminaliteit te definiëren
en beschikt bovendien over de mogelijkheden om het strafrechtelijke systeem te gebruiken
om de eigen belangen te verdedigen. Vanuit machtsposities gepleegde wandaden
(corruptie), worden dan ook zelden bestraft. Volgens deze theoretici is er dan ook geen
beheersing van de misdaad mogelijk in het kapitalistische systeem omdat de oorzaak gelegen
is in datzelfde systeem.
8. Interactionistische theorie: ‘criminaliteit is wat wij zo noemen’. Criminaliteit is gedrag dat
door anderen zo wordt benoemd. Het criminaliseringsproces ontstaat als volgt: iemand
overtreedt de wet, maar ziet zichzelf niet als wetsovertreder; primaire deviantie. Dit
wetsovertredende gedrag roept reacties op van derden (politie, sociale omgeving, justitie), er
vindt ‘labeling’ plaats. De afwijker wordt als zodanig gedefinieerd. Deze labeling brengt
negatieve kenmerken met zich mee (bv. strafblad), waardoor de sociale kansen van de
persoon in kwestie sterk aangetast worden. Het zelfbeeld kan zo sterk veranderen, dat de
delinquent aan zichzelf gaat twijfelen door de stigmatisering. Dit kan leiden tot secundaire
deviantie; de persoon in kwestie gaat zich als crimineel zien en gaat ook zo handelen.
Controle- of beheersingstheorieën:
1. Controletheorie/bindingstheorie (Hirschi): mensen houden zich aan de wet omdat ze zowel
affectieve (bv. met ouders) als rationele banden (bv. werk en school) met de samenleving
hebben. Deze banden kunnen sterk en minder sterk zijn. De kracht van de affectieve
bindingen wordt in sterke mate bepaald door de ervaringen tijdens de vroege socialisatie
(opvoeding). Door deze affectieve binding zal het voor de meesten moeilijk zijn om naasten
verdriet te doen (1), en mogelijk zijn om zich in te leven in het potentiële slachtoffer (2).
Hierdoor worden de meeste vormen van crimineel gedrag ontoelaatbaar.
Daarnaast is er de rationele band en heeft iedereen wel wat te verliezen. Door de wet te
overtreden, wordt er veel op het spel gezet. Voor velen zal het (justitiële) risico dan al snel te
groot worden. Op grond van de kracht van beide bindingen zullen de criminaliteitsremmende
overtuigingen variëren. T.a.v. de binding met de maatschappij zijn 4 elementen van belang:
Misdaad of criminaliteit staat voor gedrag dat in strijd is met bepaalde – in wetboeken vastgelegde –
normen en waarop een straf staat. Criminaliteit of misdaad is gebonden aan tijd en plaats.
Criminaliteit komt mede tot stand als gevolg van juridische en politieke besluitvormingsprocessen in
een bepaalde cultuur in een bepaalde tijd.
Criminologie houdt zich bezig met 4 zaken: oorzaken van criminaliteit, de aard en omvang van
crimineel gedrag, de effectiviteit & preventieve werking van straf en het functioneren van
strafrechtelijke instituties.
Binnen de criminologische theorieën zijn er twee stromingen:
Oorzaaktheorieën beantwoorden de vraag waarom mensen de wet overtreden.
Controle- of beheersingstheorieën beantwoorden de vraag waarom mensen de wet gehoorzamen.
Oorzaaktheorieën: hierbinnen zijn twee groepen theorieën te onderscheiden op micro- en op
macroniveau. Op microniveau gaat men opzoek naar factoren die de kans vergroten dat bepaalde
personen zich tot delinquenten ontwikkelen. Deze criminogene factoren worden dan zowel gezocht
in het individu (biologisch, psychisch) zelf als in zijn directe leefomgeving (gezin, buurt, vrienden).
Op macroniveau gaat men er vanuit dat criminaliteit verankerd is in de structuur van de samenleving
en daarom is het streven –binnen dit type theorieën- om aan te geven onder welke maatschappelijke
condities het aantal delinquenten toe- of afneemt.
1. Sociobiologische en biogenetische criminologie: biologische factoren zijn van invloed op
crimineel gedrag.
2. Forensische psychiatrie, psychologische criminologie en psychopathologie: forensische
psychiatrie is de wetenschap die inzicht tracht te verschaffen in psychiatrische achtergronden
van de misdaad van een individuele verdachte, psychologische criminologie is hiermee nauw
verwant. Beide hebben nu nog een ruime toepassing in strafrechtelijke procedures, denk aan
het begrip ontoerekeningsvatbaarheid: als iemand ten gevolge van zijn gebrekkig
ontwikkeling of psychische stoornis niet in staat is geweest om anders te handelen dan hij
deed ten tijde van het ten laste gelegde. Op dit moment is de discussie in hoeverre de
aanwezigheid van psychopathologie een bijdrage levert aan delinquent gedrag. Binnen de
jeugdcriminaliteit is het belangrijk om te weten of gedragsproblemen (conduct disorders) op
jonge leeftijd samenhangen met een grotere kans op latere delinquentie.
3. Ontwikkelingscriminologie: oorzaken voor crimineel gedrag worden gezocht binnen de
bredere ontwikkeling van kinderen tijdens het opgroeien. De individuele ontwikkelingen van
het kind (in de tijd) spelen een belangrijke rol bij het identificeren van gedragsproblemen,
regelovertredend en delinquent gedrag. Het betreft ontwikkelingen op psychologisch,
pedagogisch, didactisch en sociaal terrein. Antisociaal gedrag van kind en jongere spelen
hierbij een grote rol. Criminaliteit is een van de symptomen van de antisociale
persoonlijkheid, maar geen noodzakelijke voorwaarde. De gedragingen van het antisociale
kind of jongere kan veranderen onder invloed van individuele (leeftijd, intelligentie) en
omgevingsfactoren (verhuizing, scheiding). Er zijn 3 ontwikkelingstrajecten bij het ontstaan
van probleemgedrag bij jongens (zie blz. 15 en 16). Hoe vroeger de problemen beginnen, hoe
groter de kans dat een jongen het meest ernstige niveau bereikt.
4. Differentiële associatietheorie (Sutherland): crimineel gedrag wordt gezien als
imitatiegedrag, crimineel gedrag wordt aangeleerd in sociale netwerken die worden bepaald
door personen voor wie wetten geen vanzelfsprekende geldigheid hebben. Iemand wordt
crimineel omdat hij vaak geconfronteerd wordt met criminele gedragspatronen en ook
doordat hij relatief veel wordt afgeschermd van anti-criminele gedragspatronen. Voor
diegene is crimineel gedrag ‘normaal’. Ook wel ‘slechte vriendentheorie’ genoemd.
5. Rationele-keuzebenadering (Clarke en Cornisch): deze stroming ziet wetsovertreders als
reasoning decision makers. Er wordt vanuit gegaan dat mensen niet kiezen voor criminaliteit,
maar dat ze vaak min of meer toevallig in de criminaliteit terechtkomen. Eenmaal actief
, hierin nemen mensen min of meer rationele beslissingen (binnen het ter beschikking staande
referentiekader). De kosten-batenanalyse staat centraal; verhouding tussen opbrengst van
criminaliteit in relatie tot de pakkans. Niet de achtergronden van de dader zijn van belang,
maar de omgeving waarbinnen criminele gebeurtenissen plaatsvinden. “Gelegenheid maakt
de dief”. Dit heeft geleid tot technopreventie (cameratoezicht, elektronische beveiliging) en
domeinpreventie (aanbrengen verlichting op donkere plekken, buurtpreventieprojecten,
plaatsen afvalbakken en bankjes). Deze theorie besteedt expliciet aandacht aan de keuzes
die plegers van delicten maken. Bij de beslissingsmomenten worden de volgende fasen
onderscheiden: fase 1; de bereidheid om misdrijven te plegen. Fase 2; de beslissing om
daadwerkelijk een specifiek misdrijf te plegen. Fase 3; de beslissingen die betrekking hebben
op de evaluatie van de beslissingen om delicten te blijven plegen dan wel om het plegen van
delicten te staken.
6. Straintheorie (Merton): criminaliteit is uiting van spanning en protest. Er ontstaat strain
wanneer gestelde doelen niet bereikt kunnen worden met de in de samenleving bereikbare
(en geaccepteerde) middelen. Merton gaat ervan uit dat er cultureel bepaalde,
maatschappelijke gewaardeerde doelen zijn waar iedere burger in principe naar streeft. Dat
zijn vooral (financieel) gewin en status (presteren en uitblinken). Binnen de samenleving
heeft echter niet iedereen dezelfde hoeveelheid en kwaliteit van middelen ter beschikkking
die nodig zijn om de gestelde doelen te bereiken. Een deel stelt dan zijn doelen bij, maar een
ander deel zoekt andere, illegale oplossingen om alsnog zijn doelen te bereiken; criminaliteit.
7. Radicale of kritische criminologie: iedere vorm van criminaliteit wordt gezien als een vorm
van maatschappijkritiek. Criminaliteit is het product van het kapitalistische productiesysteem
dat zich tegen de zwakste groepen van de samenleving keert. Criminaliteit ontstaat aan de
‘onderkant’ van de samenleving als een latente vorm van verzet tegen de
machtsongelijkheid. De ‘bovenkant’ heeft de macht in handen om criminaliteit te definiëren
en beschikt bovendien over de mogelijkheden om het strafrechtelijke systeem te gebruiken
om de eigen belangen te verdedigen. Vanuit machtsposities gepleegde wandaden
(corruptie), worden dan ook zelden bestraft. Volgens deze theoretici is er dan ook geen
beheersing van de misdaad mogelijk in het kapitalistische systeem omdat de oorzaak gelegen
is in datzelfde systeem.
8. Interactionistische theorie: ‘criminaliteit is wat wij zo noemen’. Criminaliteit is gedrag dat
door anderen zo wordt benoemd. Het criminaliseringsproces ontstaat als volgt: iemand
overtreedt de wet, maar ziet zichzelf niet als wetsovertreder; primaire deviantie. Dit
wetsovertredende gedrag roept reacties op van derden (politie, sociale omgeving, justitie), er
vindt ‘labeling’ plaats. De afwijker wordt als zodanig gedefinieerd. Deze labeling brengt
negatieve kenmerken met zich mee (bv. strafblad), waardoor de sociale kansen van de
persoon in kwestie sterk aangetast worden. Het zelfbeeld kan zo sterk veranderen, dat de
delinquent aan zichzelf gaat twijfelen door de stigmatisering. Dit kan leiden tot secundaire
deviantie; de persoon in kwestie gaat zich als crimineel zien en gaat ook zo handelen.
Controle- of beheersingstheorieën:
1. Controletheorie/bindingstheorie (Hirschi): mensen houden zich aan de wet omdat ze zowel
affectieve (bv. met ouders) als rationele banden (bv. werk en school) met de samenleving
hebben. Deze banden kunnen sterk en minder sterk zijn. De kracht van de affectieve
bindingen wordt in sterke mate bepaald door de ervaringen tijdens de vroege socialisatie
(opvoeding). Door deze affectieve binding zal het voor de meesten moeilijk zijn om naasten
verdriet te doen (1), en mogelijk zijn om zich in te leven in het potentiële slachtoffer (2).
Hierdoor worden de meeste vormen van crimineel gedrag ontoelaatbaar.
Daarnaast is er de rationele band en heeft iedereen wel wat te verliezen. Door de wet te
overtreden, wordt er veel op het spel gezet. Voor velen zal het (justitiële) risico dan al snel te
groot worden. Op grond van de kracht van beide bindingen zullen de criminaliteitsremmende
overtuigingen variëren. T.a.v. de binding met de maatschappij zijn 4 elementen van belang: